Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:83

Zaaknummer

250189

Inhoudsindicatie

De klacht gaat over een advocaat in zijn hoedanigheid van deken. In tegenstelling tot de raad acht het hof een uitlating die verweerder over een gedraging van klager heeft gedaan in een artikel over klager in een regionale krant tuchtrechtelijk verwijtbaar. Omdat dit oordeel dient als signaalfunctie betreffende de omgang door advocaten in hoedanigheid van deken met de pers en andere vormen van sociale media heeft het hof de klacht gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel.

Uitspraak

Beslissing van 23 maart 2026

in de zaak 250189

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerder

 

 

1 INLEIDING

1.1 De klacht gaat over een advocaat in zijn hoedanigheid van deken. In tegenstelling tot de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) acht het hof een uitlating die verweerder over een gedraging van klager heeft gedaan in een artikel over klager in een regionale krant tuchtrechtelijk verwijtbaar. Omdat dit oordeel dient als signaalfunctie betreffende de omgang door advocaten in hoedanigheid van deken met de pers en andere vormen van sociale media heeft het hof de klacht gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-801/AL/NN) een beslissing genomen op 12 mei 2025. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:133 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 23 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

- de stukken van de raad;

- het verweerschrift van verweerder.

2.5  Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 26 januari 2026. Daar zijn klager verschenen en verweerder met een medewerker van het bureau van de orde.

 

3 FEITEN

3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2 Verweerder heeft op 1 mei 2024 zijn functie van deken van het arrondissement Limburg aanvaard. Kort na deze aanvaarding heeft hij een interview gegeven aan het dagblad De Limburger.

3.3 Op 25 mei 2024 is er in De Limburger een artikel geplaatst met als kop ‘Studenten klagen over huurbaas en [klager]’. Dit artikel luidt, voor zover relevant, als volgt:

Advocaat ben je vierentwintig uur per dag, zeven dagen in de week”, stelt [verweerder]. Hij houdt als nieuwe deken van de Orde van Advocaten toezicht op zo’n 750 advocaten in Limburg. [Verweerder] gaat niet in op specifieke vragen over [klager], maar reageert wel op concrete voorvallen die De Limburger hem voorlegt. Een advocaat mag onroerend goed verhuren, maar dient daarbij het vertrouwen in de advocatuur niet te schaden, legt de deken uit. Naast de huurregels, die voor iedere commerciële verhuurder gelden, moet een advocaat zich houden aan de gedragsregels van de advocatuur. Aan de hand van die richtlijnen toetsen tuchtrechters na een klacht het gedrag van advocaten. Een van die regels is dat ‘de advocaat zich in al zijn handelen laat leiden door de kernwaarden van zijn beroep’. Bij [klager] staat één van die kernwaarden onder druk: onafhankelijkheid. Hij treedt immers meermaals op als advocaat voor zijn eigen bedrijf of zijn directe familieleden. Formeel mag dat. Maar deken [verweerder] wordt er ‘hoogst ongelukkig van’, omdat een advocaat voldoende professionele afstand moet houden. ,,Als er een financieel belang bij komt kijken voor jezelf, je bedrijf of je familieleden, dan komt je onafhankelijkheid onder druk te staan.”

(…) Volgens tuchtrecht-expert [S] moet een advocaat bij al zijn nevenactiviteiten duidelijk aangeven of hij optreedt als advocaat, of juist niet. Zelfs dan moet je altijd beseffen dat je óók advocaat bent en dat je het aanzien van je beroepsgroep niet mag aantasten, stelt deken [verweerder]: ,,Als je met drie petten optreedt richting een huurder, dan gaat de advocatenpet altijd bovenop.” En dat N van verhuurderbemiddelaar [klager] een mail kreeg die is verstuurd via het mailadres van advocaat [klager]? [verweerder] reageert glashelder: ,,Dát mag niet.” [Verweerder]: ”Studenten die dit overkomt, kunnen een klacht bij mij indienen.” De deken is verplicht een eventuele klacht in behandeling te nemen. Over de te verwachten uitkomst van zo’n procedure laat hij zich niet uit. Pas na onderzoek en na het toepassen van hoor en wederhoor kan de Raad van Discipline een oordeel vellen. Zeker als het gaat om het aantasten van het aanzien van de advocatuur is de uitkomst van een procedure vaak lastig te voorspellen. Voor zo’n klacht moeten huurders echter wel doorhebben dat hun verhuurder en de advocaat een en delfde persoon is.

3.4 Voorafgaand aan de publicatie van het krantenartikel heeft verweerder het concept gezien.

3.5 Op 27 mei 2024 heeft klager een e-mail gestuurd naar verweerder en hierin een aantal vragen gesteld.

3.6 Op 29 mei 2024 heeft verweerder op deze e-mail gereageerd en aangegeven dat hij uitsluitend algemene informatie heeft verstrekt over de advocaat en het tuchtrecht en dat hij zich in het artikel bewust heeft onthouden van het geven van oordelen.

3.7 Naar aanleiding van de publicatie van het artikel heeft verweerder in zijn hoedanigheid als deken van het arrondissement Limburg op 28 mei 2024 een onderzoek opgestart met als doel om te beoordelen of de aantijgingen aan het adres van klager terecht zijn.

3.8 Op 3 juni 2024 heeft klager over verweerder een klacht ingediend bij het hof. Bij voorzittersbeslissing van het hof van 6 juni 2024 is de klacht voor verder onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten Noord-Nederland.

 

4 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet (hierna Advw) door:

- het schenden van het beginsel van hoor- en wederhoor (artikel 6 EVRM);

- het schenden van gedragsregels 1 en 24 (welwillendheidsvereiste en verplichting jegens klager als advocaat);

- te handelen in strijd met artikel 10a Advw (niet integer handelen) en te handelen in strijd met de noodzakelijke onafhankelijkheid;

- onzorgvuldig te handelen in strijd met artikel 3:2 Awb wegens het niet toepassen van hoor en wederhoor. 

 

5 ONTVANKELIJKHEIDSKWESTIES

5.1 Klager is niet ontvankelijk in zijn beroep voor zover het is gericht op het bepalen welke maatregel moet worden opgelegd als de klacht alsnog gegrond wordt verklaard. In het geval een klacht gegrond wordt verklaard is het ter vrije beoordeling van de tuchtrechter of en welke maatregel wordt opgelegd.

5.2 Voor zover het beroepschrift nieuwe verwijten bevat (het onjuist voorlichten van de raad tijdens de zitting) laat het hof die buiten beschouwing. Daarvoor is in hoger beroep geen plaats meer.    

 

6 BEOORDELING RAAD

6.1 Klager heeft geklaagd over de door verweerder in zijn hoedanigheid van deken gedane uitlatingen in een artikel in de Limburger en stelt dat verweerder hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft hierover – kort gezegd – aangevoerd dat hij slechts algemene informatie heeft gegeven en hij heeft daarbij verwezen naar artikel 35 van de Advocatenwet. Ook heeft verweerder verklaard dat hij zich heeft onthouden van opmerkingen over de verwijten die klager werden gemaakt.

6.2 De raad heeft overwogen dat het een deken vrij staat om - ook in een krant - informatie te geven over het tuchtrecht en de mogelijkheden om een klacht in te dienen. De raad heeft echter geconstateerd dat verweerder over een concrete door klager gestuurde e-mail heeft gezegd: “dat mag niet”. Die opmerking van verweerder betreft meer dan algemene informatie en ziet op het handelen van klager. De raad heeft geoordeeld dat het beter was geweest wanneer hij deze opmerking achterwege had gelaten, of deze zin had gewijzigd op het moment dat hij het concept van het artikel vóór publicatie onder ogen kreeg. Daarbij is van belang dat verweerder de e-mail van verweerder waarnaar in het artikel is verwezen niet had gezien en hij ook (nog) geen onderzoek naar de klachten over verweerder had gedaan.

6.3 De omstandigheid dat verweerder dit beter had kunnen of moeten doen, betekende naar het oordeel van de raad echter nog niet dat sprake is van een handelen of nalaten dat het vertrouwen in de advocatuur schaadt. Wat verweerder verweten wordt, is niet van dien ernst of aard dat de drempel, zoals die hiervoor is genoemd, wordt gehaald. Ook van het schenden van artikel 6 EVRM is volgens de raad geen sprake omdat het handelen van verweerder niet in een procedure heeft plaatsgevonden. Evenmin is gebleken dat verweerder met zijn handelen de andere door klager genoemde bepalingen heeft geschonden. Op grond van het voorgaande heeft de raad de klacht ongegrond verklaard.

 

7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

7.1 Klager kan zich niet vinden in de conclusie van de raad dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

7.2 De gedane uitspraak van verweerder in het artikel houdt een oordeel in, is beschuldigend en  onnodig grievend. Verweerder had daarom eerst klager moeten horen wat verweerder niet gedaan heeft. Het vooraf horen geldt volgens klager voor alle uitlatingen van de deken, ook buiten een tuchtrechtelijke procedure.

7.3 De handelwijze van verweerder is ook in strijd met gedragsregels 7 en 8 omdat de gedane uitlating zonder noodzaak is gedaan. Verweerder heeft als deken een voorbeeldfunctie en dient extra voorzichtig te zijn met het doen van uitlatingen in de (regionale) media met een groot bereik.

Verweer verweerder

7.4 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

8 BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1 Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van deken, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en kan hem een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De tuchtrechter toetst dat optreden in een andere hoedanigheid niet slechts marginaal; er volgt een volle toets naar de vraag of het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en, bij positieve beantwoording, of is gehandeld in strijd met de norm van artikel 46 Advocatenwet. (HvD 1 december 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:219.)

Heeft de deken het beginsel van hoor en wederhoor geschonden?

8.2 Klager verwijt verweerder dat hij heeft meegewerkt aan een artikel over klager zonder op voorhand met klager contact op te nemen. Het hof volgt klager hierin niet. De journalisten van de krant hebben voorafgaand aan  het interview op verzoek van verweerder potentiële vragen aan hem  toegestuurd. Deze vragen zagen op de toepassing van het tuchtrecht op advocaten die andere werkzaamheden verrichten dan typische advocatenwerkzaamheden. Gelet op de algemene aard van deze vragen, hoefde verweerder daarover niet voorafgaand aan het interview met klager contact op te nemen.

8.3 Het feit dat verweerder voor het interview desgevraagd hoorde dat klager onderwerp van onderzoek was van de journalisten maakt het voorgaande niet anders omdat de afspraak was dat verweerder  niet zou ingaan op specifieke vragen over klager. Daarbij ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de inhoud van het artikel en het toepassen van hoor en wederhoor bij de journalisten van het artikel.  Uit het krantenartikel blijkt dat er voor publicatie ook contact is gezocht met klager die enkele vragen heeft beantwoord maar daarna aangaf niet verder te willen praten. Ook blijkt uit het krantenartikel dat het voor publicatie aan klager is voorgelegd maar dat hij daarop niet heeft gereageerd. Klager heeft dit niet weersproken. Daarbij wist verweerder voor het interview niet wat de uitkomst van het onderzoek van de journalisten was. Ook daarom was er voorafgaand aan het interview geen reden voor verweerder om met klager contact op te nemen.

8.4 Het verwijt dat de deken voorafgaand aan het interview met de krant contact met klager had moeten opnemen treft dan ook geen doel. In zoverre is de klacht ongegrond.

De gewraakte uitlating in het krantenartikel: “dat mag niet”

8.5 Verweerder heeft aangevoerd dat hij heeft meegewerkt aan het interview omdat hij als deken op grond van artikel 35 lid 3 Advw verplicht is voorlichting te geven over het tuchtrecht. Verder heeft hij aangevoerd dat hij de gestelde vragen – ook die over klager – in algemene zin heeft beantwoord.

8.6 In hoger beroep heeft verweerder aangegeven dat hij het met de raad eens is dat het beter was geweest als hij op het aan hem voorgelegde voorval dat klager als verhuurbemiddelaar een e-mail verstuurde via het mailadres van zijn advocatenpraktijk, de opmerking “Dat mag niet” achterwege had gelaten, ook omdat dit mogelijk de klacht van klager had voorkomen. Nu achteraf is gebleken dat wat in het artikel stond feitelijk juist is, is volgens verweerder zijn citaat ook juist.

8.7 Het hof volgt verweerder niet in zijn redenering. Uit het krantenartikel blijkt dat de journalisten tijdens het interview steeds gerichtere vragen over klager aan verweerder hebben gesteld en dat verweerder op concrete voorvallen over klager reageert. Hoewel verweerder stelt (ook) die vragen in algemene zin te hebben beantwoord, is verweerder dat uitgangspunt gedurende het interview kennelijk uit het oog verloren. Verweerder heeft namelijk vragen die specifiek zagen op klager concreet beantwoord. Op de vraag van de journalisten: “En dat [N] van verhuurbemiddelaar [klager] een mail kreeg die is verstuurd via het mailadres van [klager]?”, heeft verweerder (glashelder) geantwoord: “Dat mag niet” en daar vervolgens aan toegevoegd: “Studenten die dit overkomt, kunnen een klacht bij mij indienen”.

8.8 Op deze vraag (en andere vragen over klager) had verweerder volgens het hof terughoudender en omzichtiger moeten reageren en telkens het duidelijke voorbehoud moeten maken dat hij niet beschikte over de informatie die in het artikel wordt genoemd (zoals e-mails verzonden vanuit het verhuurbemiddelingsbureau van klager) en dat hij zonder feitenkennis daarover geen uitspraken kon doen. Wilde verweerder daarover toch iets over voorlichten dan had hij dat in veel algemenere termen dienen te doen. Verweerder heeft dat niet gedaan en heeft zonder onderzoek een beschuldigende uitlating jegens klager gedaan. Het hof acht dat niet zorgvuldig. Op verweerder in zijn hoedanigheid van deken rust de verantwoordelijkheid om zijn positie in een interview duidelijk te markeren en geen inhoudelijke vragen over een advocaat binnen zijn arrondissement te beantwoorden zonder eerst zelf onderzoek te hebben gedaan en de betreffende advocaat in dat kader te hebben gesproken.

8.9 Het hof acht voorstelbaar dat verweerder zich tijdens het interview heeft laten verleiden tot antwoorden die hij achteraf niet of anders had willen doen. Verweerder heeft echter de gelegenheid gehad om zijn antwoorden alsnog te veralgemeniseren omdat hij het concept artikel toegezonden heeft gekregen door de journalisten. Verweerder heeft ook dat nagelaten terwijl verweerder bij lezing van het conceptartikel moet hebben beseft dat het artikel vrijwel geheel over klager ging en klager daarin met naam en toenaam werd genoemd. Daarbij betrof het een interview in een krant met regionale dekking.

Slotsom

8.10  Verweerder heeft niet gehandeld zoals van een zorgvuldig handelend deken verwacht mag worden. Dat raakt de kernwaarde integriteit. Ook het hof vindt dat de deken in het kader van zijn voorlichtende taak mag meewerken aan een krantenartikel maar hij moet zich dan wel tot die rol beperken. Naar het oordeel van het hof heeft verweerder dat niet uitsluitend gedaan in het bewuste krantenartikel. Met zijn beschuldigende uitlating “dat mag niet “ is verweerder feitelijk vooruitgelopen op de mogelijke uitkomsten van een nog plaats te vinden dekenonderzoek. Verder heeft verweerder nagelaten zich alsnog in algemene zin uit te drukken terwijl hij die mogelijkheid wel heeft gehad toen verweerder het conceptartikel kreeg toegestuurd.

8.11. Het hof is van oordeel dat verweerder in zijn hoedanigheid van deken aldus het vertrouwen in advocatuur heeft geschaad. Dit betekent dat het hof in zoverre de klacht gegrond zal verklaren. De beslissing van de raad zal in zoverre worden vernietigd. Dit brengt mee dat het hof zich moet uitlaten over een maatregel.

 

9 MAATREGEL

9.1 Verweerder heeft met zijn handelwijze het vertrouwen in de advocatuur geschaad en daarmee (indirect) ook het vertrouwen binnen de advocatuur in het functioneren van een deken. Een advocaat hoort ervan uit te kunnen gaan dat een deken met prudentie en professionele distantie de pers te woord staat als hij bevraagd wordt over een specifieke advocaat. Een deken moet wegblijven van concrete vragen over een advocaat als die vragen betrekking hebben op informatie die de deken niet bekend is en/of (nog) niet heeft onderzocht. Een deken hoort eerst onderzoek te doen en de betreffende advocaat daarover te bevragen. Dat is in dit geval niet gebeurd waardoor – zo is het hof ter zitting gebleken – het vertrouwen van klager in verweerder in zijn hoedanigheid van deken is beschadigd.

9.2 Dit oordeel van het hof is bedoeld om een duidelijk signaal af te geven dat door dekens zorgvuldigheid en terughoudendheid betracht dient te worden in contacten met de pers en andere (sociale) media. Gelet op de signaalfunctie van deze uitspraak ziet het hof geen aanleiding om naast het gegrond verklaren van de klacht nog een maatregel op te leggen.  

 

10 PROCESKOSTEN

Omdat het hof de klacht alsnog gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

 

11 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

11.1 vernietigt de beslissing van 12 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 24-801/AL/NN,

en doet opnieuw recht:

11.2 verklaart de klacht gegrond, zoals overwogen in r.o. 8.10-8.11, zonder oplegging van een maatregel.

11.3 bekrachtigt de beslissing voor het overige.

11.4 veroordeelt verweerder tot betaling van het griffier van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervoor is overwogen.

 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. D. Wachter en J.M. Louwrier, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.

 

griffier                                                                                     voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 23 maart 2026 .