Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:74
Zaaknummer
25-854/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klager en (de cliënt van) verweerder hebben een geschil over de al dan niet executeerbaarheid van een vonnis. Dat klager en verweerder in dat geschil ieder een andere mening hebben is geen tuchtrechtelijke aangelegenheid; dat geschil dient te worden voorgelegd aan de civiele rechter. De raad heeft ambtshalve geconstateerd dat een civiele rechter inmiddels heeft geoordeeld in dat geschil. Klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 23 maart 2026
in de zaak 25-854/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 20 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 10 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 25/34 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Daarbij was verweerder aanwezig. Hoewel klager behoorlijk is opgeroepen was hij zonder kennisgeving niet aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager had een juridisch conflict met S, die een procedure is gestart tegen klager en diens vennootschappen. S. is in dat conflict bijgestaan door verweerder.
2.2 Op 29 augustus 2017 is door de voorzieningenrechter in dat geschil een vonnis in kort geding gewezen. Daarin zijn diverse beslissingen opgenomen en is klager - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeeld om de proceskosten van S. te betalen.
2.3 Bij het treffen van een voorlopige voorziening in zaken betreffende rechten van intellectuele eigendom bepaalt de voorzieningenrechter een redelijke termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak en in voormeld vonnis heeft de voorzieningenrechter die termijn op zes maanden bepaald (artikel 1019i lid 1 Rv).
2.4 Bij e-mail van 15 december 2023 heeft verweerder namens S. aan klager geschreven dat de proceskosten door klager nog niet zijn betaald en heeft hij klager verzocht om het verschuldigde bedrag voor 1 januari 2024 te betalen.
2.5 Op 2 januari 2024 heeft klager daar via e-mail op gereageerd. Hij verbaast zich daarin het bericht te hebben ontvangen na ruim zeven jaar niets te hebben vernomen. Klager heeft deze zaak al geruime tijd geleden afgesloten en de stelling van verweerder dat het oude vonnis nu nog uitvoerbaar zou zijn kan klager vooralsnog niet volgen.
2.6 Op diezelfde dag heeft klager bij de rechtbank een verklaring ex artikel 1019i lid 3 Rv ingediend dat binnen de in het vonnis bepaalde termijn van zes maanden geen bodemprocedure is ingesteld door eiser.
2.7 Op 12 januari 2024 heeft verweerder bij e-mail aan klager bericht dat zijn cliënt er zeker van is dat het vonnis, wat de proceskostenveroordeling betreft, executeerbaar was en is gebleven. Uit het bericht van klager begrijpt (de cliënt van) verweerder dat klager niet eerder wil betalen dan nadat er een rechterlijk vonnis is gewezen waarin de executeerbaarheid wordt bevestigd.
2.8 Daarna is er tussen klager en verweerder nog verder gecorrespondeerd over de vraag of het vonnis van 29 augustus 2017 nog kon worden geëxecuteerd voor wat betreft de proceskostenveroordeling.
2.9 Bij e-mail van 22 januari 2025 aan klager heeft verweerder bericht dat hij zijn cliënt zal adviseren om executiemaatregelen te treffen en op 13 februari 2025 heeft klager van een gerechtsdeurwaarder een bevel tot betaling van een bedrag van € 8.905,11 ontvangen.
2.10 Op 18 februari 2025 heeft verweerder aan de gerechtsdeurwaarder een e-mail gezonden en daarin aangegeven dat de proceskostenveroordeling kon worden geëxecuteerd.
2.11 Op 20 februari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend tegen verweerder.
3 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door onterecht over te gaan tot executie van een vonnis en daarmee de belangen van klager als wederpartij op onaanvaardbare wijze te schaden.
toelichting: Door niet binnen zes maanden na het vonnis van 29 augustus 2017 een eis in de hoofdzaak in te stellen, is de rechtskracht van dit vonnis verloren gegaan. Verweerder kan dit vonnis niet meer executeren namens zijn cliënten. Er is aan klager een bevel tot betaling verstrekt, maar de executie is niet doorgezet. Verweerder maakt bovendien een onjuiste berekening van de wettelijke rente. Door zo te handelen begaat verweerder een beroepsfout.
4 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen
Klacht
5.3 De raad overweegt dat de klacht van klager buiten voormeld beoordelingskader van de raad valt. Klager en de cliënt van verweerder hebben een juridisch geschil over de al dan niet executeerbaarheid van een vonnis waarin een kostenveroordeling is uitgesproken. De beoordeling van dat geschil is voorbehouden aan de civiele rechter en niet aan de tuchtrechter. Dat klager en verweerder een andere mening zijn toegedaan over de al dan niet executeerbaarheid van die veroordeling is geen tuchtrechtelijke aangelegenheid. De raad zal de klacht ongegrond verklaren. De raad heeft overigens ambtshalve geconstateerd dat inmiddels op 11 december 2025 een civiele rechter over dit geschil heeft geoordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2025:23583).
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mr. E.H.M. Harbers en mr. G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
