Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:77

Zaaknummer

26-076/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 23 maart 2026

in de zaak 26-076/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

over

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 29 januari 2026 met kenmerk K25/53.Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van het e-mailbericht met bijlagen van klaagster van 30 januari 2026.

1 FEITEN 

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Tussen klaagster en haar zus is een geschil ontstaan over de nalatenschap van hun moeder. De zus van klaagster is de executeur in de nalatenschap. Medio november 2024 heeft klaagster zich tot verweerder gewend voor juridische bijstand in deze kwestie.

1.2 Op 10 maart 2025 heeft klaagster aan verweerder het volgende geschreven:

Ik maak me zorgen over de vertragingen in deze zaak. Telefonisch had ik al aangegeven niet blij te zijn met het feit dat je een week had gewacht om door te geven (al was het maar via jouw assistent) dat mijn zus de door ons gevraagde stukken had toegezonden. Het versturen van deze stukken door jouw assistent naar mijn e-mailadres op de dag van ons telefoongesprek verliep evenmin erg soepel, en je bent nu ook nog op vakantie tot maandag 10 maart.

Inmiddels heb ik je veel informatie doorgestuurd, waaronder een eigendomsbewijs van [adres], een nabijgelegen hoekwoning die in juli 2024 voor €450.000 werd verkocht. Hieronder heb ik een concept gemaakt voor een brief naar mijn zus, en ik wil graag dat je deze aan het eind van volgende week zal versturen. Aan jou te beoordelen of het schikkingsvoorstel in een en dezelfde brief moet worden opgenomen. Ik ben op dit emotioneel onvoldoende toegerust om de makelaar te bellen die mijn zus heeft ingeschakeld teneinde hem over te halen bepaalde info met mij te delen, maar ik denk dat we met de informatie die ik heb opgezocht al een schikkingsvoorstel kunnen doen. Ik verwacht het concept voor deze brief uiterlijk woensdag 12 maart te ontvangen.

1.3 Verweerder heeft op dezelfde dag gereageerd en aan klaagster het volgende geschreven:

Ik lees net jouw mail waarin je je ongenoegen uit. Dat betreur ik. Tegelijkertijd bespeur ik bij mijzelf het gevoel dat jij en ik in de aanpak van deze zaak niet matchen. Ik heb daarom besloten te stoppen met de zaak.

Bij deze het vriendelijke verzoek aan jou mij de naam door te geven van de opvolgend advocaat zodat ik, indien jij dit wenst het dossier naar de opvolger kan sturen. Ik wens je oprecht veel succes toe bij de verdere afwikkeling van deze kwestie. Het ga je goed.

1.4 Klaagster heeft vervolgens op dezelfde dag nog gereageerd en aan verweerder het volgende geschreven.

Daarvoor kies je wel een ontzettend ongelukkig moment uit. De slechte timing kan mijn zaak veel schade berokkenen, vooral omdat ik belangrijke info heb gevonden inzake precies hetzelfde hoekhuis dat voor meer dan €50.000 is verkocht in vergelijking met de woning van mijn moeder. Welke aanpak had jij dan in gedachten die niet zou matchen met mijn aanpak? Het was toch de bedoeling om mijn zuster, nadat zij alle vragen had beantwoord, uiteindelijk een schikkingsvoorstel te doen?

1.5 Verweerder heeft op dezelfde dag vervolgens aan klaagster nader toegelicht waarom hij zich aan de zaak onttrekt:

De reden om afscheid te nemen van de zaak zit hem niet In de aanpak of verschil in visie daarover. Het zit hem erin dat Ik vind dat wij absoluut niet fijn meer met elkaar communiceren. Zo lees ik na terugkomst een dikgedrukte deadline terug in jouw mail van vanochtend. Dat komt op mij te dwingens over. Ik herinner je er nog aan dat ik je vlak voor mijn vakantie deelgenoot heb gemaakt van mijn irritatie omdat jij bezwaar had dat ik op vakantie ging. Ik heb toen duidelijk voorgehouden dat als het aan mijn klanten ligt ik nooit met vakantie ga en dus toch ga.

Wat hiert erde rallemaal van zij, ik merk dat ik mij zo langzamerhand steeds meer bezwaard ga voelen als ik jou aan de lijn heb en dat voelt voor mij niet goed. Dat zou overigens zomaar meer over mijzelf kunnen zeggen dan over jou, maar feit is wel dat ik zo niet voort wil.

In deze valt overigens ten enenmale niet in te zien waarom ik jou schade zou berokkenen als ik nu afscheid neem van deze zaak. Het staat je volkomen vrij, een andere advocaat aan de hand van de gegevens, die inmiddels boven water zijn gekomen (die inderdaad nog aanvulling behoeven vanuit jouw zus) voort te laten gaan met de zaak, om de stelling te onderzoeken of jouw zus inderdaad de woning voor een veel te lage prijs van de hand heeft gedaan. Dat daar sprake van is staat voor mij overigens vooralsnog niet vast. Daar zal eerst onderzoek naar gepleegd moeten worden aan de hand van een deskundige taxatie, waarbij ik dan ook maar meteen aanteken dat niet ieder verschil tussen de verkoopprijs en een hoger getaxeerde waarde meteen de stelling rechtvaardigt dat jouw zus de boedel en daarmee jou, tekort zou hebben gedaan.

Schade berokkenen zou slechts aan de orde zijn als ik voor jou een processuele handeling zou verrichten of naar zitting zou moeten gaan en jou vervolgens ontijdig bericht dat ik jou niet meer bijsta, waardoor jij in een procedure schade oploopt. Schade kan ook aan de orde zijn als er termijnen zijn die ik veilig heb te stellen (bijvoorbeeld verjaring tijdig stuiten) en verzuim dat te doen. Van dit alles is geen sprake.

Tot zover even mijn reactie op jouw mail. Ik hoop hiermee voldoende duidelijk te hebben gemaakt Waarom ik vanochtend afscheid heb genomen van de zaak.

1.6 Bij webformulier van 10 maart 2025 heeft klaagster een klacht ingediend tegen verweerder bij de deken.

1.7 In een e-mail van 14 maart 2025 heeft verweerder de executeur geïnformeerd dat hij klaagster niet meer bijstaat in de procedure.

1.8 Op 24 maart 2025 heeft klaagster zich tot de interne klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder gewend. Op 7 april 2025 heeft deze interne klachtenfunctionaris geoordeeld dat de klachten van klaagster ongegrond zijn.

 

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) zich op onzorgvuldige wijze te onttrekken aan de zaak.

b) de behandeling van de zaak onnodig te vertragen en gebrekkig te communiceren.

c)vcontact op te nemen met de wederpartij zonder dit met klager te overleggen.

d) klager onvoldoende te adviseren, de op verweerder rustende zorgplicht te schenden en de juridische haalbaarheid onjuist in te schatten.

 

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4 BEOORDELING

Maatstaf

4.1 Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht

Klachtonderdelen a) en c)

4.2 Uit gedragsregel 14 lid 2 volgt dat de advocaat zich moet terugtrekken, als tussen de advocaat en zijn cliënt verschil van mening bestaat over de wijze waarop de opdracht moet worden uitgevoerd en dit geschil niet in onderling overleg kan worden opgelost. Uit gedragsregel 14 lid 3 volgt dat wanneer een advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, hij dit op zorgvuldige wijze dient te doen en er voor moet zorgen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.

4.3 De voorzitter is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de ontstane vertrouwensbreuk naar aanleiding van de manier van communiceren van klaagster, kon en mocht onttrekken aan de zaak van klaagster. Verweerder heeft die beslissing vervolgens in duidelijke bewoordingen aan klaagster kenbaar gemaakt. Dat verweerder zich op een onzorgvuldige wijze heeft onttrokken of dat klaagster van de onttrekking onnodig nadeel heeft ondervonden, is niet gebleken.

4.4 Klaagster verwijt verweerder verder dat hij - zonder toestemming van klaagster - na de onttrekking contact met de executeur heeft opgenomen. De voorzitter volgt klaagster niet in dit verwijt. Verweerder heeft na de onttrekking aan de executeur laten weten dat hij klaagster in deze zaak niet meer bijstaat. Naar het oordeel van de voorzitter behoort een advocaat andere procesdeelnemers te informeren over een onttrekking. Het stond verweerder dan ook vrij om dit - ook zonder toestemming van klaagster - te doen.   

4.5 De voorzitter is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze klachtonderdelen worden daarom kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.6 Klaagster stelt dat verweerder de behandeling van de zaak onnodig heeft vertraagd omdat verweerder belangrijke stukken afkomstig van haar zus gedurende een week onder zich gehouden zonder klaagster hierover te informeren. Verweerder bevestigt dat een week nadat zijn kantoor deze stukken had ontvangen, hij deze nog niet aan klaagster had gestuurd. Nadat klaagster hem daarop had gewezen, heeft verweerder daar alsnog voor gezorgd.

4.7 De voorzitter is van oordeel dat het beter was geweest als verweerder deze stukken eerder aan klaagster had doorgestuurd. Dit handelen is echter niet van voldoende gewicht om verweerder daarover een tuchtrechtelijk verwijt te maken. De voorzitter acht daarbij van belang dat niet is gebleken dat (de zaak van) klaagster door deze beperkte vertraging is benadeeld. Dit klachtonderdeel wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel d)

4.8 Klaagster stelt dat verweerder heeft verzuimd om haar tijdig en duidelijk te informeren over de juridische haalbaarheid van het aansprakelijk stellen van haar zus. Verweerder stelt dat hij klaagster hierover niet verkeerd heeft geadviseerd. Hij heeft klaagster geen gouden bergen beloofd en juist bij gebrek aan zicht op de volledige feiten, eerst de makelaar nog nadere vragen gesteld. Verweerder heeft zich daardoor nog geen (voorlopig) oordeel kunnen vormen, aldus verweerder.

4.9 Bij deze stand van zaken kan de voorzitter niet vaststellen of de stelling van klaagster dat verweerder haar niet goed heeft geïnformeerd, juist of onjuist is. Dit blijkt niet uit de stukken in het klachtdossier en dat wordt door verweerder betwist. Daarbij is nog van belang dat uit de enkele omstandigheid dat de nieuwe advocaat van klaagster haar anders heeft geadviseerd over de haalbaarheid van de zaak - wat verweerder overigens betwist - niet de conclusie kan worden getrokken dat verweerder haar (op een tuchtrechtelijk verwijtbare wijze) onjuist heeft geadviseerd. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M.H van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.

 

Griffier                                                                                                                         Voorzitter

 

Verzonden op: 23 maart 2026