Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

25-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:70

Zaaknummer

25-859/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen advocaat in een arbeidsrechtelijke kwestie. Verweerder heeft geprobeerd om klaagster de kwestie zelf op te laten lossen met haar werkgever. Klaagster heeft steeds ingestemd met die aanpak. Daarbij heeft verweerder haar voldoende begeleid. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline  in het ressort Den Haag van 25 maart 2026 in de zaak 25-859/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 15 december 2025 met kenmerk K125 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 18 februari 2026.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Verweerder heeft klaagster vanaf 22 februari 2024 bijgestaan in een arbeidsgeschil geschil met haar werkgever over de inname van klaagsters leaseauto vanwege haar ziekmelding. Klaagster is bij verweerder terecht gekomen via een verwijzing door haar rechtsbijstandsverzekering. 1.2    Op 27 februari 2024 hebben klaagster en verweerder elkaar tweemaal telefonisch gesproken. Verweerder heeft tweemaal een conceptmail opgesteld voor klaagster, die zij diezelfde dag aan haar werkgever heeft gestuurd. 1.3    Op 29 februari 2024 heeft de werkgever aan klaagster medegedeeld dat het leasecontract van haar auto werd opgezegd en dat de leaseauto op 1 maart 2024 zou worden opgehaald. Daarbij werd haar een vervangende auto aangeboden. Diezelfde dag hebben klaagster en verweerder elkaar hierover gesproken en heeft verweerder klaagster per e-mail geadviseerd om mee te werken aan inleveren/omruilen van de leaseauto, maar om niet akkoord te gaan met de aanvullende voorwaarden die er worden gesteld. Verweerder heeft voor klaagster wederom een conceptmail opgesteld, zodat zij deze aan haar werkgever kan sturen hetgeen klaagster heeft gedaan. De leaseauto is vervolgens op 1 maart 2024 ingeleverd. Klaagster heeft de vervangende auto niet aanvaard. 1.4    Op 4 maart 2024, 13 maart 2024, 15 maart 2024, 25 maart 2024 en 26 maart 2024 hebben klaagster en verweerder opnieuw contact gehad over onder meer de leaseauto, haar re-integratie en de uitbetaling van haar salaris. 1.5    Op 2 april 2024 verneemt verweerder van klaagster dat de klaagsters werkgever zijn bedrijf zou hebben verkocht aan een derde. Op 4 april 2024 heeft verweerder een conceptmail voorgelegd aan klaagster om te verzenden aan zowel de oude als nieuwe eigenaar/onderneming. Op 16 april 2024 heeft verweerder klaagster geadviseerd zelf een rappel te sturen, omdat op het bericht van 4 april 2026 geen reactie was gekomen. 1.6    Op 25 april 2024 heeft klaagster verweerder een aantal e-mails gestuurd, waarop door verweerder is gereageerd. Tussen verweerder en klaagster is daarna afgesproken dat verweerder de beide ondernemingen uit eigen naam zal gaan aanschrijven. Op 1 mei 2024 heeft verweerder zijn conceptbrieven voorgelegd aan klaagster. Nadat verweerder aan klaagster had aangegeven dat zij ook deze conceptbrieven uit haar eigen naam kon zenden, heeft verweerder op 2 mei 2024 op verzoek van klaagster zelf de brieven verzonden. 1.7    Op 1 en 8 mei 2024 heeft klaagster een gesprek gehad met de HR-manager van de onderneming van de nieuwe eigenaar. Op 13 mei 2024 hebben klaagster en verweerder afgesproken dat verweerder verder contact zou opnemen met de HR-manager. Dit is uiteindelijk gebeurd op 23 mei 2024, nadat verweerder en de HR-manager elkaars telefoontjes de dagen ervoor misliepen. In dit gesprek is gesproken over de leaseauto van klaagster en heeft de HR-manager toegezegd dit intern te bespreken en erop terug te komen. Verweerder heeft de inhoud van dit gesprek diezelfde dag aan klaagster bevestigd. Verweerder heeft vervolgens tussen 27 mei 2024 en 30 mei 2024 een aantal pogingen gedaan om de HR-manager opnieuw telefonisch te spreken. Verweerder heeft klaagster hierover per e-mail bericht. 1.8    Vervolgens heeft klaagster verweerder een vraag gesteld over het aan haar uitgekeerde vakantiegeld. Op 29 mei 2024 heeft verweerder gereageerd door te zeggen geen fiscalist te zijn en heeft hij klaagster geadviseerd hierover navraag kan doen bij haar rechtsbijstandsverzekeraar. 1.9    Op 4 juni 2024 heeft klaagster aan verweerder gemaild dat zij het overleg van verweerder met haar werkgever over de leaseauto te lang vond duren en een kort geding wil starten. Zij mailt dat zij daarbij een beroep wil doen op haar recht op vrije advocaatkeuze. Ook heeft klaagster verzocht aan verweerder om haar te vertellen welke actie hij heeft ondernomen met betrekking tot het niet ontvangen van haar eindejaarsuitkering. Hierbij merkt klaagster op dat er geen actie hoeft te worden ondernomen als er niets is gebeurd. Diezelfde dag heeft verweerder aan klaagster een e-mail gestuurd en hierin geschreven dat hij eerst een minnelijke oplossing wil verkennen voordat hij een procedure start. Over de eindejaarsuitkering heeft hij aangegeven dat hij daarover, zoals eerder aangegeven, navraag heeft gedaan bij haar werkgever. Verweerder heeft klaagster voorts gevraagd om verduidelijking met betrekking tot haar opmerking over haar recht op vrije advocaatkeuze. Indien zij een andere advocaat wil inschakelen, zal hij de zaak teruggeven aan de rechtsbijstandsverzekering. Klaagster heeft daarop dezelfde dag gereageerd en schrijft dat zij tot 14 juni 2024 op vakantie is en dat zij zich zal wenden tot de rechtsbijstandsverzekeraar als er bij haar terugkomst nog niets is bereikt met betrekking tot de leaseauto en de eindejaarsuitkering. 1.10    Verweerder heeft tot aan 14 juni 2024 tevergeefs contact gezocht met de (HR-manager van de) werkgever. Op 14 juni 2024 heeft verweerder de werkgever bericht dat hij uiterlijk binnen een week antwoord wil hebben over de leaseauto, bij gebreke waarvan hij zal overgaan tot het starten van een kort geding. 1.11    Op 20 juni 2024 hebben verweerder en de HR-manager elkaar gesproken. Klaagster en verweerder hebben de volgende dag e-mail contact gehad, waarbij klaagster aan verweerder te kennen geeft dat zij het allemaal te lang vindt duren en zij meent dat sprake is van ontwrichte communicatie tussen haar en verweerder. Zij vraagt aan verweerder om te wachten met het opstellen van de dagvaarding, omdat zij eerst in overleg wil treden met de rechtsbijstandsverzekeraar.  1.12    Op 25 juni 2024 heeft de HR-manager verweerder geprobeerd te bellen. Verweerder heeft klaagster daarop gevraagd of hij de HR-manager kon terugbellen om te vernemen of de werkgever iets wilde bieden. Dit is door klaagster goedgekeurd. De werkgever heeft aan verweerder voorgesteld om klaagster een bedrag van € 300,- aan mobiliteitsvergoeding te betalen zodat zij zelf een passende auto kan kiezen. Verweerder heeft dit voorstel voorgelegd aan klaagster. Klaagster heeft verweerder op 26 juni 2024 bericht dat zij een bedrag van € 738,91 per maand wil ontvangen. 1.13    Op 1 juli 2024 heeft verweerder aan klaagster gevraagd om elkaar telefonisch te spreken. Klaagster heeft daarop verzocht alles op de mail te zetten zodat zij er rustig naar kan kijken. 1.14    Op 4 juli 2024 heeft klaagster verweerder gemaild niets meer van hem te hebben vernomen en hem verzocht om te starten met de dagvaarding. Diezelfde dag heeft de rechtsbijstandsverzekeraar contact gezocht met verweerder met de vraag of een procedure noodzakelijk is en redelijke kans van slagen heeft. Verweerder heeft daarom op 5 juli 2024 contact gezocht met klaagster en gevraagd of hij het bericht van de verzekeraar zo moet begrijpen dat zij wil dat hij de zaak overdraagt naar een andere advocaat of dat zij toch wil dat hij een procedure voor haar start.  1.15    Klaagster mailt verweerder op 5 juli 2024 onder meer terug dat zij inderdaad een andere advocaat wenst. Verweerder heeft klaagster vervolgens op 8 juli 2024 geschreven dat hij wil weten of zij een voorkeursadvocaat wenst, hetgeen zal betekenen dat hij de zaak zal overdragen. Klaagster reageert hier dezelfde dag op en legt nogmaals uit waarom zij een andere advocaat wil. Op 8 juli 2024 heeft verweerder de rechtsbijstandsverzekeraar bericht dat klaagster wil dat hij het dossier overdraagt aan een opvolgend advocaat. Ook heeft hij de opvolgend advocaat bericht, waarbij hij deze heeft gevraagd op welke wijze zij het dossier wenst te ontvangen.  1.16    Op 16 juli 2024 heeft de opvolgend advocaat gereageerd, waarna verweerder aan klaagster heeft gevraagd of hij het dossier mag overdragen. Na reactie van klaagster heeft verweerder het dossier het dossier op 18 juli 2024 overgedragen. 1.17    Klaagster heeft in oktober 2024 een klacht ingediend bij de klachtenfunctionaris van verweerders kantoor en het kantoor aansprakelijk gesteld. De klachtenfunctionaris heeft de klacht en de aansprakelijkheid afgewezen.  1.18    Op 21 mei 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder onvoldoende proactief en adequaat te hebben gehandeld. 2.2    Klaagster heeft ter toelichting op haar klacht erop gewezen dat verweerder de communicatie steeds bij haar heeft neergelegd en in drie maanden tijd slechts één brief heeft verstuurd aan de werkgever. Verweerder heeft het tegenvoorstel niet besproken met de werkgever. Hoewel de situatie daar wel om vroeg, is verweerder geen kort geding gestart. Het spoedeisend belang is daardoor verloren gegaan. Ook heeft verweerder zich onvoldoende ingezet voor het behoud van klaagsters vakantiedagen, vakantiegeld en andere arbeidsvoorwaarden. Hierdoor heeft klaagster een langdurige, belastende en kostbare bodemprocedure moeten voeren met haar nieuwe advocaat en veel (gevolg)schade ondervonden. Verweerder heeft ook klaagsters beslissing om over te stappen naar deze nieuwe advocaat niet gerespecteerd. 2.3    De door klaagster in haar e-mail aan de raad op 18 februari 2026 genoemde aanvullende klachtonderdelen over de door verweerder opgestelde conceptbrief aan de verzekeraar vallen buiten de reikwijdte van de oorspronkelijk ingediende klacht. Hierop zal de voorzitter dan ook niet beslissen.

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Daarbij geldt als toetsingskader dat eerst sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Beoordeling 4.2    De voorzitter is van oordeel dat verweerder binnen de gegeven situatie heeft gehandeld zoals van een advocaat mag worden verwacht. Verweerder heeft in zijn verweer bij de deken uitgebreid toegelicht dat hij heeft geprobeerd om klaagster de kwestie zelf te laten lossen met de werkgever. Om die reden heeft hij klaagster geadviseerd zelf e-mails te sturen, maar heeft hij haar wel geholpen bij het opstellen van deze e-mails. Het stond verweerder vrij om deze strategie te kiezen. Het betrekken van een advocaat in een arbeidsconflict kan immers leiden tot escalatie, wat verweerder aanvankelijk wilde voorkomen. Dat hij klaagster dus aanvankelijk zelf e-mails liet versturen en pas in mei 2024 als haar advocaat een e-mail heeft verzonden aan de werkgever, past binnen vrijheid die verweerder heeft bij het behartigen van klaagsters belangen. Binnen diezelfde vrijheid past de keuze van verweerder om niet direct over te gaan tot het starten van een kort geding. Van advocaten wordt ook verwacht dat zij waar mogelijk proberen om een geschil onderling op te lossen. De voorzitter stelt vast dat klaagster met de aanpak van verweerder ook steeds heeft ingestemd. Op 4 juni 2024 verzoekt klaagster aan verweerder uitdrukkelijk om toch een kort geding te starten, omdat zij het allemaal te lang vindt duren. Vervolgens heeft verweerder, na overleg met en instemming van klaagster, nog een laatste poging gedaan om er met de werkgever uit te komen. Hier komt een voorstel uit van de werkgever, waar klaagster niet mee akkoord gaat. Dat verweerder vervolgens niet verder op het tegenvoorstel van klaagster ingaat en dit ook niet meer heeft voorgelegd aan de werkgever, kan hem niet worden verweten. Verweerder heeft gezegd er graag telefonisch over te willen overleggen met klaagster, maar klaagster wilde alleen via de e-mail communiceren. Enkele dagen later krijgt verweerder opnieuw bericht van klaagster dat zij wil dat hij een kort geding start. Diezelfde dag krijgt verweerder bericht van de rechtsbijstandsverzekeraar waaruit hij kan opmaken dat zij een andere advocaat wenst. Het is gelet op de wisselende berichten van klaagster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder geen verdere actie heeft ondernomen en eerst de bevestiging wilde dat klaagster inderdaad een andere advocaat wenste. Dat verweerder niet direct op het e-mailbericht van klaagster van 1 juli 2024 heeft gereageerd, is evenmin klachtwaardig. Het was daarbij duidelijk dat verweerder open stond voor telefonisch overleg teneinde met klaagster mee te denken. Klaagster wilde hier geen gebruik van maken. 4.3    Verweerder heeft ook verder door overlegging van alle e-mailcorrespondentie inzichtelijk gemaakt dat hij klaagster voldoende heeft begeleid in het geschil met de werkgever. Uit de hiervoor vastgestelde feiten blijkt dat hij vaak met klaagster heeft overlegd en haar steeds van advies heeft voorzien. Ook blijkt hieruit dat er op enig moment sprake was van overleg tussen de nieuwe HR-manager en klaagster zelf, hetgeen mogelijk tot een oplossing van het geschil zou kunnen leiden. Tot slot blijkt uit de feiten dat werkgever eind mei 2024 aan verweerder te kennen gaf intern de kwestie aangaande de leaseauto te zullen bespreken en hierop terug te komen. Het valt verweerder niet aan te rekenen dat de werkgever enigszins getalmd heeft alvorens met een voorstel te komen. Dat verweerder dit voorstel wilde afwachten, acht de voorzitter een begrijpelijke keuze. Bovendien heeft verweerder de werkgever een deadline gesteld en dit is steeds in overleg met klaagster gegaan. 4.4    Tot slot ziet de voorzitter geen grond voor de conclusie dat verweerder de overdracht van de zaak aan de nieuwe advocaat heeft dwarsgezeten. Nadat klaagster op 5 juli 2024 had gezegd een andere advocaat te wensen, heeft verweerder haar drie dagen later nogmaals diezelfde vraag gesteld. Uit dat enkele feit kan echter niet worden afgeleid dat verweerder klaagsters wens niet serieus nam of hierin anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Verweerder heeft, direct na de hierop volgende reactie van klaagster, de rechtsbijstandsverzekeraar en de opvolgend advocaat geïnformeerd over de wens van klaagster. Verweerder heeft vervolgens ook voldoende voortvarendheid betracht met betrekking tot de overdracht van het dossier. Conclusie 4.5    De voorzitter zal de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren. 

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.