Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:80
Zaaknummer
250125
Inhoudsindicatie
Het hof stelt voorop dat artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet een vervaltermijn van openbare orde bevat, die ambtshalve door de tuchtrechter wordt toegepast.
Inhoudsindicatie
Voor het indienen van een klacht geldt een vervaltermijn van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. De vraag moet worden beantwoord op welk moment de vervaltermijn is aangevangen. Het hof stelt vast dat de datum van ontvangst van de klacht door de deken buiten de klachttermijn ligt en dat de klacht te laat is ingediend.
Inhoudsindicatie
Het hof ziet geen aanleiding om op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet uit te gaan van een verlenging van de klachttermijn omdat klaagster pas op een later moment dan het einde van de driejaarstermijn bekend is geworden met de onjuistheid van het handelen van de verweerster. De klacht is niet tijdig ingediend en daarom niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke behandeling komt het hof niet toe.
Uitspraak
Beslissing van 20 maart 2026
in de zaak 250125
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
gemachtigde:
mr. T.J. Roest Crollius, advocaat te Woerden
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 De zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Klaagster verwijt verweerster dat zij in haar verweerschrift van 4 december 2020 feiten heeft vermeld waarvan zij wist of kon weten dat die onjuist waren en daarmee heeft verweerster volgens klaagster de rechter misleid. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft bij voorzittersbeslissing van 19 augustus 2024 de klachtonderdelen a) en b) niet-ontvankelijk en klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond verklaard. Bij de beslissing naar aanleiding van het verzet van klaagster van 10 maart 2025 heeft de raad het verzet tegen klachtonderdelen b) en c) ongegrond verklaard. Het verzet tegen klachtonderdeel a) is gegrond verklaard en klachtonderdeel a) is vervolgens ongegrond verklaard. Klaagster heeft hoger beroep ingesteld tegen het ongegrond verklaarde klachtonderdeel a).
1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-466/AL/DH) een beslissing genomen op 10 maart 2025. In deze beslissing is het verzet tegen de voorzittersbeslissing van 19 augustus 2024 ten aanzien van klachtonderdeel a) gegrond verklaard. De raad heeft klachtonderdeel a) vervolgens ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:61 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 8 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerster;
- stukken van klaagster overgelegd op 13 januari 2026.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 23 januari 2026. Daar klaagster, bijgestaan haar gemachtigde, en verweerster verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Verweerster heeft vanaf 2018 de belangen van de ex-partner van klaagster behartigd na de beëindiging van zijn samenleving met klaagster waaruit twee kinderen zijn geboren.
3.2 Op 11 september 2018 heeft verweerster namens haar cliënt een verzoekschrift tot gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen van partijen en vaststelling van een omgangs- en informatieregeling bij de rechtbank Den Haag ingediend. Op 19 juni 2020 heeft de rechtbank uitspraak gedaan.
3.3 Op 4 december 2020 heeft verweerster namens haar cliënt een verweerschrift houdende incidenteel appel bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het gerechtshof) ingediend.
3.4 Op 10 maart 2021 heeft een zitting plaatsgevonden bij het gerechtshof. Daar zijn klaagster, bijgestaan door haar advocaat, en verweerster met haar cliënt bij aanwezig geweest.
3.5 Bij beschikking van 12 mei 2021 heeft het gerechtshof de beschikking van de rechtbank van 19 juni 2020 bekrachtigd voor zover de ouders daarbij samen met het ouderlijk gezag zijn belast. Daarnaast heeft het gerechtshof de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling met de vader deels bekrachtigd en deels vernietigd en een aanvullende zorgregeling vastgesteld.
3.6 Op 14 december 2023 heeft de deken de op 8 december 2023 gedateerde klacht van klaagster over verweerster ontvangen. De deken heeft deze klacht na afronding van haar onderzoek ingediend bij de raad van discipline Den Haag. Op verzoek van de griffier van die raad heeft de voorzitter van het hof deze klacht bij beslissing van 27 juni 2024 voor behandeling verwezen naar de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden omdat verweerster lid van de raad van discipline Den Haag is.
4 KLACHT
De klacht houdt, voorzover van belang, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij
a) in haar verweerschrift van 4 december 2020 feiten heeft vermeld waarvan zij wist of kon weten dat die onjuist waren, waarmee zij de rechter heeft misleid.
Toelichting: Volgens klaagster heeft verweerster onder meer in strijd met de waarheid geschreven: “Youz beraadt zich thans en heeft een melding bij VT [voorzitter: Veilig Thuis] gedaan.” Uit de overgelegde e-mailwisseling uit december 2022 met de klachtenfunctionaris van Veilig Thuis blijkt volgens klaagster dat door Youz nooit melding bij VT is gedaan zodat verweerster daarover in strijd met de waarheid standpunten heeft ingenomen;
b) (..)
c) (..)
5 BEOORDELING RAAD
Ontvankelijkheid klachtonderdeel a)
5.1 De raad heeft aanleiding gezien om aan de juistheid van de voorzittersbeslissing ten aanzien van het oordeel over de ontvankelijkheid van klachtonderdeel a) te twijfelen. Met klachtonderdeel a) verwijt klaagster verweerster dat zij in haar verweerschrift van 4 december 2020 feiten heeft vermeld waarvan zij wist of kon weten dat die onjuist waren en daarmee heeft verweerster de rechter volgens klaagster misleid. Het gaat klaagster hierbij specifiek om de vermelding in het verweerschrift ‘Youz beraadt zich thans en heeft een melding bij VT [Veilig Thuis] gedaan’. De voorzitter had geoordeeld dat klaagster hierover te laat, buiten de klachttermijn van drie jaar, bij de deken heeft geklaagd. Gelet hierop is klachtonderdeel a) door de voorzitter van de raad niet-ontvankelijk verklaard.
5.2 De raad heeft in de beslissing op het verzet vastgesteld dat klaagster op 19 december 2022 aan Veilig Thuis Haaglanden heeft gevraagd of er een derde melding over haar gezin is gedaan naast de melding door haar schoonzus en de melding van de politie. Daarop heeft Veilig Thuis Haaglanden klaagster op 23 december 2022 gemaild dat er geen andere (derde) melding bij Veilig Thuis bekend is. Op de stelling van klaagster dat zij er pas op 23 december 2022 achter is gekomen dat door Youz geen melding bij Veilig Thuis was gedaan is de voorzitter in de beslissing van 19 augustus 2024 niet ingegaan. De raad heeft in verzet geoordeeld dat klaagster, gelet op het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet, nog een jaar na 23 december 2022, dus tot uiterlijk 22 december 2023, had om hierover bij de deken te klagen. Met de ontvangst van de klacht door de deken op 14 december 2023 heeft klaagster aldus de raad op tijd geklaagd. Gelet hierop is het verzet gegrond verklaard en heeft de raad klachtonderdeel a) inhoudelijk beoordeeld.
Inhoudelijke beoordeling klachtonderdeel a)
5.3 De raad heeft geoordeeld dat verweerster ten aanzien van de uitlatingen in haar verweerschrift geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Gelet op de vrijheid die verweerster heeft om de belangen van haar cliënt te behartigen, stond het verweerster vrij om in haar verweerschrift van 4 december 2020 te vermelden dat Youz een melding bij Veilig Thuis had gedaan. Verweerster mocht in dat verband vertrouwen op de informatie die zij daarover van haar cliënt kreeg. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerster die informatie van haar cliënt destijds had moeten verifiëren is de raad uit het klachtdossier niet gebleken. Klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Het hoger beroep ziet op het ongegrond verklaarde klachtonderdeel a). In dat klachtonderdeel verwijt klaagster verweerster dat zij in haar verweerschrift van 4 december 2020 feiten heeft vermeld waarvan zij de onjuistheid kende althans had behoren te kennen en dat op die wijze aan het hof een verkeerde veronderstelling van zaken is gepresenteerd. Het gaat om de stelling dat door hulpverlenende instantie Youz een melding is gedaan over het gezin van cliënte bij Veilig Thuis. In familierechtelijke kwesties heeft een dergelijke melding bij Veilig Thuis veel gewicht en kan het ook grote effecten hebben. Waar de cliënt (van verweerster) spreekt over het doen van een terugkoppeling, bouwt verweerster de terugkoppeling om tot een formele melding. Daarmee heeft verweerster aan haar stelling in het verweerschrift een gewicht en status gegeven die niet is gebaseerd op de informatie die zij van haar cliënt had gekregen. Zij heeft de juistheid van haar stelling ook niet gecheckt. Klaagster is er op 23 december 2022 achter gekomen dat er helemaal geen melding door Youz is gedaan en dat de mededeling van verweerster onjuist is.
6.2 Klaagster heeft aangevoerd dat in de korte motivering in de verzetbeslissing van 10 maart 2025 de raad heeft geoordeeld dat verweerster in deze situatie mocht afgaan op de informatie die ze van haar cliënt had gekregen. Die motivering is moeilijk te volgen omdat verweerster van haar cliënt geen informatie heeft gekregen inhoudend dat Youz een melding had gedaan bij Veilig Thuis. Dat heeft verweerster zelf bedacht naar aanleiding van een e-mail van haar cliënt die spreekt over een mogelijke aanstaande terugkoppeling. De raad heeft volgens klaagster de ongegrondverklaring van klachtonderdeel a niet deugdelijk gemotiveerd.
Verweer verweerster
6.3 Verweerster heeft erop gewezen dat zij ten tijde van de behandeling van zaak op verschillende moment en uit diverse hoeken signalen heeft gekregen dat de situatie tussen partijen explosief was, dat ingeschakelde professionals zorgen hadden, waarbij zij te horen kreeg dat bepaalde mensen/hulpverleners contact hadden gehad met Veilig Thuis en/of daar een melding hadden gedaan. Daarnaast zag en hoorde verweerster gedurende de zaak dat er steeds meer kindsignalen kwamen waar zorgen over bestonden. Ook werd duidelijk dat moeder zich steeds terugtrok uit de diverse hulpverleningstrajecten en bijvoorbeeld ook niet wilde dat instanties met de kinderen spraken.
6.4 Verweerster stelt dat zij nooit zomaar zou verzinnen dat er een melding bij Veilig Thuis is gedaan terwijl deze niet gedaan is. Er moet altijd meer dan één bron zijn. Verweerster stelt hierop altijd zeer kritisch te zijn, zeker als het kinderen betreft. Zij benadrukt dat zij geen enkele reden had om aan haar cliënt te twijfelen. Zij heeft gewezen op stukken in haar digitale archiefdossier en stelt dat daarin veel stukken staan die de zorgen over de kinderen en Veilig Thuis meldingen bevestigen. Dit was een doorlopend patroon in deze zaak.
7 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheid
7.1 Het hof stelt voorop dat artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet een vervaltermijn van openbare orde bevat, die ambtshalve door de tuchtrechter wordt toegepast.
7.2 Voor het indienen van een klacht geldt een vervaltermijn van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken (HvD 28 augustus 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:160).
7.3 De vraag moet worden beantwoord op welk moment de vervaltermijn is aangevangen. Het handelen waarover wordt geklaagd is de stelling van verweerster in het verweerschrift dat op 4 december 2020 is ingediend bij het gerechtshof Den Haag, inhoudende dat door Youz een melding was gedaan bij Veilig Thuis. Het verweerschrift is op 9 december 2020 door de advocate van klaagster aan klaagster per e-mail gestuurd; klaagster heeft in de klacht vermeld dat zij dit verweerschrift op 9 december 2020 heeft ontvangen. Hieruit volgt dat de termijn voor het indienen van een klacht door klaagster is aangevangen op 9 december 2020. De termijn is, gelet op artikel 46 g lid 1 sub a Advocatenwet, geëindigd op zondag 10 december 2023. Omdat de termijn eindigde op een zondag wordt ingevolge de Algemene Termijnenwet de termijn verlengd tot en met maandag 11 december 2023.
7.4 De klacht is gedateerd op 8 december 2023 en ontvangen door de deken op 14 december 2023. De datum van ontvangst van een klaagschrift door de deken is leidend voor de bepaling van de tijdigheid van de klacht. Het hof stelt vast dat de datum van ontvangst van de klacht door de deken buiten de in 7.3 bepaalde klachttermijn ligt en dat de klacht te laat is ingediend.
7.5 Het hof ziet geen aanleiding om op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet uit te gaan van een verlenging van de klachttermijn omdat klaagster pas op een later moment dan het einde van de driejaarstermijn bekend is geworden met de onjuistheid van het handelen van de verweerster. Dat klaagster op 23 december 2022 de bevestiging heeft gekregen dat de mededeling van verweerster in het verweerschrift van 4 december 2020 niet juist was, is geen omstandigheid als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet. Het bedoelde in lid 2 ziet op die gevallen waarin de gevolgen van een handelen van een advocaat pas na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn van drie jaren redelijkerwijs bekend zijn geworden. In de onderhavige kwestie was op 23 december 2022, dus voor het einde van driejaarstermijn op 11 december 2023, bekend dat de vermelding in het verweerschrift van 4 december 2020 niet juist was, om welke reden aan de toepassing van het tweede lid niet wordt toegekomen. Het andersluidende oordeel van de raad kan daarom geen stand houden.
Slotsom
7.6 De conclusie is dat de klacht van klaagster niet tijdig is ingediend en daarom niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling van klachtonderdeel a) komt het hof niet toe.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2025, genomen onder nummer 24-466/AL/DH voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
en doet in zoverre opnieuw recht;
- verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a).
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van M. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 20 maart 2026 .
