Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:73
Zaaknummer
25-853/AL/MN
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. De kern van de klacht is of maatschapsovereenkomsten rechtsgeldig zijn aangepast en er daardoor een wijziging in de vertegenwoordigingsbevoegdheid is gekomen. Het is echter niet aan de tuchtrechter om dit te beoordelen, maar aan de civiele rechter. De stelling van klager dat verweerder gedragsregel 8 zou hebben geschonden (verstrekken van onjuiste informatie) is door hem niet geconcretiseerd, anders dan dat verweerder klakkeloos de hem door zijn cliënten verstrekte informatie voor waar zou hebben aangenomen. De raad overweegt dat advocaten veel vrijheid hebben om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Daarbij geldt dat zij er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zijn van hun cliënt hebben ontvangen juist is. Klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 23 maart 2026
in de zaak 25-853/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 26 juni 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 9 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2352970 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door verweerder op 22 december 2025 aan de raad toegezonden stukken en van de door klager op 5 januari 2026 aan de raad toegezonden stukken.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager is maat in meerdere maatschappen, die de raad hierna gemakshalve als A, B en C zal aanduiden.
2.2 De maten, met uitzondering van klager, en de maatschappen hebben op enig moment een conflict gekregen met de (vennootschappen) van de broer van klager.
2.3 De overige maten van de maatschappen B en C, niet dus klager, worden daarin bijgestaan door verweerder. Die maten hebben een procedure aanhangig gemaakt tegen de broer van klager en diens vennootschappen, die zijn gedagvaard tegen de rolzitting van 14 juni 2023.
2.4 Op grond van de maatschapsovereenkomsten kenden die maatschappen elk een bestuurs- en vertegenwoordigingsbevoegdheid van alle maten tezamen. Op 26 oktober 2023 is op een niet-periodieke maatschapsvergadering gestemd over een wijziging van de maatschapsovereenkomsten. Klager is bij deurwaardersexploten van 12 oktober 2023 opgeroepen om bij die vergadering (via Zoom) aanwezig te zijn. De wijziging betrof de gezamenlijke bestuurs- en vertegenwoordigingsbevoegheid, zodanig dat voortaan twee maten tezamen bestuurs – en vertegenwoordigingsbevoegd zijn. Deze wijziging is nadien verwerkt in het handelsregister.
2.5 Vervolgens hebben de maatschappen B en C een procedure aanhangig gemaakt tegen de broer van klager en diens vennootschappen, die zijn gedagvaard tegen de rolzitting van 28 februari 2024.
2.6 Een van de vennootschappen van de broer van klager heeft omstreeks 15 maart 2024 ten laste van de maten - met uitzondering van klager - van maatschap A conservatoir beslag laten leggen, welke beslagen na een vonnis in kort-geding weer zijn opgeheven. Een van de vennootschappen van de broer van klager heeft vervolgens een bodemprocedure aanhangig gemaakt. Verweerder staat in dat geschil de maten – met uitzondering van klager – in maatschap A bij.
2.7 Nadien is er meerdere malen gecorrespondeerd tussen klager en verweerder. Klager stelt zich daar op het standpunt dat verweerder namens de maatschappen procedeert zonder toestemming van klager. Volgens klager is verweerder onbevoegd de maatschappen te vertegenwoordigen.
2.8 Op 26 juni 2024 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) in strijd met de maatschapsovereenkomst de belangen te behartigen van de overige leden van de maatschap;
b) in strijd te handelen met gedragsregel 8.
toelichting: Klager stelt dat verweerder een aantal maatschappen, waar klager deel van uitmaakt, vertegenwoordigt. Verweerder wordt verweten dat hij de maatschappen vertegenwoordigt zonder klager om toestemming, informatie of wensen te hebben gevraagd. De maatschapsovereenkomsten zijn volgens klager niet rechtsgeldig aangepast en dus is er geen wijziging in de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de maatschappen gekomen. Klager heeft een klacht ingediend bij verweerder dat verweerder niet namens klager handelt en hij heeft erop gewezen dat dit in strijd is met de maatschapsovereenkomst. Klager is niet gekend in het feit dat de maatschappen procedures voeren. In de procedures worden alle maten, behoudens klager, als eiser vermeld. In procedures tegen derden worden leugenachtige verklaringen tegen klager gebruikt die hem mogelijk persoonlijk beschadigen. De overige maten proberen klager overal buiten te houden, omdat zij een conflict hebben met de broer van klager. Er wordt geprobeerd om buiten klager om beslissingen te nemen, terwijl eventuele financiële gevolgen daarvan ook voor zijn risico komen. Klager heeft in een eerder stadium aangegeven dat hij de maatschap wil verlaten.
3.2 In zijn stukken van 5 januari 2026 heeft klager een nieuw(e) klacht(onderdeel) opgeworpen, namelijk dat verweerder strijd heeft gehandeld met gedragsregel 15. Dit klachtonderdeel heeft klager voor het eerst in die stukken aan de raad opgeworpen. Klager had dit echter in de klachtprocedure bij de deken moeten aanvoeren en is hiermee nu te laat. Dit klachtonderdeel zal de raad daarom niet beoordelen.
3.3 Klager heeft zijn klacht op de mondelinge behandeling nader toegelicht.
4 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.2 In de onderliggende zaak heeft klager als maat een geschil met de andere maten. Die maten worden daarin bijgestaan door verweerder en daarmee is deze zaak een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a): in strijd met de maatschapsovereenkomst de belangen van de overige leden van de maatschap behartigen
5.3 De kern van de klacht/dit klachtonderdeel van klager is dat de maatschapsovereenkomsten volgens hem niet rechtsgeldig zijn aangepast en er dus geen wijziging in de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de maatschappen is gekomen. Verweerder kan volgens hem daarom niet enkel de overige maten, dan wel de maatschappen B en C bijstaan. Verweerder is van mening dat er wel een rechtsgeldige wijziging is geweest en dat het hem daarom vrij staat de overige maten en maatschappen B en C bij te staan.
5.4 Of de maatschapsovereenkomsten al dan niet rechtsgeldig zijn aangepast en of er al dan niet een wijziging is de vertegenwoordigingsbevoegdheid is gekomen is niet aan de tuchtrechter om te beoordelen. Verweerder heeft uitvoerig betoogd op welke punten de overeenkomsten zijn aangepast. In een civiele procedure tussen de vennootschappen van de broer en de maatschappen wordt hierover al geprocedeerd en is geoordeeld dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn aangepast. Dit is een juridisch inhoudelijk vraagstuk en het is niet aan de tuchtrechter om daarover (nogmaals) inhoudelijk te oordelen, dat is aan de civiele rechter. Dit klachtonderdeel zal de raad reeds daarom ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel b): in strijd handelen met gedragsregel 8
5.5 Gedragsregel 8 houdt in dat een advocaat zich zowel in als buiten rechte dient te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten dat die onjuist is.
5.6 Hoewel klager stelt dat er leugenachtige verklaringen tegen hem worden gebruikt die hem mogelijk persoonlijk beschadigen, concretiseert hij dat niet. Verweerder heeft dit in zijn verweer ook al geconstateerd en aangegeven dat het voor hem dan ook niet mogelijk is om daar verweer op te voeren. Ook naar aanleiding daarvan heeft klager niet alsnog duidelijk gemaakt over welke volgens hem leugenachtige verklaringen het hier concreet gaat, anders dan dat hij stelt dat verweerder klakkeloos de hem door zijn cliënten verstrekte informatie voor waar heeft aangenomen. De raad wijst ten aanzien van dat laatste op het hiervoor onder 5.2 vermelde. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. In hetgeen klager op dit punt heeft aangevoerd ziet de raad niet dat verweerder de grenzen van die vrijheid te buiten is gegaan en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld. Dit klachtonderdeel zal de raad ook ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in al zijn klachtonderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mr. E.H.M. Harbers en mr. G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
