Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:81

Zaaknummer

240375

Inhoudsindicatie

Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familierechterlijk geschil. Klager verwijt verweerster dat zij zich onnodig grievend over hem heeft uitgelaten. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard, ook het hof komt tot de conclusie dat verweerster de grenzen van het betamelijke in deze familierechtelijke kwestie niet heeft overschreden. Vanwege haar partijdige positie als advocaat van de ex-echtgenote van klager stond het verweerster vrij om in het familierechtelijke geschil het onderzoeksrapport Onmacht in het hoger beroep over te leggen nu zij daarbij voldoende heeft toegelicht dat het doel van het rapport was om het namens haar cliënte ingenomen standpunt over ouderverstoting te onderbouwen. Het hof acht van belang dat verweerster heeft uiteengezet welke overeenkomsten haar cliënte ziet tussen de in het onderzoeksrapport vermelde situatie en de familierechtelijke kwestie over de kinderen van partijen, dat zij heeft toegelicht wat uit dat rapport relevant was voor de zaak van haar cliënte en dat haar cliënte daarmee op geen enkele manier wilde insinueren dat klager ook zoiets zou kunnen doen of dat het leven van de kinderen in gevaar is. 

Uitspraak

Beslissing van 20 maart 2026  

in de zaak 240375

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

tegen:

 

advocaat te Utrecht

 

verweerster

gemachtigde: mr. F.J.J. ten Voorde

 

1 INLEIDING

 

1.1 Klager is met zijn ex-echtgenote verwikkeld in een familierechtelijk geschil waar hun (minderjarige) kinderen en een bijzondere curator bij betrokken zijn. Verweerster staat de ex-echtgenote hierin bij. Klager verwijt verweerster dat zij zich in het hoger beroep onnodig grievend over hem heeft uitgelaten. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat op grond van het klachtdossier en de ter zitting afgelegde verklaringen, verweerster de grenzen van het betamelijke in deze familierechtelijke kwestie niet heeft overschreden. De klacht is dan ook door de raad ongegrond verklaard. Klager heeft hoger beroep ingesteld.

1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-561/AL/MN) een beslissing genomen op 25 november 2024. In deze beslissing is de klacht van klager gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:287 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 22 december 2024 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

- de stukken van de raad;

- het verweerschrift van verweerster.

2.5   Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 23 januari 2026. Daar zijn klager, tot zijn bijstand vergezeld door drs. A.A.W. Tiemessen en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

3.1  Klager is met zijn ex-echtgenote verwikkeld in een familierechtelijk geschil waar hun (minderjarige) kinderen en een bijzondere curator bij betrokken zijn. Verweerster staat de ex-echtgenote hierin bij.

3.2 De rechtbank heeft een verzoek van de ex-echtgenote om een beschermingsonderzoek ten aanzien van de kinderen te laten verrichten afgewezen. Verweerster heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld namens haar cliënte.

3.3 In hoger beroep heeft verweerster namens haar cliënte een onderzoeksrapport ‘Onmacht’ (hierna ook: het onderzoeksrapport) van Corinne Dettmeijer als productie bij het beroepschrift overgelegd. In het beroepschrift heeft verweerster ook naar dit onderzoeksrapport verwezen:

‘Rapport Onmacht, mr. Corinne Dettmeijer

81. Moeder wil u in dit kader wijzen op een buitengewoon goed rapport over dit onderwerp, het rapport “Onmacht” dat Corinne Dettmeijer (voormalig Officier van Justitie, voormalig kinderrechter en voormalig vicepresident van de rechtbank Den Haag, tevens voormalig rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen kinderen en huidig lid van CEDAW (Committee ter bestrijding van de discriminatie van vrouwen van de VN) in 20221 heeft opgesteld op verzoek van de gemeente Amsterdam naar aanleiding van een calamiteit waarbij een 14-jarig meisje door haar vader is doorgeschoten. (…)

82. Moeder (en ondergetekende) hebben erg geaarzeld of ze dit rapport in zouden brengen, vanwege de afschuwelijke afloop in die situatie. Moeder, en zij benadrukt dit met klem, wil op geen enkele manier insinueren dat vader ook zoiets zou kunnen doen of dat het leven van de jongens in gevaar is bij vader, dat is zeer zeker niet het geval. Het rapport en het onderzoek echter, is zeer relevant omdat het één van de weinige voorbeelden is waarin door een zeer gerenommeerde onderzoeker uitgebreid en gedetailleerd het proces van ouderverstoting in beeld is gebracht en geanalyseerd. Het bijzondere daarbij is tevens dat dit met medewerking van alle betrokken partijen en instanties is gebeurd en dat er liefst dertig audiobanden van gesprekken en bijeenkomsten met vader waren die konden worden gebruikt voor de analyse. Moeder ziet in de onderhavige situatie veel overeenkomsten en dezelfde handelingsverlegenheid en onmacht bij de betrokken instanties als in het onderzoek. In het onderzoek zijn 19 maanden hulpverlening, verleend door elf(!) instellingen geanalyseerd en zijn verbeterpunten genoemd. Ook is gekeken naar de Raad, de rechtsgang en het perspectief van de moeder die in deze, naast het meisje zelf, het slachtoffer was van ouderverstoting.

Moeder kan niet volledig zijn, er zijn vele overeenkomsten, maar haalt een aantal punten aan die voor haar in het oog springen. Om dit onderdeel leesbaar te houden, benoemt moeder eerst een citaat/deel uit het onderzoek (schuingedrukt) en geeft daarna een reactie hierop vanuit de onderhavige situatie. (…)’

3.4 Op 19 juni 2024 heeft het gerechtshof Den Haag het hoger beroep inhoudelijk op zitting behandeld. In het proces-verbaal van die zitting is onder meer het volgende vastgelegd:

‘(…) Vader: (…) De advocaat van de moeder gooit met modder. Zij schrijft dat ik een kindermoordenaar ben.

Voorzitter : dat heb ik niet in de stukken gelezen. (…)’

 

KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij zich in het hoger beroep onnodig grievend over hem heeft uitgelaten. Volgens klager heeft verweerster hem met een extreme/grenzeloze vergelijking zwartgemaakt door een zaak aan te halen over drank, drugs, loverboys, een meisje dat in de prostitutie belandde en een vader die zelfmoord pleegt na eerst zijn dochter te hebben vermoord.

Klager stelt dat verweerster zich heeft ingedekt door op te merken dat haar cliënte niet wil insinueren dat klager ook zoiets zou kunnen doen of dat het leven van hun kinderen in gevaar is, maar dat de toon wel is gezet. Ook het aanhalen van het onderzoeksrapport is volgens klager lasterlijk. Daarbij wijst klager erop dat een advocaat juist in een familiezaak moet waken voor onnodige polarisatie tussen partijen, omdat ook de belangen van kinderen een rol spelen.

Verder stelt klager dat verweerster dergelijke insinuaties en aanvallen wel vaker in familiezaken doet en dat verweerster zeer actief is op sociale media waarin zij graag zaken aanhaalt en van commentaar voorziet. Volgens klager is dat ook de werkwijze van verweerster, veel grote woorden gebruiken om die vervolgens op sociale media weer te ontkennen.

Klager wil dat verweerster haar vergelijking van hem met een kindermoordenaar uit het beroepschrift schrapt en haar excuses aan hem aanbiedt.

 

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De raad heeft geoordeeld dat op grond van het klachtdossier en de ter zitting afgelegde verklaringen, verweerster de grenzen van het betamelijke in deze familierechtelijke kwestie niet heeft overschreden. Vanwege haar partijdige positie als advocaat van de ex-echtgenote van klager stond het verweerster vrij om het onderzoeksrapport ’ in het hoger beroep over te leggen om het namens haar cliënte ingenomen standpunt over ouderverstoting te onderbouwen en om toe te lichten welke overeenkomsten haar cliënte ziet tussen de in het onderzoeksrapport vermelde situatie en de familierechtelijke kwestie over de kinderen van partijen. In haar beroepschrift heeft verweerster ook toegelicht waarom zij het onderzoeksrapport heeft overgelegd, wat uit dat rapport relevant was voor de zaak van haar cliënte en dat haar cliënte daarmee op geen enkele manier wilde insinueren dat klager ook zoiets zou kunnen doen of dat het leven van de kinderen in gevaar is.

5.2 De raad heeft overwogen dat uit het overgelegde proces-verbaal van de zitting van 19 juni 2024 blijkt dat het gerechtshof in het beroepschrift niet heeft gelezen dat klager door verweerster wordt vergeleken met een kindermoordenaar, zoals klager stelt. De raad begrijpt dat klager het overleggen van het onderzoeksrapport en de uitlatingen daarover van verweerster in het beroepschrift als grievend ervaart, maar gelet op de context waarin verweerster dit heeft gedaan, een familierechtelijke kwestie over de kinderen van partijen, en op de uitgebreide toelichting van verweerster op de voor het geschil relevante onderdelen van het onderzoeksrapport in het beroepschrift is hier naar het oordeel van de raad geen sprake van uitlatingen die naar objectieve maatstaven onnodig grievend zijn. De raad heeft de klacht dan ook ongegrond verklaard.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1 K lager heeft aangevoerd dat de motivering van de raad inzake het ongegrond verklaren van de klacht over de uitlatingen in het hoger beroepschrift van verweerster niet correct is. De raad heeft erkend dat van familierechtadvocaten terughoudendheid mag worden verwacht om polarisatie en escalatie te voorkomen, maar heeft desondanks geoordeeld dat verweerster de grenzen van het betamelijke niet heeft overschreden. Vanwege haar partijdigheid jegens haar cliënte staat het haar dus vrij om het voordeel dat ze voor haar cliënte wil bereiken te laten opwegen tegen het nadeel van de klager. Hiermee draagt verweerster bij aan het stigmatiseren en beschuldigen van de vader als potentiële kindermoordenaar voor het (leesbare) oog van de kinderen.

6.2 Klager heeft erop gewezen dat ter zitting bij de raad is toegelicht dat de middelste studerende zoon -in mei 2025 18 jaar oud geworden- expliciet heeft gevraagd om de stukken van het hoger beroepschrift te mogen lezen. Deze zoon had dat eerst aan zijn moeder gevraagd, dat heeft zij geweigerd. De zoon heeft daarop aan klager aangeven alles te willen lezen. Klager stelt dat hij inmiddels oud genoeg is om te begrijpen wat er speelt en wat er wordt opgeschreven over het gezin.

6.3 Klager is van mening dat de tweede alinea van overweging 5.4 van de beslissing van de raad niet juist is. Hierin staat dat uit het proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof te Den Haag op 19 juni 2024 blijkt dat het gerechtshof in het beroepschrift niet heeft gelezen dat de klager door verweerster wordt vergeleken met een kindermoordenaar. De kindermoordenaar-vergelijking staat echter in het rapport dat verweerster heeft ingebracht. Verweerster heeft nagelaten om specifiek te benoemen waar het rapport in klagers situatie niet op van toepassing is.

Verweer verweerster

6.4  Verweerster heeft in verweer opgemerkt dat uitgebreid is toegelicht dat de inbreng van het rapport Onmacht relevant was. Ook is gewezen op de aspecten waarop de casus in dat rapport en de casus tussen partijen juist wel, en vooral ook juist niet vergelijkbaar zijn. Verweerster heeft gewezen op reacties van 25 februari 2024 en 3 april 2024 waaruit blijkt dat klager ten onrechte denkt dat hij als kindermoordenaar wordt neergezet. De raad heeft dit klachtonderdeel volgens verweerster terecht ongegrond verklaard.

6.5  Verder heeft verweerster opgemerkt dat waar de moeder terecht haar zoon inzage in de processtukken in de hoger beroepsprocedure heeft ontzegd, klager de keuze heeft gemaakt om wel in te gaan op de expliciete wens van zijn zoon om alles te willen lezen. Iedere hulpverlener, raadsonderzoeker, jeugdbeschermer en rechter zal een ouder juist aanbevelen om kinderen buiten hun onderlinge problemen te houden. Omdat de zoon in kwestie studeert, bijna 18 is en inmiddels begrijpt wat er speelt, meent klager daarentegen hem volledig te moeten 'meenemen' in de juridische kwesties tussen zijn ouders. Klager lijkt niet in te zien dat dit niet helpend is voor de relatie tussen ouders onderling en tussen de ouders en de kinderen. Klager had er voor kunnen kiezen de kinderen niet, of minder volledig, te betrekken in de zaken tussen hem en de moeder van zijn kinderen. Door zijn zoon inzage in alle stukken te geven bevestigt klager volgens verweerster eens temeer dat hij de negatieve beeldvorming over moeder blijft voeden.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

7.2 In familierechtelijke kwesties zal een advocaat er bovendien voor moeten waken, zeker als er belangen van kinderen in het spel zijn, dat de verhoudingen tussen partijen escaleren. Dan mag van een advocaat zekere (verdergaande) terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die naar objectieve maatstaven als kwetsend kunnen worden ervaren. Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval tot geval afwegen:

–           het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,

–           het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,

–           het verloop van het geschil tot dan toe,

–           en de kans op succes van een procedure.

Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

Overwegingen hof

7.3 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan. Ook het hof komt tot de conclusie dat verweerster de grenzen van het betamelijke in deze familierechtelijke kwestie niet heeft overschreden. Vanwege haar partijdige positie als advocaat van de ex-echtgenote van klager stond het verweerster vrij om in het familierechtelijke geschil het onderzoeksrapport Onmacht in het hoger beroep over te leggen nu zij daarbij voldoende heeft toegelicht dat het doel van het rapport was om het namens haar cliënte ingenomen standpunt over ouderverstoting te onderbouwen. Het hof acht van belang dat verweerster heeft uiteengezet welke overeenkomsten haar cliënte ziet tussen de in het onderzoeksrapport vermelde situatie en de familierechtelijke kwestie over de kinderen van partijen, dat zij heeft toegelicht wat uit dat rapport relevant was voor de zaak van haar cliënte en dat haar cliënte daarmee op geen enkele manier wilde insinueren dat klager ook zoiets zou kunnen doen of dat het leven van de kinderen in gevaar is. 

7.4 Het hof begrijpt dat klager het onderzoeksrapport en de uitlatingen daarover van verweerster als grievend ervaart, maar gelet op de wijze waarop verweerster in het beroepschrift in het familierechtelijke geschil heeft toegelicht waarom onderdelen van het onderzoeksrapport relevant waren, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van uitlatingen die onnodig grievend zijn.

Slotsom

7.5 Het hof verwerpt de beroepsgronden van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.

 

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

 

- bekrachtigt de beslissing van 25 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 24-561/AL/MN, voor zover aangevochten.

 

 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.

                                                             

griffier                                                                                     voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 20 maart 2026 .