Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:84
Zaaknummer
250190
Inhoudsindicatie
De klacht van klager gaat over de advocaat van de wederpartij. Met betrekking tot het onderdeel dat verweerder in strijd met het toepasselijke procesreglement niet tegelijkertijd een afschrift van zijn bericht aan de rechtbank aan klager heeft gestuurd, acht het hof deze omissie van verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klager had de cliënt van verweerder zonder opvragen van verhinderdata gedagvaard waarop verweerder de rechtbank daarop heeft geattendeerd en om een nieuwe datum heeft verzocht. Niet is gebleken dat klager in zijn belangen is geschaad doordat hij het betreffende bericht een dag later ontving van de rechtbank. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
Uitspraak
Beslissing van 23 maart 2026
in de zaak 250190
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
gemachtigde: mr. W. Koelewijn, advocaat te Utrecht
1 INLEIDING
1.1 De klacht van klager gaat over de advocaat van de wederpartij. De klacht is door de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) in alle onderdelen ongegrond verklaard. Met betrekking tot het onderdeel dat verweerder in strijd met het toepasselijke procesreglement niet tegelijkertijd een afschrift van zijn bericht aan de rechtbank aan klager heeft gestuurd, acht het hof deze omissie van verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klager had de cliënt van verweerder zonder opvragen van verhinderdata gedagvaard waarop verweerder de rechtbank daarop heeft geattendeerd en om een nieuwe datum heeft verzocht. Niet is gebleken dat klager in zijn belangen is geschaad doordat hij het betreffende bericht een dag later ontving van de rechtbank. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-859/AL/MN) een beslissing gewezen op 22 april 2025. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:117 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 22 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- brief van verweerder van 18 augustus 2025.
2.4 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 26 januari 2026. Daar zijn klager, verweerder en diens gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager heeft gestudeerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR).
3.3 Op 22 juli 2021 heeft de EUR schriftelijk aan klager laten weten dat hij in het vervolg uitsluitend schriftelijk – niet digitaal - met de EUR kan communiceren en daartoe een postadres aan klager verstrekt met als doel de vele e-mailberichten van klager te kanaliseren en miscommunicatie te voorkomen.
3.4 Verweerder staat sinds december 2021 de EUR als advocaat bij in meerdere kwesties tussen de EUR en klager.
3.5 Op 31 mei 2022 heeft de EUR aan klager schriftelijk medegedeeld dat hij niet wordt toegelaten tot de masteropleiding Business Information Management, studiejaar 2022-2023. Klager heeft hiertegen administratief beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het hoger onderwijs (hierna: CBHO). Tevens heeft klager de voorzieningenrechter van het CBHO verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
3.6 Op 12 september 2022 heeft de voorzieningenrechter van het CBHO laten weten dat de voorlopige conclusie is dat de beslissing van de EUR van 31 mei 2022 rechtmatig is.
3.7 De EUR heeft op 12 september 2022 aan klager schriftelijk een campusverbod opgelegd.
3.8 Klager heeft de EUR in kort geding gedagvaard bij dagvaarding van 31 augustus 2023 om op 1 september 2023 te verschijnen voor de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de kantonrechter) en onder andere gevorderd dat de kantonrechter de EUR gebiedt om het campusverbod op te heffen, hem niet te hinderen bij het inschrijven voor een opleiding, hem gelijkwaardig te behandelen, hem toegang te geven tot de systemen, bepaalde persoonlijke informatie te verwijderen en te reageren op zijn e-mails. Ook heeft klager aan de kantonrechter verzocht om een tijdelijke ontheffing van het campusverbod en inschrijving op basis van het wettelijke collegegeld, tot aan het vonnis in het kort geding.
3.9 Op 5 september 2023 heeft verweerder een e-mail gestuurd aan de griffie van de (kanton) kort geding unit van de rechtbank waarin verweerder om een nieuwe datum voor het kort geding verzoekt. Verweerder voert daartoe aan dat klager niet om zijn verhinderdata heeft gevraagd terwijl klager wel aan hem in de week voor 31 augustus 2023 een concept van de dagvaarding had toegestuurd. Volgens verweerder ging daarmee ook klager ervan uit dat verweerder als gemachtigde namens de EUR zou optreden. Het e-mailadres dat klager heeft gebruikt om bij de EUR verhinderingen op te vragen is een e-mailadres waarop geen e-mails van klager worden behandeld wat volgens verweerder bij klager bekend is.
3.10 Verweerder heeft zijn e-mailbericht aan de griffie niet tegelijkertijd ook aan klager verzonden.
3.11 Op 6 september 2023 heeft de griffier namens de kantonrechter naar klager en verweerder gereageerd op het e-mailbericht van verweerder, welk bericht door de griffier ook als bijlage is meegezonden. De griffier laat in zijn bericht weten dat de kantonrechter – met toepassing van artikel 10.2 van het Landelijk Procesreglement kort gedingen rechtbanken, kanton – het verzoek van verweerder om de geplande mondelinge behandeling te verplaatsen toestaat omdat uit de e-mail van verweerder volgt dat niet op juiste wijze de verhinderdata van verweerder zijn opgevraagd.
3.12 Op 13 september 2023 is er een vonnis in het incident gewezen waarin de kantonrechter de door klager gevorderde tijdelijke ontheffing van het campusverbod en inschrijving op basis van het wettelijke collegegeld tot aan het vonnis in het kort geding, heeft afgewezen omdat onvoldoende zeker was dat de vorderingen van klager zouden worden toegewezen.
3.13 Op 27 september 2023 heeft de zitting in kort geding plaatsgevonden. Op 11 oktober 2023 is er vonnis gewezen waarin de kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard om van de vorderingen van klager kennis te nemen omdat het volstrekt onduidelijk is welke waarde de vorderingen tezamen vertegenwoordigen.
3.14 De raad heeft eerder klachten van klager over verweerder behandeld. De eerste klacht is in een beslissing van 18 december 2023 (23-709/AL/MN) kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft verzet ingesteld tegen die beslissing. In de beslissing van 26 augustus 2024 is dat verzet ongegrond verklaard. De andere klacht is in een voorzittersbeslissing van 9 december 2024 (24-623/AL/MN) kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft tegen die beslissing verzet ingesteld. De raad heeft dat verzet in zijn beslissing van 22 april 2025 ongegrond verklaard.
3.15 De klacht in deze procedure is door klager bij de deken ingediend op 18 november 2023.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: a) niet te handelen als een behoorlijk advocaat betaamt (gedragsregel 1);
b) vertrouwelijke informatie te verstrekken zonder het gerechtvaardigde belang van hem daarbij in acht te nemen (gedragsregel 3);
c) niet te streven naar een minnelijke oplossing (gedragsregel 5);
d) zich onnodig grievend over hem uit te laten (gedagsregel 7);
e) feitelijke informatie in rechte te verstrekken waarvan hij wist, althans behoorde te weten, dat deze onjuist was (gedragsregel 8);
f) bij het (tijdstip van het) overleggen van stukken geen rekening te houden met zijn (gerechtvaardigde) belangen (gedragsregel 20);
g) zich in een aanhangig geding tot de rechter te wenden zonder hem als wederpartij gelijktijdig te berichten (gedragsregel 21).
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdelen a) en b)
5.1 De raad heeft voorop gesteld dat het niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen of sprake is van handelen in strijd met de AVG. Wel moet de tuchtrechter beoordelen of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Daarvan is niet gebleken. Het is niet aan klager om te beslissen dat wat verweerder in de procedure naar voren heeft gebracht niet noodzakelijk is voor de zaak. Bovendien heeft verweerder de door klager genoemde gegevens alleen in deze procedure genoemd en niet aan andere personen of instanties doorgegeven. De raad is daarom van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder de belangen van klager onnodig of onevenredig heeft geschaad. Het voorgaande betekent dat verweerder de aan hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij niet heeft overschreden. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c)
5.2 De raad heeft overwogen dat gedragsregel 5 geen absolute verplichting inhoudt om tot een minnelijke oplossing te komen; het gaat erom dat een advocaat zich voldoende inzet om tussen partijen tot een oplossing te komen. Gelet op de inhoud van het klachtdossier en de uitleg van verweerder op dit punt, heeft de raad geoordeeld dat niet is gebleken dat verweerder zich – in strijd met deze gedragsregel – onvoldoende heeft ingezet om tot een minnelijke oplossing te komen. Dat betekent dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond verklaard.
Klachtonderdelen d) en e)
5.3 De door klager genoemde uitlatingen van verweerder zijn volgens de raad niet onnodig grievend en verweerder heeft de hem toekomende grote vrijheid als advocaat van de wederpartij niet overschreden. Klager heeft ook gesteld dat verweerder feitelijke informatie in rechte heeft verstrekt waarvan hij wist althans behoorde te weten dat deze onjuist was. De raad heeft op grond van het klachtdossier niet kunnen vaststellen dat verweerder feiten heeft gesteld waarvan hij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen. Verweerder heeft mogen afgaan op de juistheid van de informatie die hij van zijn cliënt had gekregen. Het is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder deze informatie had moeten verifiëren. Voor beide klachtonderdelen geldt bovendien dat klager in de procedures zijn visie heeft kunnen geven over de door verweerder ingebrachte standpunten. Het is vervolgens aan de civiele rechter - en niet aan de tuchtrechter - om een oordeel te geven over de door de klager en (de cliënt van) verweerder ingenomen standpunten. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard.
Klachtonderdelen f) en g)
5.4 De raad heeft deze klachtonderdelen gezamenlijk behandeld.
5.5 De raad heeft op grond van het klachtdossier vastgesteld dat verweerder inderdaad de door klager genoemde e-mail van 5 september 2023 niet gelijktijdig aan klager heeft gestuurd. Verweerder heeft dat op de zitting van de raad ook erkend. Gelet op de volgende omstandigheden is de raad van oordeel dat er desondanks geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Tussen klager en de cliënt van verweerder zijn vele procedures gevoerd waarin tussen klager en (de cliënt van) verweerder veel is gecommuniceerd. In al die procedures is dit de enige keer dat verweerder een brief of een e-mail niet (gelijktijdig) aan klager heeft gestuurd. Deze omissie heeft verweerder bovendien snel hersteld door de e-mail alsnog naar klager te sturen. De raad heeft verder van belang geacht dat niet is gebleken dat klager door dit nalaten van verweerder in zijn belangen is geschaad. De raad overwoog ten slotte - in het bijzonder ten aanzien van klachtonderdeel f) - dat het aan de zittingsrechter is om een beslissing te nemen over (te laat) ingediende stukken. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager stelt in het algemeen dat de raad niet op alle klachtonderdelen heeft beslist. Eén klachtonderdeel (in strijd handelen met gedragsregel 6) is in het geheel niet getoetst door de raad. Per klachtonderdeel heeft klager voorts – samengevat – het volgende aangevoerd:
t.a.v. klachtonderdelen a) en b), overtreding gedragsregel 1
6.2 Klager voert aan dat de raad zich niet had mogen beperken tot een toetsing aan de AVG. Door dat wel te doen is de uitspraak op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd door de raad. De klacht zag erop dat verweerder zonder noodzaak gevoelige en vertrouwelijke informatie in een procedure heeft gebruikt en daardoor ook zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden.
t.a.v. klachtonderdeel c), overtreding gedragsregel 5
6.3 Klager blijft van mening dat verweerder niets heeft ondernomen om een schikking te beproeven over de kwesties die in de dagvaarding van klager staan opgenomen. Verder voert klager aan dat het in strijd is met de goede procesorde dat verweerder eerst tijdens de zitting bij de raad heeft gesteld dat er een gesprek is geweest tussen klager en het hoofd Juridische Zaken. Daarbij had dit gesprek volgens klager een andere strekking dan verweerder ter zitting aangaf. Verweerder heeft door dit te stellen de raad misleid.
t.a.v. klachtonderdelen d) en e); overtreding gedragsregel 7
6.4 De uitlating over vermeende vuurwapenbedreiging is volgens klager geen informatie die verweerder van zijn cliënt kreeg maar diens eigen, subjectieve interpretatie. Die interpretatie is onjuist omdat klager stelt dat hij in geen enkel processtuk of tijdens een zitting heeft verklaard dat hij met een vuurwapen is bedreigd. Volgens klager heeft de raad met de beslissing op klachtonderdeel d) ook blijk gegeven van vooringenomenheid.
6.5 Klager stelt dat hij heeft aangetoond dat verweerder in eerdere procedures herhaaldelijk onjuiste informatie heeft verstrekt. De raad heeft nagelaten een eigen toetsing te doen of het handelen van verweerder in strijd is met de gedragsregels 7 en 8.
t.a.v. klachtonderdelen f) en g), overtreding gedragsregel 20 en 21
6.6 Volgens klager heeft verweerder in strijd gehandeld met de gedragsregels 20 en 21 door zijn e-mail van 5 september 2023 aan de rechtbank niet ook tegelijk ook aan verweerder te sturen. Klager betwist het oordeel van de raad dat dit slechts één omissie is geweest. Volgens klagers is dit ook in andere bestuursrechtelijke zaken door verweerder nagelaten. Voorts betwist klager het oordeel van de raad dat hij geen nadeel heeft ondervonden van het eerst later ontvangen van de e-mail van verweerder van 5 september 2023. Doordat hij die e-mail pas op 6 september 2023 kon lezen, is de geplande zitting verplaatst wat voor klager directe gevolgen had omdat zijn masteropleiding op 1 september was begonnen.
6.7 Verder is volgens klager bij een toetsing aan deze gedragsregels niet van belang of klager door schending daarvan nadeel heeft ondervonden. Het gaat volgens klager ook om het vertrouwen in de advocatuur. Ook op deze onderdelen heeft de raad de toepasselijke maatstaf verkeerd toegepast.
Verweer verweerder
6.8 Verweerder stelt dat de raad ten aanzien van alle klachtonderdelen het juiste tuchtrechtelijke beoordelingskader heeft gehanteerd en binnen de grenzen van diens ruime beoordelingsvrijheid dit beoordelingskader ook op een juiste wijze heeft toegepast.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.
Toetsing klachten van klager door de raad
7.2 Klager heeft aangevoerd dat de raad niet op alle klachtonderdelen heeft beslist. Het hof volgt klager hierin niet. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de raad blijkt dat de voorzitter bij aanvang van de zitting aan klager de klacht heeft voorgehouden zoals in de aanbiedingsbrief van de deken van 22 november 2024 is opgenomen. Klager heeft daarop aangegeven dat de klacht goed is weergegeven. De raad heeft vervolgens op alle in de dekenbrief omschreven klachtonderdelen beslist. In hoger beroep kan dan niet meer worden aangevoerd dat de raad niet op alle klachtonderdelen heeft beslist (zie HvD, 14 mei 20218, ECLI:NL:TAHVD:2018:77). Het hof is verder niet gebleken dat de raad op essentiële punten van de klacht van klager niet is ingegaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ten aanzien van de klachtonderdelen f) en g): de e-mail van 5 september 2023 van verweerder aan de kantonrechter
7.3 Het hof stelt vast dat verweerder zijn e-mailbericht van 5 september 2023 aan de kantonrechter niet ook tegelijkertijd aan klager heeft verzonden. Klager ontving dit bericht een dag later van de griffier. Op het moment dat verweerder zijn e-mail aan de griffie van de rechtbank stuurde, werd klager niet door een advocaat of gemachtigde bijgestaan. Hierdoor is gedragsregel 21 niet van toepassing. Uit het landelijke procesreglement kort gedingen volgt echter dat verweerder zijn e-mailbericht ook tegelijkertijd aan klager had moeten sturen (HvD, 14 oktober 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:265). Verweerder erkent dat ook en betreurt dat dit niet is gebeurd. Deze nalatigheid van verweerder acht het hof onder de gegeven omstandigheden niet van zodanig gewicht dat verweerder hiervan een tuchtrechtelijk verwijt wordt gemaakt. Het hof licht dit als volgt toe.
7.4 De aanleiding voor verweerders bericht aan de kantonrechter met onder meer het verzoek om een nieuwe datum ligt in het feit dat klager geen verhinderdata bij verweerder had opgevraagd bij het aanvragen van een datum voor het kort geding. De kantonrechter heeft naar aanleiding van de e-mail van verweerder partijen een dag later de gelegenheid geboden om tot 8 september 2023 hun verhinderdata door te geven. Klager kwam toen ook op de hoogte van het verzoek van verweerder. Vervolgens heeft de kantonrechter de mondelinge behandeling van het kort geding bepaald op 27 september 2023. Het is het hof verder niet gebleken dat verweerder op andere momenten heeft nagelaten aan klager kopieën te sturen van zijn correspondentie aan de rechter. klager heeft dat ook verder niet concreet onderbouwd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat het een eenmalige omissie betreft in een omvangrijk dossier.
7.5 Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat klager door de verplaatsing van het kort geding naar 27 september 2023 is benadeeld. Klager heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij daardoor niet per 1 september 2023 aan zijn master opleiding kon beginnen. Dit argument faalt omdat de aanvankelijk geplande datum van het kort geding 8 september 2023 was, derhalve ook na 1 september 2023. Het was weliswaar beter geweest als verweerder de e-mail van 5 september 2023 in cc aan klager had gestuurd maar in dit geval is dat niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De hiertegen gerichte beroepsgrond faalt.
Ten aanzien van de klachtonderdelen a) t/m e)
7.6 Het hof ziet op basis van de op deze klachtonderdelen betrekking hebbende beroepsgronden, die louter een herhaling zijn van de door klager bij de raad ingenomen standpunten, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de raad. Het hoger beroep heeft verder ook niet geleid tot nieuwe inzichten ten aanzien van deze klachtonderdelen. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de raad en neemt deze over. De beroepsgronden falen dan ook.
Slotsom
7.7 Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en het hof de beslissing van de raad zal bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- bekrachtigt de beslissing van 22 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-859/AL/MN.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. D. Wachter en J.M. Louwrier, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 23 maart 2026.
