Rechtspraak
Uitspraakdatum
12-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:78
Zaaknummer
25-810/AL/MN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart de klacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 12 maart 2026 in de zaak 25-810/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:
klager klaagster hierna ook: klagers oververweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 20 november 2025 met kenmerk 2486891.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Verweerder heeft als (opvolgend) advocaat de heer Z. bijgestaan in een geschil over een (volgens de heer Z.) onrechtmatige handelwijze van klaagster, klager (de bestuurder van klaagster) en de andere bestuurders van klaagster. 1.2 In een brief van 8 april 2025 heeft verweerder (in navolging van eerdere sommaties van zijn voorganger) klaagster en haar bestuurders gesommeerd om - kort gezegd - zich te onthouden van onjuiste uitlatingen over zijn cliënt, de reeds gedane uitlatingen te verwijderen, een rectificatie te plaatsen en een bedrag van € 365.000,- aan materiële en immateriële schade te voldoen. Verweerder heeft deze brieven door de deurwaarder laten bezorgen. 1.3 Op 11 april 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: a) hun belangen onnodig of onevenredig te schaden door het sturen van een sommatie met buitenproportionele, niet onderbouwde eisen en een onredelijk korte reactietermijn; b) zich onnodig grievend over hen uit te laten; c) feiten te stellen waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen; d) onvoldoende professionele distantie in acht te nemen; e) in strijd met de AVG te handelen door vertrouwelijke informatie te verstrekken.
3 VERWEER Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Maatstaf 4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij van klagers. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Klachtonderdeel a), b), c) en d) 4.2 De klachtonderdelen a) tot en met d) zien op de sommatiebrief van 8 april 2025, die verweerder namens zijn cliënt aan klagers heeft gestuurd. Klagers stellen dat verweerder hiermee hun belangen onnodig of onevenredig heeft geschaad (klachtonderdeel a), zich onnodig grievend heeft uitgelaten (klachtonderdeel b), onjuiste feiten heeft gesteld (klachtonderdeel c) en onvoldoende distantie in acht heeft genomen (klachtonderdeel d). De voorzitter zal deze klachtonderdelen vanwege de nauwe samenhang gezamenlijk bespreken. 4.3 De voorzitter is van oordeel dat het verweerder vrij stond om deze sommatiebrief aan klagers te sturen. De - door klagers aangevoerde - omstandigheid dat verweerder de schade slechts summier, althans op hoofdlijnen heeft onderbouwd, betekent niet dat de belangen van klagers onnodig of onevenredig zijn geschaad. Daarbij is mede van belang dat uit de brief van verweerder duidelijk blijkt welke gedragingen van klagers als onrechtmatig worden gezien en dat in die brief bovendien wordt verwezen naar eerdere correspondentie (van de voorganger van verweerder) aan klagers. In die eerdere correspondentie zijn de gedragingen van klagers uitgebreider beschreven en ook in die correspondentie zijn klagers al gesommeerd om met die gedragingen te stoppen en is de geleden schade benoemd. Van onnodig procederen of misbruik van recht, zoals door klagers is gesteld, is naar het oordeel van de voorzitter geen sprake. De door verweerder gegeven termijn van negen dagen is niet onredelijk, en in ieder geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, ook gelet op het gegeven dat klagers geen gehoor hebben gegeven aan de eerdere (herhaalde) sommaties van de voorganger van verweerder. 4.4 De voorzitter is verder van oordeel dat verweerder mocht afgaan op de juistheid van zijn cliënt ontvangen informatie. Op grond van de door klagers aangevoerde stukken is niet gebleken dat verweerder wist of had moeten weten dat deze informatie onjuist zou zijn. Het stond verweerder dan ook vrij om deze feiten naar voren te brengen op de manier zoals hij dat heeft gedaan in zijn brief aan klagers. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. De vraag of er daadwerkelijk schade is geleden door de cliënt van verweerder en zo ja, hoe hoog de schade is, is (als het tot een procedure komt) ter beoordeling aan de civiele rechter. Klagers zullen in die procedure in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt over de stellingen van de cliënt van verweerder te geven. 4.5 Klagers stellen ook dat het zonder onderbouwing uiten van ongegronde beschuldigingen, onnodig grievend is. De voorzitter is hierover van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de door verweerder (namens zijn cliënt) ingenomen standpunten in de ogen van klagers onjuist zijn, niet tot de conclusie leidt dat er sprake is van onnodig grievende uitlatingen. Voor zover klagers ook hebben willen klagen over de door verweerder gebruikte bewoordingen, overweegt de voorzitter dat van onnodig grievende uitlatingen pas sprake is als deze bewoordingen apert onjuist, zeer kwetsend of neerbuigend zijn. Van onnodig grievende uitlatingen kan daarnaast sprake zijn als grievende bewoordingen in redelijkheid geen bijdrage kunnen leveren aan het debat waarbinnen de bewoordingen worden gebruikt. Hiervan is geen sprake. De inhoud en de toon van de sommatiebrief van verweerder zijn naar het oordeel van de voorzitter functioneel, professioneel en niet kwetsend. 4.6 De voorzitter is ten slotte van oordeel dat uit de inhoud van de sommatiebrief en de andere stukken in het klachtdossier niet is gebleken dat verweerder (in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid) onvoldoende professionele distantie ten opzichte van zijn cliënt heeft gehouden. Dit verwijt is - tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder - onvoldoende door klagers onderbouwd en gemotiveerd. 4.7 Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Deze klachtonderdelen worden daarom kennelijk ongegrond verklaard. Klachtonderdeel e) 4.8 Klager stelt dat verweerder in strijd met de AVG heeft gehandeld doordat hij in de sommatiebrief aan klagers ook de namen heeft genoemd van de andere personen die hij heeft gesommeerd (en in de sommatiebrieven aan die personen ook de namen van klagers heeft genoemd). De voorzitters stelt voorop dat het niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen of er sprake is van handelen in strijd met de AVG. Wel moet de tuchtrechter beoordelen of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Daarvan is niet gebleken. Het stond verweerder vrij om in zijn sommatiebrieven de namen te noemen van de andere personen die hij een sommatiebrief heeft gestuurd, zeker omdat het om dezelfde gedragingen gaat en deze personen elkaar kennen vanwege hun betrokkenheid bij klaagster. De belangen van klagers zijn hierdoor niet onnodig of onevenredig geschaad en verweerder heeft hiermee de aan hem komende vrijheid als advocaat van de wederpartij niet heeft overschreden. Ook dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
Griffier Voorzitter Verzonden d.d. 12 maart 2026
