Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:72
Zaaknummer
25-844/AL/MN
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Een advocaat dient zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Een advocaat dient zijn cliënt genoegzaam en tijdig te informeren, te waarschuwen, en duidelijkheid te scheppen omtrent de kansen en risico’s en de kosten van zijn optreden. Dit alles dient de advocaat schriftelijk aan de cliënt te bevestigen, ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil. Daar is het in deze zaak mis gegaan. In de wandeling van de rechtbank naar het kantoor van verweerder is weliswaar gesproken over hoger beroep, maar klager heeft daaruit begrepen dat hoger beroep niet mogelijk was terwijl de jurist werkzaam bij het kantoor van verweerder volgens zijn verklaring heeft gezegd dat hoger beroep zinloos zou zijn. Daaruit blijkt dus al de noodzaak van het schriftelijk vastleggen van afspraken. Na de zitting bij de kantonrechter heeft geen schriftelijke vastlegging plaatsgevonden van de mogelijkheid van hoger beroep, de kansen en risico’s van een hoger beroep, de termijn waarbinnen dat hoger beroep moet worden ingesteld en wat tussen klager en verweerder hierover is afgesproken. Bij die stand van zaken komt de raad tot de conclusie dat verweerder in zijn informatieplicht tekort is geschoten en hem dat tuchtrechtelijk kan worden aangerekend. Klacht gegrond. Maatregel: waarschuwing.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 23 maart 2026
in de zaak 25-844/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
gemachtigde: mr. S.J. van der Woude
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 9 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 5 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2441141 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. S.J. van der Woude. Ook mr. E.P. de Jong was aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door verweerder op 26 januari 2026 toegezonden stukken.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager werd in een civiele procedure bijgestaan door een jurist van het kantoor van verweerder. Er is geen afzonderlijke opdrachtbevestiging opgesteld; de werkzaamheden werden uitgevoerd na een eerdere opdrachtbevestiging. Daarin was sprake van eenzelfde manier van werken, namelijk de feitelijke werkzaam laten uitvoeren door een jurist onder verantwoording van verweerder.
2.2 Op 17 juli 2024 heeft de kantonrechter vonnis gewezen in die civiele procedure en daarin klager veroordeeld om aan de wederpartij een bepaald bedrag te betalen. Ook werd klager in de proceskosten van de wederpartij veroordeeld.
2.3 Bij een brief van 25 juli 2024 heeft de jurist aan klager doen toekomen een schrijven van de gerechtsdeurwaarder waarin klager gesommeerd wordt om op grond van het vonnis een bepaald bedrag te betalen binnen veertien dagen. In de brief schrijft de jurist onder meer: ‘Mocht u hoger beroep instellen dan schort dat de betalingsverplichting niet op’.
2.4 Bij exploot van 11 november 2024 heeft klager van een deurwaarder een bevel tot betaling van het verschuldigde bedrag ontvangen.
2.5 Op 4 december 2024 heeft klager bij verweerder op grond van het klachtenreglement van het kantoor van verweerder een klacht ingediend over het functioneren van de jurist, meer in het bijzonder dat er traag is gereageerd en er geen hoger beroep is ingesteld in reactie waarop verweerder geen aansprakelijkheid heeft erkend.
2.6 Op 9 januari 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) niet tijdig hoger beroep te hebben ingesteld tegen een gerechtelijke uitspraak;
b) klager niet op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, althans klager onjuist te hebben geïnformeerd.
toelichting: De jurist heeft verzuimd hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis, ondanks zijn besluit na afloop van de zitting en vervolgens heeft de jurist klager onjuist geïnformeerd. Ondanks de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen gaf de jurist aan dat het vonnis onherroepelijk was. De stelling van verweerder dat klager is gezegd met verweerder op te nemen indien hij in hoger beroep wilde gaan betwist klager. De jurist had na de zitting juist aangegeven de wederpartij ingebreke te zullen stellen om zodoende een beroepszaak aan te kunnen gaan. Toen klager op een gegeven moment met de jurist contact had opgenomen omdat hij nog niets over die ingebrekestelling had vernomen gaf de jurist aan dat hoger beroep niet meer mogelijk was, omdat de uitspraak onherroepelijk was. Er is geen sprake van een tevoren besproken processtrategie.
3.2 Op de mondelinge behandeling heeft klager zijn klacht nader toegelicht en vragen van de raad beantwoord.
4 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Een advocaat voert de aan hem gegeven opdracht persoonlijk uit. De advocaat mag in overleg met zijn cliënt van dit uitgangspunt afwijken en mag zijn medewerkers die geen advocaat zijn - onder voorwaarden – zelfstandig zaken laten behandelen. De advocaat blijft tegenover zijn cliënt echter voor de uitvoering van de opdracht verantwoordelijk. In de onderhavige zaak is de zaak grotendeels behandeld door een jurist verbonden aan het kantoor van verweerder-advocaat. In de onderhavige zaak is niet in geschil dat de werkzaamheden grotendeels werden uitgevoerd niet door verweerder zelf, maar door een aan zijn kantoor verbonden jurist (hierna verder te noemen: de jurist).
5.2 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.3 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
De gang van zaken
5.4 De raad kan de beide klachtonderdelen niet anders dan gezamenlijk en in onderlinge samenhang als één klacht beoordelen. Volgens klager is hij immers niet, dan wel onvolledig en/of onjuist geïnformeerd over de mogelijkheid van hoger beroep, als gevolg waarvan de beroepstermijn is verlopen zonder dat hoger beroep is ingesteld.
5.5 Om te beoordelen of hiervan sprake is heeft de raad met de verschenen personen onder meer de feitelijke gang van zaken besproken vanaf het moment dat de zitting bij de kantonrechter was geëindigd. Daaruit is het volgende naar voren gekomen.
5.6 Tijdens de zitting bij de kantonrechter werd klager bijgestaan door de jurist. Die zitting verliep niet in het voordeel van klager. De jurist verklaarde hierover dat hen op de zitting flink de oren werd gewassen door de kantonrechter. Voor de jurist was dan ook wel duidelijk hoe het oordeel van de kantonrechter zou uitvallen. Na de zitting hebben klager en de jurist nog even nagepraat over de zitting voor het gerechtsgebouw en zijn ze teruggelopen naar het kantoor van verweerder. In dat gesprek heeft de jurist voorgesteld om alsnog tot een ingebrekestelling van de wederpartij over te gaan en tot een buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst tussen klager en zijn wederpartij. De jurist stelt in dat gesprek ook te hebben aangegeven dat hoger beroep geen zin zou hebben. Klager betwist dat echter. Hij stelt dat de jurist heeft gezegd dat het niet mogelijk was om in hoger beroep te gaan. Enige tijd later is er telefonisch contact geweest tussen klager en de jurist over een nieuwe zaak betreffende een brandschade en volgens de jurist toen ook over de mogelijkheid van hoger beroep in de andere zaak gesproken. De jurist heeft klager geadviseerd met verweerder contact op te nemen. Er is daarna een gesprek geweest tussen klager en verweerder en bij dat gesprek is ook de jurist aangeschoven. Volgens klager is daar enkel gesproken over de brandschade, volgens de jurist ook over de zinloosheid van het instellen van hoger beroep. Verweerder kon zich de inhoud en ook de setting van dat gesprek niet echt meer herinneren.
5.7 Het kantoor van verweerder maakt gebruikt van een digitaal portaal waarin stukken die betrekking hebben op de zaak van cliënt, worden gedeeld met de cliënt (een online dossier). De cliënt ontvangt een bericht (notificatie) wanneer er vanuit het advocatenkantoor via het portaal stukken worden klaargezet. Vanuit het advocatenkantoor kan niet worden gezien of de betreffende cliënt die stukken ook daadwerkelijk heeft geopend. Wel kan worden gezien of een cliënt gebruik maakt van het portaal.
5.8 Op 1 augustus 2024 heeft de jurist via dat portaal een brief (aan de raad toegezonden bij de nagekomen stukken op 26 januari 2026) met klager gedeeld in reactie op de door klager gezonden stukken over de zaak betreffende de brandschade. Daarin staat onder meer:
‘(…) Zowel mr. [naam klager] als ik beschikken niet over voldoende juridische kennis om u in dit proces te begeleiden. Tijdens ons telefoongesprek merkte ik bovendien dat u het niet volledig eens was met mijn processtrategie om niet in hoger beroep te gaan tegen het gewezen vonnis (…). Ik adviseer u dan ook om de brandschadezaak en eventuele hoger beroepsmogelijkheden te bespreken met een andere advocaat. Aangezien (…) wil ik u erop wijzen dat een hoger beroep binnen drie maanden na de uitspraak moet worden ingesteld. (…)
5.9 Klager stelt die brief niet te kennen en daar ook geen notificatie van te hebben ontvangen.
5.10 Deze brief is door verweerder eerst op 26 januari 2026 aan de raad toegezonden. Volgens verweerder is er na de vraag van klager over de brandschade een nieuw dossier aangemaakt is de brief in het portaal van die zaak gezet. Achteraf gezien had verweerder de brief in beide zaken moeten zetten, maar omdat dit niet is gebeurd is de brief pas in een laat stadium alsnog teruggevonden en ingezonden aan de raad. Wel zal klager die brief volgens verweerder moeten hebben ontvangen, omdat de brief in het portaal is gezet ‘met notificatie’.
Oordeel
5.11 De raad overweegt als volgt. Een advocaat dient zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Een advocaat dient zijn cliënt genoegzaam en tijdig te informeren, te waarschuwen, en duidelijkheid te scheppen omtrent de kansen en risico’s en de kosten van zijn optreden. Dit alles dient de advocaat schriftelijk aan de cliënt te bevestigen, ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil. Daar is het in deze zaak mis gegaan. In de wandeling van de rechtbank naar het kantoor is weliswaar gesproken over hoger beroep, maar klager heeft daaruit begrepen dat hoger beroep niet mogelijk was terwijl de jurist volgens zijn verklaring heeft gezegd dat hoger beroep zinloos zou zijn. Daaruit blijkt dus al de noodzaak van het schriftelijk vastleggen van afspraken. Zeker waar het gaat om een belangrijke procedurele stap als hoger beroep is dat van belang. Na de zitting bij de kantonrechter heeft geen schriftelijke vastlegging plaatsgevonden van de mogelijkheid van hoger beroep, de kansen en risico’s van een hoger beroep, de termijn waarbinnen dat hoger beroep moet worden ingesteld en wat tussen klager en verweerder hierover is afgesproken. In de brief van 25 juli 2024 wordt weliswaar de term hoger beroep gebruikt, maar dat kan niet worden gezien als een adequate vastlegging van belangrijke informatie en afspraken als hier bedoeld. Ook de brief van 1 augustus 2024 kwalificeert niet als zodanig, waarbij de brief kennelijk ook nog eens in een ander digitaal dossier is gezet dan waar de klacht op ziet. Klager heeft bovendien verklaard die brief niet te hebben gezien. Bij die stand van zaken komt de raad tot de conclusie dat verweerder in zijn informatieplicht tekort is geschoten en hem dat tuchtrechtelijk kan worden aangerekend. De raad zal de klacht daarom gegrond verklaren.
6 MAATREGEL
6.1 Nu de raad de klacht gegrond zal verklaren komt de vraag aan de orde of en zo ja welke tuchtrechtelijke maatregel aan verweerder dient te worden opgelegd.
6.2 Daarbij weegt niet alleen mee de aard van de normschending, maar ook het schoon tuchtrechtelijk verleden van verweerder. Alles overwegende is de raad van oordeel dat de maatregel van een waarschuwing hier passend en geboden is.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervoor bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervoor bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mr. E.H.M. Harbers en mr. G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
