Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:68

Zaaknummer

25-409/AL/MN

Inhoudsindicatie

ongegrond verzet

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 23 maart 2026

in de zaak 25-409/AL/MN

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 18 augustus 2025 op de klacht van:

 

klager

 

over

 

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief van 18 juli 2024, ontvangen op 24 juli 2024. heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 23 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2360656/MK van de deken ontvangen.

1.3 Bij beslissing van 18 augustus 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond en klachtonderdelen b) en c) niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief gedateerd 10 september 2025, ontvangen op 16 september 2025, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026 . Daarbij waren klager (digitaal) en verweerder aanwezig.

1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift .

 

2 VERZET

2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:

I) ten onrechte heeft de voorzitter overwogen dat klager te laat heeft geklaagd, omdat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld, misbruik van de omstandigheden van klager als kwetsbare gedetineerde zonder inkomen heeft gemaakt en belangrijke informatie heeft verzwegen over recht op gesubsidieerde rechtsbijstand, en klager daar pas na mei 2024 mee bekend is geworden;

II) de voorzitter heeft miskend dat verweerder ondeskundig voor klager is opgetreden en heeft nagelaten om hem te verdedigen, met alle ernstige gevolgen van dien;

III) de voorzitter heeft miskend dat verweerder meineed heeft gepleegd door herhaaldelijk en opzettelijk te stellen dat klager het EHRM-arrest van hem had ontvangen. Dat arrest heeft verweerder pas op 4 september 2024 naar de deken gestuurd, waarmee klager na doorzending daarvan pas toen bekend is geworden. Ook daarom is klager ontvankelijk in zijn klacht;

IV) de voorzitter heeft miskend dat verweerder meineed heeft gepleegd door herhaaldelijk en opzettelijk te stellen dat klager het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2022 van hem had ontvangen. Dat arrest heeft verweerder hij pas op 4 september 2024 naar de deken gestuurd, waarmee klager na doorzending daarvan pas toen bekend is geworden. Ook daarom is klager ontvankelijk in zijn klacht.

2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.

 

3 FEITEN EN KLACHT

Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.

 

4 BEOORDELING

4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.

4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. Het eerst ter zitting geformuleerde verzoek tot toekenning van schadevergoeding is door klager tardief gedaan zodat daarover niet zal worden geoordeeld.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. M. Lont en H.K. Scholtens, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.

 

Griffier                                                                                        Voorzitter

 

Verzonden op: 23 maart 2026