Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:71
Zaaknummer
25-691/AL/GLD
Inhoudsindicatie
ongegrond verzet
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 23 maart 2026
in de zaak 25-691/AL/GLD
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 1 december 2025 op de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 29 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 9 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 25/87 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 1 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Op 25 december 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026 . Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift .
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
I) in punt 1.1 van de beslissing staat een onjuiste feitelijke weergave die strijdig is met de originele splitsingsakte van 27 november 1970 en de kadastrale bescheiden. Daaruit blijkt dat vanaf genoemde datum slechts twee hoofdverenigingen van eigenaren zijn opgericht op twee afzonderlijk geheel percelen elk met drie afzonderlijk geheel appartementen. De latere herformulering van deze rechtsverhouding is kunstmatig geconstrueerd en is aantoonbaar gebruikt om beslaglegging en executie jegens klager mogelijk te maken. Door deze onjuiste feitenvaststelling is door de voorzitter tevens aansluiting gezocht bij een vermeend arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 september 2022, welk arrest niet rechtsgeldig is uitgesproken, niet op de rol heeft gestaan en volgens het audiëntieblad niet voorkwam op het weekoverzicht;
II) de beslissing van de voorzitter is niet conform de wet en niet volgens de geldende interne regels tot stand gekomen en daardoor nietig. De zaak van klager stond niet vermeld op de openbaar door klager geraadpleegde zittingsagenda van de raad van 1 december 2025. Klager is ook niet voor die zitting opgeroepen. Omdat geen openbare zitting heeft plaatsgevonden in de zaak van klager is daarin geen openbare uitspraak gedaan. De beslissing van 1 december 2025 is ondertekend door een andere voorzitter en griffier dan vermeld op de zittingsagenda van de raad van 1 december 2025. In strijd met artikel 121 Grondwet en artikelen 5 tot en met 12 Advocatenwet en de interne regels van de raad is de beslissing van de voorzitter van 1 december 2025 op een andere datum, door een ander college, buiten de openbare behandeling en buiten de agenda om genomen. Ten onrechte is onderaan de beslissing van de voorzitter vermeld dat de beslissing openbaar is uitgesproken;
III) de beslissing van de voorzitter is gebaseerd op onjuiste aannames, nu sprake is van nieuwe feiten die volgen uit de bijlagen bij het verzetschrift, waaronder de e-mail van klager en de ambtelijke stukken van griffier V. en het audiëntieblad van 20 september 2022 om 10.00 uur. Dit stuk bestond ten tijde van zijn eerdere klacht in januari 2023 nog niet. De raad dient daarom alsnog een inhoudelijke beoordeling over de klacht te geven en kan daarbij uitgaan van erkenning van het verweten handelen door verweerder door zijn stilzwijgen;
IV) ten onrechte heeft de voorzitter overwogen dat sprake is van misbruik van klachtrecht, omdat sprake is van evident nieuwe feiten en omstandigheden die niet eerder bekend konden zijn bij klager;
V) ten onrechte heeft de voorzitter het ne bis in idem-beginsel juridisch toegepast, terwijl geen sprake was van een eerdere tuchtrechtelijke uitspraak, de klacht van klager nooit inhoudelijk is beoordeeld en slechts op administratieve gronden - niet betalen van griffierecht - is gesloten.
2.2 Tegen de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op. Tegen de vastgestelde feiten is klager deels opgekomen zoals hiervoor in de verzetgronden vermeld.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Het als nieuw document ingediende audiëntieblad maakt dit niet anders.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq , voorzitter, mrs. M. Lont en H.K. Scholtens, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
