Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:82

Zaaknummer

240196

Inhoudsindicatie

Klacht over de advocaat van de wederpartij. Het hof bekrachtigt het oordeel van de raad dat verweerder zich in een krantenartikel onnodig grievend heeft uitgelaten over klager, die op dat moment een publieke functie bekleedde, zonder dat dit enig redelijk doel diende en waarmee de belangen van klager onnodig zijn geschaad. Verweerder heeft hiermee in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. Hoewel het beroep van klager tegen een ander klachtonderdeel slaagt, legt ook het hof de maatregel van berisping op. Het laakbare gedrag van verweerder acht het hof daartoe zelfstandig dragend.

Uitspraak

Beslissing van 23 maart 2026

in de zaak 240196

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

verweerder

gemachtigde: mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht

 

tegen:

 

klager

gemachtigde: mr. J.G.J. Elso, advocaat te Utrecht

 

1 INLEIDING

1.1 Klacht over de advocaat van de wederpartij. Het hof bekrachtigt het oordeel van de raad dat verweerder zich in een krantenartikel onnodig grievend heeft uitgelaten over klager, die op dat moment een publieke functie bekleedde, zonder dat dit enig redelijk doel diende en waarmee de belangen van klager onnodig zijn geschaad. Verweerder heeft hiermee in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. Hoewel het beroep van klager tegen een ander klachtonderdeel slaagt, legt ook het hof de maatregel van berisping op. Het laakbare gedrag van verweerder acht het hof daartoe zelfstandig dragend.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 23-748/AL/MN) een beslissing gewezen op 3 juni 2024. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen a) en c) – voor zover het gaat om het bewust verstrekken van feitelijk onjuiste informatie aan de pers – en d) ongegrond verklaard. De klachtonderdelen b) en c) – voor zover het gaat om het door verweerder bewust verstrekken van feitelijk onjuiste informatie aan het gerechtshof – zijn gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van berisping  opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:149 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 2 juli 2024 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

- de stukken van de raad;

- het verweerschrift van klager.

2.5  Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 26 januari 2026. Daar zijn klager en verweerder met ieders gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

In het civiele schadevergoedingsgeschil

 3.1 Op [datum] is een artikel in  [naam krant]  verschenen met de kop: “ Burgemeester [klager] onder vuur”. Daarin staat dat processtukken zijn ingezien waaruit volgt dat de cliënten van verweerder een vordering van vijf miljoen euro uit onrechtmatige daad op klager (en de gemeente) hebben. Verder staat daarin dat de dagvaarding op 26 november 2019 aan klager is betekend. In het artikel staat verder nog:

“De burgemeester gaf de familie de keuze om door te gaan met de woon-zorgontwikkeling of aan hem te verkopen. Hij realiseerde zich heel goed dat verkoop aan hem voor de familie betekende dat de zorgplannen niet konden doorgaan”, schrijft [verweerder], advocaat van de familie in de dagvaarding. [Verweerder] noemt de dubbelrol van de burgemeester "buitengewoon dubieus". De woningen op het perceel moeten nu op last van de gemeente worden gesloopt en de bouwplannen liggen in de prullenbak.”

3.2 Op verzoek van de cliënten van verweerder is de dagvaarding op 28 november 2019 aan klager (en de gemeente) betekend. Klager is hierin bijgestaan door zijn gemachtigde.

3.3 Bij vonnis van 5 februari 2020 heeft de rechtbank Midden-Nederland (hierna verder: de rechtbank) klager (en de gemeente) ontslagen van instantie omdat eisers het griffierecht niet tijdig hadden betaald.

3.4 Op 28 februari 2020 hebben de cliënten van verweerder klager (en zijn gemeente) opnieuw (met een gelijkluidende dagvaarding) gedagvaard. Als productie 34 is een e-mail van klager aan de familie van 26 februari 2016 overgelegd.

3.5 Bij vonnis van 10 maart 2021 heeft de rechtbank de vorderingen van de cliënten van verweerder afgewezen omdat onrechtmatig handelen door klager (of de gemeente) niet was komen vast te staan. Ook heeft de rechtbank daarin overwogen:

[5.4] “[Eiser c.s.] is ervan overtuigd dat de gemeente het handhavingstraject op instigatie van [klager] is gestart om ervoor te zorgen dat het project geen doorgang kon vinden en [de familie] in financiële nood zouden komen, waardoor [klager] de woning (…) voor een lage prijs zou kunnen kopen. Dat dit zo is gegaan blijkt echter nergens uit. Uit de e-mail van [klager] van 29 februari 2016 [de raad begrijpt: 26 februari 2016] aan [de familie] waarin hij aangaf interesse te hebben om de woning te kopen, kan niet worden afgeleid dat hij [de familie] op enige manier onder druk heeft willen zetten de woning (te) goedkoop van de hand te doen. Hij is daarna ook vrij snel op zoek gegaan naar een andere woning. Verder is niet gebleken dat [klager] betrokken is geweest bij het besluit tot handhaving. Hij stelt dat hij de collegevergadering bij de bespreking van dit agendapunt heeft verlaten en de rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze stelling te twijfelen. Ook is niet gebleken dat [klager] als privépersoon misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden als burgemeester dan wel op een andere manier onrechtmatig jegens [eiser c.s.] heeft gehandeld. Daarvoor is door [eiser c.s.] onvoldoende gesteld”.

Verweerder heeft hiertegen namens zijn cliënten hoger beroep ingesteld.

3.6 Bij arrest van 17 januari 2023 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank van 10 maart 2021 bekrachtigd.

In het huurgeschil (de afwikkeling van de huur):

3.7 Tussen het familielid en klager zijn procedures in een huurkwestie gevoerd. In hoger beroep heeft daarin op 2 november 2021 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal volgt onder meer dat verweerder namens het familielid heeft verklaard:

“[Cliënt] heeft aangegeven een zorgcomplex te willen ontwikkelen bij de woning. De bank was hier coulant in. Men zag muziek in het idee van [cliënt]. Tussendoor ging [klager] wonen op het perceel waar dat complex zou komen. Daar is onmin bij [cliënt] ontstaan. Er is gehandhaafd en dat is bestuursrechtelijk een ingewikkeld verhaal. De gemeente is jarenlang meegegaan met [cliënt]. Daarbij heeft de gemeente toezeggingen gedaan en op een gegeven moment is er namens het college van burgemeester en wethouders gehandhaafd. Dat is allemaal gebeurd nadat de overeenkomst is beëindigd tussen [klager] en [cliënt]. [Cliënt] ging daarna failliet en heeft schade opgelopen.”

Daarop heeft de gemachtigde namens klager als volgt gereageerd:

“Er loopt een andere procedure bij dit hof, met enkele vastgoed bedrijven van [de familie]. Het oordeel van de rechter dat de burgemeester op geen enkele wijze misbruik heeft gemaakt van zijn positie, is keihard. De illegale woning werd aangehouden door [de familie]. Uiteindelijk heeft de gemeente handhavend opgetreden. (…)”

 

4 KLACHT

 

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

(…)

b) zich onnodig grievend over klager uit te laten.

Toelichting:  Verweerder heeft aan de journalist van [naam krant] meegedeeld dat de dubbelrol van klager “buitengewoon dubieus” is. Klager wijst op zijn e-mail van 26 februari 2016 aan de cliënten van verweerder waaruit volgens hem niet blijkt van enige druk of dubieus handelen van zijn kant. Verweerder was op de hoogte van deze e-mail, die hij zelf als productie 34 bij de dagvaarding had gevoegd. Klager heeft deze e-mail verzonden nadat de gemeente tot handhaving overging in oktober 2015. Van enig verband tussen de handhaving door de gemeente en de wens van klager om (een deel van) het perceel van de familie te kopen, is geen sprake.

c) zich uit te laten in strijd met de feiten.

Toelichting:  Klager heeft in strijd met de waarheid de in 3.1 genoemde uitlatingen richting de pers gedaan, terwijl hij wist dan wel moest weten dat die onjuist waren. Hetgeen verweerder daarna tijdens de mondelinge behandeling bij het gerechtshof op 2 november 2021 - in het huurgeschil - heeft betoogd was in strijd met de hem bekende waarheid en daarmee heeft verweerder het gerechtshof misleid. Verweerder was toen immers bekend met de uitspraak van de rechtbank van 10 maart 2021 en daarnaast op de hoogte van de e-mail van 26 februari 2016 van klager aan de familie;

(…)

 

5 BEOORDELING RAAD

Ten aanzien van klachtonderdeel b) onnodig grievende uitlatingen?  

5.1 De raad heeft klachtonderdeel b) gegrond verklaard. Verweerder heeft niet ontkend de gewraakte uitlatingen richting de krant te hebben gedaan. De raad heeft geoordeeld dat verweerder daarmee de belangen van klager nodeloos (het was niet functioneel maar juist escalerend) en onevenredig (verweerder had minder stellige en andere bewoordingen kunnen gebruiken) heeft geschaad. Verweerder heeft daarmee de hem toekomende vrijheid overschreden. Juist omdat klager als burgemeester een publiek ambt bekleedt en gelet op het feit dat de krant landelijk bereik heeft, had verweerder meer terughoudendheid moeten betrachten. Verweerder heeft daardoor niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt.

Ten aanzien van klachtonderdeel c)  uitlatingen in strijd met de waarheid?

5.2 De raad heeft klachtonderdeel c), voor zover het gaat over het bewust verstrekken van feitelijk onjuiste informatie aan het gerechtshof tijdens de mondelinge behandeling op 2 november 2021 (randnummer 3.7) in  een samenhangende zaak tussen vrijwel dezelfde partijen in het civiele geschil, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond. Verweerder was op 2 november 2021 bekend met het vonnis van de rechtbank van 10 maart 2021. De rechtbank had daarin overwogen, onder verwijzing naar de e-mail van klager van 26 februari 2016 aan de cliënt van verweerder, dat daaruit niet kon worden afgeleid dat klager zijn ambt als burgemeester op enigerlei wijze had misbruikt richting de cliënten van verweerder. Daarnaast was verweerder toen ook op de hoogte van de voor niet meer dan één uitleg vatbare inhoud van de e-mail van klager aan zijn cliënten van 26 februari 2016. Verweerder had die e-mails immers als productie 34 bij de dagvaarding in een andere civiele kwestie overgelegd. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder welbewust onjuiste informatie aan het gerechtshof verstrekt met de intentie om klager in een kwaad daglicht te plaatsen en het gerechtshof te misleiden. Daarmee heeft verweerder de kernwaarde integriteit geschonden en tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.  

5.3  De raad heeft de maatregel van berisping aan verweerder opgelegd. 

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1 Verweerder heeft – samengevat – in beroep het navolgende aangevoerd.

1) Ten onrechte heeft de raad klachtonderdeel b gegrond verklaard

6.2  Verweerder betwist dat de woorden “buitengewoon dubieus” als onnodig grievend kunnen worden aangemerkt. De raad onderbouwt volgens verweerder niet waarom de gebezigde woorden als grievend, dan wel onnodig grievend worden beschouwd. De term dubieus betekent volgens verweerder discutabel/twijfelachtig. Die mededeling was volgens verweerder functioneel en niet escalerend. Verweerder meent dat hij zich scherp maar voldoende gepast heeft uitgelaten en dat voor deze scherpe uitlating namens zijn cliënt voldoende steun in de feiten bestond. Er was volgens zijn cliënt sprake van een maatschappelijke misstand (burgemeester die zijn positie zou hebben gebruikt in een privékwestie) en ook het gerechtshof heeft overwogen dat het optreden van klager “in de gegeven omstandigheden niet handig was”.  De raad heeft dit volledig buiten beschouwing gelaten. Verder is een burgemeester volgens verweerder een zgn. ‘public figure” en dient zich daardoor meer te laten welgevallen.

2) Ten onrechte heeft de raad klachtonderdeel c deels gegrond verklaard

6.3 Verweerder betwist het oordeel van de raad dat hij – in de huurzaak – tijdens de comparitie van partijen op 2 november 2021 bij het gerechtshof bewust onjuiste feitelijke informatie heeft verstrekt  en het gerechtshof heeft misleid. Het citaat (zie randnummer 3.7 van deze beslissing) ziet op de gemeente en niet op klager. Het betreffende citaat was het antwoord van verweerder op een vraag van de rechter.

6.4 De raad heeft volgens verweerder bij zijn oordeel dat verweerder wist dat zijn uitlatingen onjuist waren ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 10 maart 2021 omdat die uitspraak nog niet onherroepelijk was. Verweerder ventileerde bij het doen van de uitlating het partijstandpunt van zijn cliënt in de schadevergoedingszaak. Volgens verweerder heeft hij niet de kernwaarde integriteit geschonden.

3) de raad heeft ten onrechte een berisping opgelegd

6.5  In het geval van een tuchtrechtelijk vergrijp meent verweerder dat een berisping een te zware tuchtrechtelijke maatregel is. De gedane uitlatingen zien op de feiten die zijn cliënt stelde en zijn, indien te scherp, begrijpelijk in het kader van de gevoerde procedure en discussie. Wat betreft zijn houding ter zitting bij de raad meent verweerder dat hij zich voldoende waardig en terughoudend heeft opgesteld. Zijn verweer bij de raad was niet zodanig dat verweerder geen inzicht in zijn eigen handelen heeft. Verweerder heeft bij het gerechtshof geen onjuiste mededelingen gedaan en daarmee niet de kernwaarde integriteit geschonden. Voor zover het hof mocht vinden dat de gedane uitlatingen onjuist zijn, heeft verweerder dat niet opzettelijk gedaan. In dat geval kan volgens verweerder worden volstaan met een waarschuwing.

Verweer klager

6.6 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep en het hof verzocht op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet de door de raad onbewezen geachte feiten te onderzoeken. Waar dat relevant is, bespreekt het hof het verweer van klager bij de beoordeling van het beroep.

 

7 BEOORDELING HOF

Ten aanzien van het beroep op artikel 57 lid 4 Advocatenwet

7.1 Klager heeft onder verwijzing naar artikel 57 lid 4 Advocatenwet het hof verzocht de door de raad ongegrond verklaarde klachtonderdelen zelfstandig te onderzoeken. Klager heeft gesteld dat het beroep niet wordt afgebakend door de gronden, dat zijn verzoek niet bedoeld is om incidenteel appel in te stellen maar dat het hof de beslissing van de raad in volle omvang moet toetsen. Het hof ziet geen aanleiding om de beslissing van de raad in volle omvang (dus ook de ongegrond verklaarde klachtonderdelen waartegen geen beroep is ingesteld) te toetsen en licht dit als volgt toe.

7.2 Het hof wijst erop dat artikel 57 lid 4 Advocatenwet destijds (in 1968) in de wet is opgenomen toen enkel nog beroep voor de betrokken advocaat en de algemeen deken openstond. Om te voorkomen dat een deken ook steeds in beroep moest gaan als een advocaat tegen bepaalde onderdelen van de beslissing geen beroep instelde, kon zo toch de beslissing van de raad in volle omvang aan het hof worden onderworpen.  

7.3  Het artikellid heeft aanzienlijk aan belang ingeboet sinds bij de wijziging van de Advocatenwet in 1986 (Stb. 1986, 8,16094) in artikel 56 lid 1 onder a Advocatenwet is opgenomen dat ook klager beroep kan instellen voor zover klachtonderdelen ongegrond zijn verklaard. De omvang van het beroep wordt hierdoor bepaald door klager en verweerder wat aansluit bij het beginsel dat de klacht, zoals voorgelegd aan de raad van discipline en voor zover daartegen beroep is ingesteld, uitgangspunt is voor de behandeling in beroep. Daarmee is de procedure in beroep ook voorspelbaar voor partijen en worden verrassingsbeslissingen voorkomen. Om deze redenen ligt er - in beginsel - voor het hof geen taak meer om op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet in beroep zelfstandig onderzoek te doen naar klachtonderdelen die door de raad van discipline ongegrond zijn verklaard en waartegen (door partijen) geen beroep is ingesteld. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal het hof daar gebruik van maken. Onderhavige zaak is niet een dergelijk uitzonderlijk geval.

7.4  Het hof zal artikel 57 lid 4 Advocatenwet dan ook niet toepassen en de klachtonderdelen a) (het lekken van een dagvaarding aan [naam krant] voordat deze aan klager was betekend), c) voor zover het gaat om het bewust verstrekken van feitelijk onjuiste informatie aan de pers en d) (het schenden van de belangen van klager zonder redelijk doel) buiten behandeling laten.

Maatstaf

7.5 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Ten aanzien van klachtonderdeel b) onnodig grievende uitlatingen?

7.6  Dit klachtonderdeel betreft de uitlatingen van verweerder in een krantenartikel zoals opgenomen in randnummer 3.1 van deze beslissing.

7.7  Evenals de raad is ook het hof van oordeel dat de gedane uitlatingen van verweerder in het krantenartikel tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. Het hof is van oordeel dat de woorden ‘buitengewoon dubieus’ niet kleurloos gelezen kunnen worden, zoals door verweerder aangevoerd. Deze woorden hebben in het algemeen taalgebruik een negatieve en louche bijklank. Gelet op de landelijke dekking van de krant waarin het artikel verscheen, het publieke ambt van klager (burgemeester) en de context waarin het werd gebruikt (dubbelrol) had verweerder zich in meer neutrale bewoordingen behoren uit te laten over klager (zoals bijvoorbeeld het gerechtshof had gedaan). Het was niet functioneel om zich zo, zonder nuance, als een eigen oordeel negatief uit te laten in de krant als is gedaan. Het beroep tegen klachtonderdeel b) slaagt niet.

Ten aanzien van klachtonderdeel c) uitlatingen in strijd met de waarheid?

7.8 Tussen de cliënte(n) van verweerder en klager waren twee civielrechtelijke procedures gaande, namelijk een huurgeschil over de afwikkeling van de huurovereenkomst en een schadevergoedingsprocedure (waarin ook de gemeente waarvan klager burgemeester was, mede gedagvaard was). In het huurgeschil heeft op 2 november 2021 een comparitie van partijen plaatsgevonden bij het gerechtshof. Tijdens die zitting is door een van de raadsheren aan verweerder een vraag gesteld over het faillissement van de onderneming van de cliënt van verweerder. Daarop heeft verweerder het antwoord gegeven zoals bij randnummer 3.7 in deze beslissing is opgenomen. 

7.9 Hieruit volgt dat verweerder niet zelf het initiatief heeft genomen om aan te geven hoe in de visie van zijn cliënt het faillissement is ontstaan. Verweerder heeft dit gedaan in antwoord op een informatieve vraag van één van de raadsheren. Dat tijdens een comparitie van partijen vragen met een bredere strekking worden gesteld en kunnen raken aan (een) andere lopende procedure(s), is niet ongebruikelijk. Uit het proces-verbaal volgt verder dat de advocaat van klager heeft gereageerd op het antwoord van verweerder en – kort gezegd – het standpunt van de cliënte(n) van verweerder heeft weersproken.

7.10 Nu het hoger beroep in de schadevergoedingsprocedure nog aanhangig was, lag er nog geen onherroepelijk rechterlijk oordeel en stond het verweerder en de advocaat van klager vrij om tijdens de comparitie van partijen in het huurgeschil de eigen standpunten uit de schadevergoedingsprocedure te benoemen. In tegenstelling tot de raad is het hof dan ook van oordeel dat verweerder niet welbewust onjuiste informatie aan het gerechtshof heeft verstrekt met de intentie om klager in een kwaad daglicht te plaatsen en het gerechtshof te misleiden. Het hof verstaat de gedane uitlating van verweerder (en de reactie daarop van de advocaat van klager) als onderdeel van het partijdebat tijdens de mondelinge behandeling bij het gerechtshof. Dit betekent dat het beroep van verweerder tegen het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel c) slaagt.

Klachtonderdeel c) voor zover het ziet op het bewust verstrekken van onjuiste informatie aan het gerechtshof, zal ongegrond worden verklaard.

Slotsom

7.11 Uit het voorgaande volgt dat het beroep van verweerder tegen klachtonderdeel b) niet en tegen klachtonderdeel c) wel slaagt. Nu de klacht gedeeltelijk gegrond blijft zal het hof zich uitlaten over de maatregel.

 

8 MAATREGEL

Verweerder heeft met zijn uitlatingen in het krantenartikel bewust de grens van het toelaatbare opgezocht en die grens overschreden. Verweerder heeft met zijn handelwijze onnodig de belangen van klager geschaad zonder dat dit enig redelijk doel diende. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met de in deze procedure toepasselijke maatstaf en met de kernwaarde integriteit hetgeen het hof laakbaar acht. Bij dat laakbare gedrag hoort een berisping. Dat klachtonderdeel c) voor zover het gegrond was verklaard door de raad in beroep ongegrond wordt verklaard leidt niet tot een andere (lichtere) maatregel. In zoverre slaagt het beroep van klager niet.

 

9 PROCESKOSTEN

 

 9.1 Omdat het hof de door de raad opgelegde maatregel bekrachtigt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                 

a) € 50,- kosten  van klager (forfaitair);

b) € 1.050,- kosten voor rechtsbijstand van klager;

c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

d) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1100,-- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn/haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

 

10 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

 

10.1 vernietigt de beslissing van 3 juni 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (gewezen onder nummer 23-748/AL/MN) voor zover klachtonderdeel c gedeeltelijk gegrond is verklaard,

en doet opnieuw recht:

10.2 verklaart klachtonderdeel c) voor zover het gaat over het bewust verstrekken van feitelijk onjuiste informatie aan het gerechtshof, ongegrond;

10.3  bekrachtigt de beslissing van 3 juni 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 23-748/AL/MN, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

10.4 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,-- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervoor bepaald;

10.5 veroordeelt verweerder  tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervoor bepaald.

 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. D. Wachter en J.M. Louwrier, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.

 

 

griffier                                                                                     voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 23 maart 2026 .