Rechtspraak
Uitspraakdatum
25-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:68
Zaaknummer
26-062/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft namens het CJIB met klagers advocaten gecorrespondeerd. De klacht over die correspondentie is voor een groot deel te laat en daarom niet-ontvankelijk. De klacht over de laatste brief is op tijd. De klacht daarover is kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 25 maart 2026 in de zaak 26-062/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager gemachtigde
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 23 januari 2026 met kenmerk K176 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de reactie met bijlagen van 9 februari 2026 van de gemachtigde van klager.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klager is strafrechtelijk vervolgd en in 2018 door het gerechtshof veroordeeld voor verduistering als executeur van een nalatenschap. Hij is daarbij ook veroordeeld tot betaling van schade, waarbij aan klager een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. 1.2 Bij arrest van 2 juli 2019 heeft de Hoge Raad over de schade overwogen: “3.6.1 Blijkens hetgeen hiervoor in 3.4 is weergegeven, heeft het Hof, (…) bij zijn overwegingen en beslissingen klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen de vaststelling dat de schade waarvan in de strafzaak vergoeding is gevorderd niet is geleden enkel door [J-M], maar is geleden door de erven (…) te weten […], gezamenlijk de erfgenamen [M]. (…) Daarom moet het ervoor worden gehouden dat [J-M] in haar hoedanigheid van deelgenoot in de gemeenschap gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot het instellen van één gezamenlijke rechtsvordering ten behoeve van de gezamenlijke erfgenamen als de benadeelde gemeenschap. 3.6.2. Kennelijk bij vergissing heeft het Hof bij de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel het vorenstaande niet in acht genomen. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen en verstaan dat [J-M], kort gezegd, de vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld namens de gezamenlijke erfgenamen en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd ten behoeve van de gezamenlijke erfgenamen. (…) De Hoge Raad: - verstaat het dictum in de besteden uitspraak aldus dat: (…) ii) het Hof de verplichting aan de verdachte heeft opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van de erfgenamen [M] zoals hiervoor in 3.6.1. omschreven, ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.947.514,86” 1.3 Het CJIB heeft klager verzocht het openstaande bedrag te betalen. Tussen (de advocaten van) klager en het CJIB is vanaf eind 2019 gecorrespondeerd over de aan klager opgelegde schadevergoedingsmaatregel. 1.4 Bij brief van 5 november 2021 heeft verweerder, namens het CJIB, gereageerd op een brief van de advocaten van klagers van 28 juli 2021. Hij heeft laten weten dat er geen ruimte is voor (voortzetting van de) discussie over de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel en heeft gereageerd op aangevoerde bezwaren. In de brief schrijft hij onder meer: “Indien uw cliënt dit niet vóór 25 november 2021 heeft gedaan, zal het CJIB, gelet op de weigerachtige houding van uw cliënt om de schadevergoedingsmaatregel te voldoen, de inning, zo nodig met de inzet van dwangmiddelen, voortzetten.” 1.5 Bij brief van 24 november 2021 hebben klagers advocaten een reactie aan verweerder gestuurd. 1.6 Bij brief van 10 januari 2022 heeft verweerder, namens het CJIB, gereageerd en onder meer geschreven: “Zo lang het volledige bedrag niet is voldaan, zal het CJIB, zo nodig met de inzet van dwangmiddelen, de tenuitvoerlegging voortzetten.” 1.7 Bij brief van 1 februari 2022 hebben klagers advocaten een reactie aan verweerder gestuurd. 1.8 Bij brief van 18 maart 2022 heeft verweerder, namens het CJIB, gereageerd, verwezen naar zijn eerdere brieven en aangegeven dat het standpunt van de Staat nog onverkort geldt. 1.9 Bij brief van 31 maart 2022 hebben de advocaten van klager geconcludeerd dat verweerder niet voornemens is inhoudelijk op hun vragen in te gaan en dat nader inhoudelijk corresponderen met verweerder geen zin heeft. De advocaten van klager hebben in de brief gevraagd of verweerders reactie dient te worden aangemerkt als een reactie van/namens de Minister van Veiligheid en Justitie. Zij hebben ook verzocht over te gaan tot opschorting van de tenuitvoerlegging. 1.10 Bij brief van 24 juni 2022 heeft verweerder in reactie daarop laten weten dat zijn correspondentie kan worden gezien als een reactie namens de Staat. Ook heeft verweerder geschreven dat de Staat geen aanleiding noch grond ziet om tot schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan. 1.11 Uit een e-mail van de politie van 24 juli 2024 volgt dat klager in Nederland gesignaleerd staat in verband met een schadevergoeding. 1.12 Bij brief van 17 maart 2025 heeft het Hoofd Dienstverlening van het CJIB gereageerd op een brief van klagers advocaat van 23 december 2024. 1.13 Op 20 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. a) Verweerder heeft de kernwaarden deskundigheid en onafhankelijkheid geschonden. Klager wijst op de vier brieven van verweerder van 5 november 2021, 10 januari 2022, 18 maart 2022 en 24 juni 2022. Klager stelt dat zijn veroordeling onjuist is en dat de opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet kan worden geëxecuteerd, omdat die is opgelegd ten behoeve van een niet bestaande gemeenschap. Verweerder heeft het CJIB bevestigd in het juridisch onhoudbare standpunt dat er wel kan worden geëxecuteerd en heeft de discussie met het CJIB bemoeilijkt. Verweerder heeft zich in zijn vier brieven te partijdig en te weinig onafhankelijk van zijn cliënt opgesteld. Ook is het de vraag of hij voldoende deskundig is (met name in het erfrecht). Klager stelt dat verweerder niet laat blijken dat hij zich bewust is van de bijzondere positie van zijn cliënt (het CJIB/de Staat) in verhouding tot een burger (zoals klager). De machtspositie van zijn cliënt is een gegeven en dient een factor te zijn bij de concrete invulling van de kernwaarden. b) Verweerder heeft zich onnodig grievend over klager uitgelaten. Klager wijst op de brieven van 5 november 2021 en 18 maart 2022. Verweerder heeft daarin geschreven dat klager (geld) ‘heeft verduisterd’. Die woordkeuze is in het licht van de door klager opgeworpen onjuistheid van het arrest van de Hoge Raad niet goed te begrijpen. 2.2 Voor de ontvankelijkheid van de klacht wijst klager erop dat de brief van het CJIB van 17 maart 2025 mede aanleiding is voor de klacht, omdat deze brief doet vermoeden dat verweerder nog steeds bij de kwestie is betrokken, althans dat zijn adviezen uit 2021/2022 nog steeds een rol spelen bij de positiebepaling van het CJIB. De klacht is bovendien ingediend binnen drie jaar na de laatste directe brief van verweerder (van 24 juni 2022). Deze brief is niet los te zien van de brieven daarvoor en pas met die brief was de correspondentie afgerond. Klager doet verder een beroep op artikel 46g lid 2 Advocatenwet: hij stelt dat hij sinds 24 juli 2024 – minder dan één jaar voor de klacht is ingediend – wist dat hij gesignaleerd stond om te worden gegijzeld, dit (mede) als gevolg van de advisering van verweerder. Klager is daarom pas op 24 juli 2024 gebleken dat het CJIB geen afstand nam van de adviseren van verweerder en hem op basis hiervan zelfs zonder waarschuwing vooraf heeft laten signaleren ter aanhouding. Ook zijn de precieze gevolgen van de zaak nog steeds niet bekend en daarom is de termijn waarop hierover kan worden geklaagd nog open. 3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, althans kennelijk ongegrond is. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader ontvankelijkheid 4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. Beoordeling ontvankelijkheid klacht 4.2 De klacht ziet op de vier brieven die verweerder aan klagers advocaten heeft gestuurd in 2021 en 2022. Klager heeft zijn klacht op 20 juni 2025 ingediend. Gelet op de hiervoor genoemde termijn van drie jaar, zijn de eerste drie brieven (van 5 november 2021, 10 januari 2022 en 18 maart 2022) buiten die termijn ingediend. Alleen de brief van 24 juni 2022 valt binnen de driejaarstermijn. 4.3 De voorzitter is van oordeel dat klager zijn klacht over de eerste drie brieven te laat heeft ingediend. Het gaat niet om het geheel van correspondentie, maar om de individuele brieven van verweerder. Artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet heeft het namelijk over dat de klager op de hoogte was (of redelijkerwijs kon zijn) van de feiten waarover wordt geklaagd. Klager is steeds kort na verzending van elke brief op de hoogte geraakt van het handelen van verweerder. Hij was vanaf de eerste brief bekend met het standpunt dat verweerder namens zijn cliënt innam. Klager kon daar vanaf dat moment ook over klagen en had daarvoor drie jaar, gerekend vanaf elke individuele handeling. Klager heeft over de eerste drie brieven daarom niet tijdig geklaagd. Over de vierde brief van verweerder heeft hij wel tijdig geklaagd. De voorzitter zal daar hierna (onder 4.8 en 4.9) op ingaan. 4.4 Dat verweerder nog steeds bij de kwestie betrokken is, is door verweerder betwist en blijkt niet uit het klachtdossier. Dat zijn adviezen uit 2021/2022 nog steeds een rol spelen, maakt niet dat daar na afloop van de driejaarstermijn alsnog over geklaagd kan worden. 4.5 Klager doet een beroep op de uitzondering van artikel 46g lid 2 Advocatenwet. Klager is er kennelijk op 24 juli 2024 mee bekend geraakt dat hij gesignaleerd stond ter aanhouding om te worden gegijzeld. Klager was echter vanaf de eerste brief van verweerder er al mee bekend dat het CJIB zo nodig dwangmiddelen zou inzetten. Het gaat daarmee niet om informatie waarover klager pas na de driejaarstermijn beschikte. Dat klager daadwerkelijk gesignaleerd stond ter aanhouding is bovendien geen direct gevolg van het handelen van verweerder. Klagers beroep op artikel 46 lid 2 Advocatenwet slaapt daarom niet. 4.6 Dit betekent dat de klacht over de eerste drie brieven van verweerder te laat is ingediend en daarmee niet-ontvankelijk. De voorzitter zal hierover niet inhoudelijk oordelen. Inhoudelijk toetsingskader 4.7 De klacht over de vierde en laatste brief van verweerder (van 24 juni 2022) is wel tijdig ingediend. Daarvoor geldt het volgende toetsingskader. 4.8 Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Inhoudelijke beoordeling 4.9 De voorzitter ziet in de brief van 24 juni 2022 geen aanknopingspunten voor het verwijt dat verweerder de kernwaarden deskundigheid of onafhankelijkheid heeft geschonden. Verweerder heeft in zijn bericht – naar aanleiding van een vraag van klagers advocaten – duidelijk gemaakt dat zijn correspondentie kan worden gezien als een reactie namens de Staat. Verder heeft hij laten weten dat de Staat in hetgeen door klagers advocaten is aangevoerd geen grond ziet om tot schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan. Dat verweerder daarmee zijn ruime mate van vrijheid als partijdig belangenbehartiger te buiten is gegaan, is de voorzitter niet gebleken. De klacht over deze brief is daarom kennelijk ongegrond. Tot slot 4.10 De voorzitter merkt nog op dat de Advocatenwet voor de landsadvocaat of een advocaat die werkzaam is bij het kantoor van de landsadvocaat geen andere of zwaardere norm kent dan voor andere advocaten. 4.11 In de aanvulling van 9 februari 2026 verwijt klager verweerder onduidelijk te zijn geweest over zijn hoedanigheid en de daarmee samenhangende belangen en verantwoordelijkheden (schending van gedragsregel 9). Dat punt is pas na afronding van het onderzoek door de deken door klager naar voren gebracht. Dit staat op gespannen voet met artikel 46c van de Advocatenwet, waarin wordt bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat de deken daarnaar onderzoek instelt. De voorzitter laat dit verwijt daarom buiten beschouwing.
BESLISSING De voorzitter verklaart: - klachtonderdeel a), voor zover het ziet op de brieven van verweerder van 5 november 2021, 10 januari 2022 en 18 maart 2022, niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet;
- klachtonderdeel a), voor het overige, kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 46g Advocatenwet;
- klachtonderdeel b) niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet.
