Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:70
Zaaknummer
25-540/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Verzet. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 23 maart 2026
in de zaak 25-540/AL/GLD
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 13 oktober 2025 op de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 september 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 12 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 24/108 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 13 oktober 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 23 oktober 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026 . Daarbij waren klager en verweerder beiden via een Teams-verbinding aanwezig.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift .
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat in de voorzittersbeslissing feitelijke onjuistheden staan:
I) Klager ondervindt wel nadelen, want hij kan zijn schade niet regelen. Bij een civiele procedure was dit anders geweest, want dan had de rechter hier een oordeel over kunnen geven. Dat is nu niet gedaan door het inzetten van een deelgeschil.
II) Verweerder had klager moeten bijstaan tot het einde, want dat had hij aangegeven.
III) Het arrest van het gerechtshof Amsterdam was al bekend vlak voor de uitspraak van het deelgeschil en de deelgeschil-rechter heeft niets met het arrest gedaan.
IV) Verweerder heeft een toevoeging aangevraagd die ook is toegekend. Verweerder heeft dubbel geclaimd en dubbel betaald gekregen.
2.2 Tegen de klachtomschrijving als zodanig komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de (overige) feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat de voorzitter een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. De verzetgronden zouden kunnen worden opgevat als zou de voorzitter van onjuiste of onvolledige feiten zijn uitgegaan.
4.3 De stelling dat klager nadeel ondervindt van het instellen van een deelgeschil kan de raad niet volgen. Het staat klager vrij om alsnog een bodemzaak te beginnen. Bovendien slaat de overweging van de voorzitter ten aanzien van het geen nadeel ondervinden op het aanvragen van de toevoeging door verweerder. Die toevoeging heeft verweerder aangevraagd voor het geval hij niet van de rechtsbijstandverzekeraar een vergoeding zou ontvangen, wat op het moment van aanvragen van die toevoeging nog niet duidelijk was. Verweerder heeft verklaard dat hij van de toevoeging geen gebruik heeft gemaakt en dat ook niet zal doen. De toevoeging is nog niet ingetrokken, zodat een nieuwe advocaat van klager deze (ongebruikt) kan overnemen. Een opvolgend advocaat heeft zich vooralsnog niet gemeld bij verweerder.
4.4 De verzetgrond dat verweerder klager niet tot het einde heeft bijgestaan is een herhaling van een klachtonderdeel. Verweerder heeft ook in de verzetzaak nog eens toegelicht waarom hij de samenwerking met klager heeft beëindigd; namelijk omdat klager – in de woorden van verweerder – verweerder besodemieterd heeft door verweerder niet te melden dat klager eerder voor fraude was veroordeeld. Dat volgde uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam.
4.5 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.5 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg , voorzitter, mr. E.H.M. Harbers en mr. G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
