Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:75
Zaaknummer
25-888/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klager verwijt verweerster dat zij niet heeft gereageerd op een brief van Justis waarin om nadere informatie werd gevraagd met betrekking tot het gedane gratieverzoek. Verweerster heeft die brief echter niet ontvangen en kon daarom ook niet reageren. Verweerster heeft de stelling van klager dat zij hem niet heeft geïnformeerd over de uitkomst van het gratieverzoek weerlegt met het overleggen van haar urenstaat. Bovendien is klager zelf niet consistent in zijn verklaringen of klaagster hem nu wel of niet heeft ingelicht. Dat verweerster geen nieuw gratieverzoek heeft gedaan kan haar niet worden verweten, omdat klager verweerster daartoe geen opdracht heeft gegeven. Klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 23 maart 2026
in de zaak 25-888/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 22 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 25/103 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager is een vaste klant van (het kantoor) van verweerster. In de periode maart/april 2023 is verweerster door klager benaderd om hem bijstand te verlenen bij het indienen van een gratieverzoek.
2.2 Op 6 april 2023 heeft verweerster een gratieverzoek ingediend bij Justis. Als motivering bij het verzoek is onder meer opgenomen dat klager zich inmiddels vrijwillig had doen opnemen in de Piet Roordakliniek en dat een periode van detentie niet ten goede zou komen aan de ingezette trajecten, omdat dit de behandeling zou verstoren.
2.3 Op 4 juli 2023 heeft verweerster van Justis een ontvangstbevestiging ontvangen, met de mededeling dat zo snel mogelijk op het verzoek zou worden beslist nadat de politierechter in Zwolle advies had uitgebracht.
2.4 Op 12 februari 2024 heeft Justis aan verweerster een brief gestuurd waarin werd verzocht om met betrekking tot het gratieverzoek nadere informatie te verstrekken. Meer in het bijzonder is verzocht om een verslag waaruit blijkt hoe de behandeling van klager in de Piet Roordakliniek verloopt of verlopen is. Verzocht is verder om de gevraagde informatie binnen vier weken na dagtekening toe te zenden.
2.5 Op 21 maart 2024 heeft Justis per brief aan verweerster bericht over de beslissing op het verzoek. Daarin staat onder meer:
‘Gelet op het uitgebrachte advies heb ik u in mijn brief van 12 februari 2024 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken aanvullende informatie toe te zenden. Ik heb daarop geen reactie ontvangen. Ik moet u dan ook meedelen dat ik het gratieverzoek, met Koninklijke machtiging, heb afgewezen.’
2.6 Bij e-mail van 24 juni 2025 heeft klager aan verweerster gemeld dat hij van zijn casemanager heeft begrepen dat er nog een straf openstaat voor na zijn ISD-maatregel (raad: Inrichting voor Stelselmatige Daders) en dat daar gratie voor moet worden aangevraagd via zijn advocaat. Klager vraagt in de e-mail aan verweerster hoe dit zit.
2.7 Diezelfde dag heeft verweerster daar per e-mail op gereageerd en klager gevraagd over welke zaak dat dan zou gaan en of hij nog in het ISD-traject zit. Verder heeft verweerster in de e-mail aangegeven een gratieverzoek wel te kunnen verzorgen indien klager dat wenst.
2.8 De dag daarna heeft klager aan verweerster per e-mail laten weten dat verweerster het mag laten zitten, omdat klager van de rechtbank inmiddels heeft vernomen dat er vorig jaar in maart al een gratieverzoek was ingediend en dat hij aanneemt dat verweerster dat heeft gedaan.
2.9 Op diezelfde dag heeft klager aan verweerster echter nog een e-mailbericht gezonden. Daarin voert hij aan dat verweerster op 12 februari 2024 een mogelijkheid was geboden aanvullende informatie aan te leveren, dat verweerster dat niet heeft gedaan en dat daarom in maart 2024 het gratieverzoek is afgewezen. Klager stelt dat verweerster nalatig is geweest in de uitvoering van haar werkzaamheden
2.10 Bij e-mail van 1 juli 2025 aan klager heeft verweerster daarop gereageerd. Zij deelt klager daarin mee dat zij het gratieverzoek heeft ingediend en vervolgens alle correspondentie dienaangaande met klager heeft gedeeld. Een advies van de politierechter met de mogelijkheid daarop te reageren heeft verweerster niet heeft ontvangen en dit heeft zij dus ook niet kunnen delen met klager. Op grond van de brief van 4 juli 2023 zou er volgens verweerster bovendien enkel advies worden ingewonnen en nadien een beslissing worden genomen. Verder concludeert verweerster dat klager van de geboden optie om opnieuw een gratieverzoek in te dienen kennelijk geen gebruik wenst te maken.
2.11 Bij e-mail van verweerster aan klager op 4 juli 2025 heeft verweerster onder meer gemeld dat zij al eerder heeft aangeven waarom er niet is gereageerd op de brief van 12 februari 2024 en ook waarom zij een dergelijke brief niet verwachtte.
2.12 Op 10 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht tegen verweerster ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door juridisch ondermaats te presteren en onvoldoende te communiceren.
toelichting: Verweerster heeft niet gereageerd op de brief van Justis van 12 februari 2024, waarin werd gevraagd om aanvullende informatie. En ook al had verweerster, zoals ze zelf stelt, die brief niet ontvangen, dan nog geldt dat zij uit eigen beweging had moeten melden dat aan klager een ISD-maatregel was opgelegd. Verweerster heeft bij het gratieverzoek verzuimd om te melden dat aan klager sinds november 2023 een ISD-maatregel is opgelegd en dat dit een belangrijke gewijzigde omstandigheid is. Daarnaast heeft verweerster nagelaten om klager erover te informeren dat het gratieverzoek op 21 maart 2024 was afgewezen. Klager kwam daar pas in juni 2025 achter, doordat zijn casemanager hem daarover informeerde. Ook heeft verweerster nagelaten een nieuw gratieverzoek in te dienen.
3.2 Op de mondelinge behandeling heeft klager zijn klacht nader toegelicht.
4 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.2 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel: verweerster heeft niet gereageerd op de brief van Justis van 12 februari 2024
5.3 Klager verwijt verweerster dat zij niet heeft gereageerd op de brief van Justis van 12 februari 2024 waarin werd verzocht om nadere informatie.
5.4 Verweerster heeft in dit kader verklaard dat de brief van Justis van 12 februari 2024 waarin om nadere informatie werd gevraagd weliswaar op de juiste wijze is geadresseerd, maar dat zij die niet heeft ontvangen. Verweerster was er daardoor dus niet van op de hoogte dat zij nadere informatie diende aan te leveren.
5.5 De raad ziet geen reden die verklaring in twijfel te trekken en is van oordeel dat verweerster hier geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Klachtonderdeel: uit eigen beweging melding maken van opgelegde maatregel
5.6 Klager verwijt verweerster ook dat, ook al had verweerster de brief van 12 februari 2024 niet ontvangen, verweerster niet uit eigen beweging aan Justis heeft gemeld dat klager een maatregel was opgelegd.
5.7 De raad overweegt dat de ISD-maatregel is opgelegd, zoals door verweerster ook is aangevoerd, nadat het gratieverzoek al was ingediend. De vraag is dan of verweerster niettemin uit eigener beweging aan Justis had moeten melden, kennelijk als aanvulling op het reeds gedane gratieverzoek, dat aan klager inmiddels een ISD-maatregel was opgelegd. Die vraag beantwoordt de raad ontkennend. Verweerster was, zo verklaarde zij ter zitting, in de veronderstelling dat er voldoende was aangevoerd om tot een toewijzing van het gratieverzoek te komen. Dat is een afweging die verweerster bij de behandeling van de zaak heeft gemaakt en die valt naar het oordeel van de raad binnen de grenzen van de hiervoor onder 5.2 vermelde keuzevrijheid van een advocaat. Er is hier dus geen tuchtrechtelijke norm geschonden.
Klachtonderdeel: niet ingelicht over de uitkomst van het gratieverzoek
5.8 Klager verwijt verweerster dat zij hem niet heeft ingelicht dat het gratieverzoek was afgewezen.
5.9 Verweerster heeft dat betwist. Zij heeft gesteld dat zij klager - die op dat moment gedetineerd zat in een PI - daarover telefonisch heeft ingelicht en daarna de betreffende afwijzing aan klager per post (via de directeur van de PI) heeft toegezonden en dat dit ook blijkt uit haar urenspecificatie die onderdeel uitmaakt van het klachtdossier.
5.10 De raad constateert dat klager in het door hem op 10 juli 2025 ingediende klachtformulier eerst vermeldt dat het gratieverzoek is afgewezen ‘zonder dat zij dit met mij heeft gecommuniceerd’. Enkele regels verder staat echter ‘Op 21 maart 2024 volgde de afwijzing van het gratieverzoek. Die brief heeft mijn advocaat wél ontvangen en doorgestuurd’ en even verderop staat dan weer ‘Daarnaast heeft zij mij nooit zelf ingelicht over de afwijzing van het gratieverzoek’. Klager is dus niet consistent is zijn verklaringen hieromtrent, terwijl verweerster haar stelling dat zij het er met klager over heeft gehad met een urenstaat heeft onderbouwd. Gelet daarop houdt de raad het ervoor dat er tussen verweerster en klager op 28 maart 2024 contact is geweest over de uitkomst van het gratieverzoek en is hier geen sprake van een tuchtrechtelijke normschending.
Klachtonderdeel: geen nieuw gratieverzoek
5.11 Klager verwijt verweerster dat zij niet een nieuw gratieverzoek heeft ingediend.
5.12 De raad overweegt dat verweerster de mogelijkheid van een nieuw gratieverzoek wel heeft voorgelegd in de e-mail van 24 juni 2025. Niet is gebleken dat klager in reactie daarop verweerster heeft verzocht om een nieuw gratieverzoek te doen. Integendeel, uit de e-mail van 1 juli 2025 van verweerster aan klager blijkt dat klager dat niet heeft verzocht. Het is verweerster als advocaat van klager niet toegestaan om zelfstandig, zonder opdracht van klager, een nieuw verzoek in te dienen. Ook hier valt verweerster tuchtrechtelijk niets te verwijten.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in al zijn klachtonderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mr. E.H.M. Harbers en mr. G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
