Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

25-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:69

Zaaknummer

26-086/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 25 maart 2026 in de zaak 26-086/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 2 februari 2026 met kenmerk R 2026/008 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 13. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van verweerster van 13 februari 2026.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Verweerster was voorheen langdurig werkzaam bij een ziekenhuis in een niet-juridisch functie. Daarna is zij advocaat geworden. Zij is in 2011 overgestapt naar een ander advocatenkantoor. 1.2    Verweerster heeft klager en zijn wettelijk vertegenwoordigers tussen 2009 en 2013 bijgestaan in een aansprakelijkheidsprocedure tegen het ziekenhuis waar zij zelf werkzaam was. De rechtbank heeft klager en zijn vader op 4 december 2013 in het ongelijk gesteld omdat de claim verjaard was. 1.3    Op 13 november 2013 is de arbeidsovereenkomst van verweerster bij het advocatenkantoor geëindigd vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Op 31 december 2013 is verweerster uitgeschreven als advocaat. 1.4    Op 11 februari 2024 heeft het kantoor van verweerster aan klager en zijn wettelijk vertegenwoordigers geadviseerd dat een hoger beroep niet opportuun is. 1.5    Klager is in 2014 meerderjarig geworden.  1.6    Op 10 november 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. a)    Verweerster heeft klagers vader niet geïnformeerd dat de verjaringstermijn opnieuw zou gaan lopen vanaf klagers achttiende verjaardag; b)    Verweerster heeft in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid en integriteit gehandeld, door niet te melden dat zij langdurig bij het ziekenhuis in dienst is geweest. Verweerster had de zaak niet mogen behandelen en had zich moeten onttrekken; c)    Verweerster heeft in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid en integriteit gehandeld, doordat zij niet gemeld heeft dat zij persoonlijke en/of professionele banden met de advocaat van het ziekenhuis had; d)    Verweerster heeft niet duidelijk gecommuniceerd waar klagers dossier lag, toen zij bij een ander advocatenkantoor ging werken. 2.2    Klager heeft toegelicht dat hij de dienstverbanden van verweerster pas recent heeft ontdekt op haar LinkedIn-pagina, waardoor hij niet eerder een klacht kon indienen. Ook heeft klager toen pas ontdekt dat verweerster de advocaat van het ziekenhuis op LinkedIn volgt en berichten van hem en zijn kantoor liket. 

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).  4.2    De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. Beoordeling 4.3    Klager heeft zijn klacht in 2025 ingediend, terwijl verweerster haar beroep van advocaat al in 2013 heeft neergelegd. De driejaarstermijn is dus al ruimschoots verstreken. Klager heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom klachtonderdelen a) en d) toch ontvankelijk zouden moeten zijn vanwege het tweede lid van artikel 46g Advocatenwet. Die zijn de voorzitter ook niet gebleken. Over klachtonderdelen b) en c) heeft klager aangevoerd dat hij pas recent op de LinkedIn-pagina van verweerster heeft gekeken. Dat kan zo zijn, maar daaruit blijkt nog niet dat hij niet al veel eerder op de LinkedIn-pagina van verweerster heeft kunnen kijken. Hij kon dus al eerder over die informatie beschikken. Ook daarin wordt dus geen reden gezien om klager toch ontvankelijk te achten. De voorzitter zal klager dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn klacht.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 en onder a, van de Advocatenwet, niet-ontvankelijk.