Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

16-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:58

Zaaknummer

25-789/A/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. De raad oordeelt dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster geen sprake is. In het dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van het verwijt dat verweerster klager onder druk heeft gezet om de afstandsverklaring te tekenen. Het stond verweerster vrij om in het belang van haar cliënte aan klager te berichten dat zij een procedure zal starten als klager weigert te tekenen en dat zij de schuldhulpverlener van klager als getuige zal oproepen. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 16 maart 2026 in de zaak 25-789/A/A naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerster 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 7 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. Op 25 april 2025 heeft klager zijn klacht aangevuld. 1.2    Op 14 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2485196/EvR/AP van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 2 februari 2026. Daarbij was verweerster aanwezig. Verweerster is ter zitting bijgestaan door mr. F.G. Schalker. Klager is, met bericht vooraf, niet verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 19 november 2025.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager is met zijn ex-echtgenote verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Verweerster staat de ex-echtgenote hierin bij. 2.3    Klager en de ex-echtgenote hebben de Wet verevening pensioenrechten van toepassing verklaard. 2.4    Op 16 februari 2024 had klager een achterstand in de betaling van kinderalimentatie aan de ex-echtgenote. De ex-echtgenote heeft geen afstand gedaan van deze alimentatievordering vanwege een aanvraag van een schuldsaneringsregeling voor klager. 2.5    Op 21 mei 2024 heeft klager een verzoek als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet  en een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. Mevrouw C. was daarbij betrokken als zijn schuldhulpverlener. De zitting was gepland op 29 augustus 2024. De ex-echtgenote was bereid af te zien van haar alimentatievordering als klager afstand zou doen van het door haar opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen. 2.6    Op 26 augustus 2024 heeft klager telefonisch aan verweerster doorgegeven dat hij bereid is afstand te doen van zijn deel van het door de ex-echtgenote opgebouwde pensioen bij het pensioenfonds UWV als zij akkoord gaat met de schuldsaneringsregeling en de zitting op 29 augustus 2024 niet door hoeft te gaan. 2.7    Op 28 augustus 2024 heeft klager verweerster bericht dat hij van het pensioenfonds UWV heeft vernomen dat een getekende afstandsverklaring voldoende is. Dezelfde dag heeft verweerster een afstandsverklaring aan klager gemaild. Klager heeft deze verklaring ondertekend. Later bleek dat deze afstandsverklaring een fout bevatte, aangezien in deze verklaring abusievelijk het partnerpensioen en het nabestaandenpensioen zijn vermeld in plaats van het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen.  2.8    Op 5 september 2024 heeft pensioenfonds UWV een brief met formulier aan klager gestuurd. Klager heeft vervolgens geweigerd het formulier van het pensioenfonds met daarin een nieuwe, juiste, afstandsverklaring te ondertekenen.  2.9    Vervolgens hebben verweerster en klager met elkaar gemaild over de afstandsverklaring. Op 5 maart 2025 heeft verweerster klager gemaild: ‘Cliënte heeft mij opdracht gegeven om een procedure te starten aangezien u tot op heden de afstandsverklaring die u heeft ontvangen van het pensioenfonds UWV niet heeft geretourneerd.

Als bijlage 1 treft u aan de mail van het pensioenfonds met de bevestiging dat u zelf op 28 augustus 2024 contact heb opgenomen met het pensioenfonds met de vraag hoe u afstand kan doen van verevening van het ouderdomspensioen. Als bijlage 2 treft u aan een mail van het pensioenfonds met de bevestiging dat zij op basis van een rechterlijke uitspraak de afspraak in hun administratie kunnen vastleggen. (…) Indien u weigert de afstandsverklaring te tekenen en te retourneren dan zal ik namens cliënte een procedure starten waarbij bijgevoegde mails zullen worden overlegd en mevrouw [C] als getuige zal worden opgeroepen. De kosten van deze procedure zullen op u verhaald worden. (…) Voor meer informatie adviseer ik u contact op te nemen met een eigen advocaat.’ 2.10    Op 5 maart 2025 heeft klager verweerster bericht dat de zaak voor hem gesloten is. Daarop heeft verweerster klager bericht dat zij namens de ex-echtgenote een procedure zal starten. 2.11    Op 1 april 2025 heeft klager verweerster gemaild dat hij het niet eens is met haar werkwijze in het volgens hem reeds afgehandelde dossier en vraagt hij een reactie op een aantal vragen en een bevestiging dat de zaak is afgedaan. 2.12    Op 27 juni 2025 heeft verweerster namens de ex-echtgenote een dagvaarding uitgebracht en aan klager laten betekenen.  2.13    Op 27 en 28 juni 2025 en op 1 en 2 juli 2025 heeft klager naar het e-mailadres van verweerster gemaild. 2.14    Op 2 juli 2025 heeft verweerster gereageerd op de e-mails van klager: ‘Afgelopen maandag ben ik teruggekeerd van vakantie. Nu u uw mails niet naar het dossier maar naar een intern mailadres/mailadres voor instanties heeft gestuurd heeft u waarschijnlijk geen afwezigheidsmelding ontvangen. (…) In het dossier zie ik dat u gisteren een terugbelverzoek heeft achter gelaten. Inmiddels heb ik uw mails gezien maar in verband met spoedzaken heb ik dit dossier nog niet kunnen oppakken. Naar verwachting zal ik hier vanmiddag tijd voor hebben en ik zal u dan ook uiterlijk morgen informeren. (…)’

2.15    Op 3 juli 2025 hebben partijen een schikking bereikt en is de zitting op 9 juli 2025 niet doorgegaan.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:  a)    verweerster heeft klager onder druk gezet om een document te ondertekenen over het ouderdomspensioen wat niet tussen partijen was overeengekomen. Klager heeft meerdere malen gevraagd om bewijsstukken dat dit tussen partijen zou zijn overeengekomen, maar verweerster heeft daaraan geen gevolg gegeven. Verweerster dreigde met het starten van een procedure als klager niet aan het verzoek van het tekenen van het document zou voldoen; b)    verweerster is na het uitbrengen van de dagvaarding niet bereikbaar gebleken voor verleg om klager onnodige kosten te besparen of om tot een oplossing te komen in het achterliggende geschil. 3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerster op dat klager en haar cliënte overeen zijn gekomen dat klager afstand doet van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen van de ex-echtgenote, maar dat klager door een verschrijving onder de overeenkomst probeert uit te komen. Van rauwelijks dagvaarden is volgens verweerster geen sprake, omdat zij klager heeft verzocht de juiste verklaring te ondertekenen, zij klager erop heeft gewezen dat zij mevrouw C., de schuldhulpverlener van klager als getuige zal oproepen en zij klager heeft geadviseerd contact op te nemen met een eigen advocaat.

Verder voert verweerster aan dat klager na betekening van de dagvaarding op 27 juni 2025 diverse mails aan haar heeft gestuurd met het verzoek om in overleg te treden, maar dat zij tot 30 juni 2025 met vakantie was en klager niet naar het juiste e-mailsadres had gemaild. Volgens verweerster stond in het juiste mailadres een afwezigheidsmelding aan. Tot slot merkt verweerster op dat klager op 1 juli 2025 heeft voorgesteld de afstandsverklaring alsnog te tekenen voor een bedrag van € 750 en dat de zaak op 3 juli 2025 is geschikt. Volgens verweerster gaf klager daarbij aan tevreden te zijn met de bereikte schikking maar dat hij zijn klacht niet wilde intrekken.  4.2    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2    In familierechtkwesties moet de advocaat er bovendien voor waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: -    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, -    het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, -    het verloop van het geschil tot dan toe en -    de kans op succes van de procedure. Klachtonderdeel a) is ongegrond

5.3    De raad oordeelt dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster geen sprake is. In het dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van het verwijt dat verweerster klager onder druk heeft gezet om de afstandsverklaring te tekenen. Klager was met zijn ex-echtgenote overeengekomen dat hij afstand zou doen  van zijn deel van het door de ex-echtgenote opgebouwde ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen bij het pensioenfonds UWV en dat de ex-echtgenote in ruil daarvoor akkoord zou gaan met de schuldsaneringsregeling voor klager. Daarna heeft klager echter geweigerd een nieuwe afstandsverklaring te tekenen, nadat in de eerdere door klager ondertekende afstandsverklaring per abuis een fout was geslopen. Het stond verweerster gelet op deze omstandigheden vrij om in het belang van haar cliënte aan klager te berichten dat zij een procedure zal starten als klager weigert te tekenen en dat zij de schuldhulpverlener van klager als getuige zal oproepen. De omstandigheid dat klager hierdoor druk vanuit verweerster heeft ervaren, betekent niet dat verweerster klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond. Klachtonderdeel b) is ongegrond 5.4    Het is de raad niet gebleken dat verweerster na het uitbrengen van de dagvaarding niet bereikbaar was voor overleg of om tot een oplossing te komen. Uit de overgelegde stukken, waaronder de e-mail van verweerster van 2 juli 2025 aan klager (zie 2.14) blijkt dat verweerster, kort na terugkomst van haar vakantie, op de e-mails van klager – die niet naar het juiste (dossier-)e-mailadres waren gestuurd – heeft gereageerd en dat een dag na deze reactie een schikking tussen partijen is bereikt. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster is gelet op deze gang van zaken geen sprake. Klachtonderdeel b) is dan ook ongegrond. 

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. C.C. Horrevorts en J. Schulp, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op   16 maart 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 16 maart 2026