Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:79

Zaaknummer

26-035/AL/NN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 12 maart 2026 in de zaak 26-035/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:

klaagster  oververweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 15 januari 2026 met kenmerk 2024 KNN148 / 2435694.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Verweerster heeft klaagster gedurende een aantal jaren bijgestaan in diverse zaken, waaronder procedures tegen de Gemeente [plaats] en het UWV.  1.2    Begin november 2024 heeft klaagster aan verweerster doorgegeven dat zij wilde dat mr. W. te [plaats] haar nog lopende dossiers tegen het UWV en de Gemeente [plaats] zou overnemen. Klaagster heeft verzocht om de dossiers aan haar toe te sturen, zodat zij deze aan mr. W. kon verstrekken. Verweerster heeft op 11 en 12 november 2024 de dossiers digitaal aan klaagster gestuurd.  1.3    Op 13 november 2024 heeft klaagster aan verweerster gemaild dat mr. W. haar dossiers niet wilde aannemen en zij verzocht verweerster om de dossiers weer in behandeling te nemen.  1.4    Op 15 november 2024 heeft verweerster aan klaagster gemaild dat zij vanaf januari 2025 cursussen ging maken en geven, dat zij haar praktijk ging afbouwen om dit te kunnen doen en dat zij geen ruimte had om de dossiers weer terug te nemen. 1.5    Na dit e-mailbericht hebben verweerster en klaagster telefonisch nog met elkaar gesproken en zij hebben afgesproken dat klaagster nog vragen kon stellen aan verweerster, zolang zij nog geen nieuwe advocaat had gevonden. 1.6    Op 9 december 2024 hebben klaagster en verweerster voor het laatst telefonisch met elkaar gesproken en is afgesproken dat verweerster het UWV nog zou benaderen met het verzoek om klaagster een uitnodiging te sturen om het dossier vanaf 2002 te komen inzien.  1.7    Op 27 december 2024 heeft verweerster aan klaagster gemaild dat zij ervoor zou zorgen dat de dossiers ook nog op papier naar haar toe zouden komen.  1.8    Op 20 december 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: a)    de dossiers van klaagster niet terug te nemen, omdat zij haar praktijk aan het afbouwen was, maar vervolgens nog wel andere cliënten bij te staan;  b)    de dossiers niet in papiervorm aan klaagster toe te willen sturen;  c)    haar zaken niet deskundig genoeg te hebben behandeld. 

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Maatstaf 4.1    Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.Klachtonderdeel a)  4.2    Klaagster verwijt verweerster dat zij haar zaak niet heeft willen aannemen. Anders dan klaagster heeft betoogd, stond het verweerster vrij om die beslissing te nemen. Een advocaat is niet verplicht om een zaak aan te nemen en de omstandigheid dat verweerster klaagster eerder wel heeft bijgestaan, maakt dat niet anders. Het was bovendien de beslissing van klaagster zelf om zich in eerste instantie niet meer door verweerster te laten bijstaan. Verweerster heeft haar beslissing vervolgens gemotiveerd  en tijdig aan klaagster doorgegeven. Verweerster heeft daarmee gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Zowel de beslissing van verweerster om klaagster niet als advocaat bij te staan, als de wijze waarop verweerster die beslissing aan klaagster heeft gecommuniceerd, is derhalve niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het voorgaande betekent dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond zal worden verklaard.Klachtonderdeel b) 4.3    Klaagster stelt dat verweerster de dossiers niet in papieren vorm aan haar wilde sturen. Verweerster heeft hierover aangevoerd dat zij de digitale dossiers aan klaagster heeft gestuurd. Op verzoek van klaagster heeft zij daarna ook de dossiers op papier aan klaagster gestuurd. Omdat klaagster haar stelling niet verder heeft onderbouwd en verweerster dit verwijt gemotiveerd heeft betwist, is de juistheid van deze stelling van klaagster en daarmee de gegrondheid van dit klachtonderdeel niet komen vast te staan. Dat leidt ertoe dat de voorzitter dit klachtonderdeel ongegrond zal verklaren. Klachtonderdeel c) 4.4    Klaagster stelt ten slotte dat verweerster haar zaken niet deskundig heeft behandeld. De voorzitter overweegt dat het aan de klagende partij is om een begin van een onderbouwing te geven van een verwijt dat zij maakt aan het adres van een verwerend advocaat. Het alleen poneren van verwijten is onvoldoende. Pas als een begin van een onderbouwing door de klagende partij is geleverd, is het voor de verwerend advocaat mogelijk om daar gemotiveerd verweer tegen te voeren en dat met stukken te onderbouwen. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van de voorzitter algemeen gesteld en niet met concrete feiten of met relevante stukken onderbouwd. Verweerster heeft dat verwijt ook betwist. Nu een feitelijke onderbouwing van het verwijt ontbreekt, is de juistheid daarvan en de gegrondheid van de klacht niet komen vast te staan. Dat leidt ertoe dat de raad ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond zal verklaren. 

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.   

Griffier                                              Voorzitter

Verzonden d.d. 12 maart 2026