Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:40
Zaaknummer
25-430/DB/LI
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening in alle onderdelen ongegrond. De raad is niet gebleken dat verweerder bij het voeren van verweer en het onderbouwen van de vordering tot schadevergoeding steken heeft laten vallen. Evenmin is gebleken dat verweerder klager onvoldoende heeft geïnformeerd. Verweerder heeft klager uitvoerig geïnformeerd over de mogelijkheden en onmogelijkheden en de (kleine) kans van slagen van de door klager aanhangig gemaakte kort geding procedure. Ook heeft verweerder aan klager uitgelegd wat hij in de “akte verduidelijking eis” namens klager naar voren kon brengen. Dat de rechtbank deze na de zitting ingediende akte heeft toegestaan is uitzonderlijk. Om invulling te geven aan het beginsel van hoor en wederhoor heeft de rechtbank [naam verzekeraar] in de gelegenheid gesteld om op de akte te reageren middels een antwoordakte. [naam verzekeraar] heeft van die gelegenheid gebruikt gemaakt, waarna de rechtbank zich kennelijk voldoende geïnformeerd achtte en heeft bepaald dat vonnis moest worden gewezen. Dat de rechtbank verweerders reactie op de door [naam verzekeraar] ingediende antwoordakte vervolgens heeft geweigerd kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. De klacht dat verweerder de interne klachtprocedure onredelijk, onbillijk en onevenredig lang op zijn beloop heeft gelaten mist feitelijke grondslag en is daarom eveneens ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 23 maart 2026
in de zaak 25-430/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 november 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 27 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-120 van de deken ontvangen.
1.3 Op 3 augustus 2025 heeft klager verzocht om de wraking van de (plaatsvervangend) voorzitter van de raad. De wrakingskamer van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, als plaatsvervanger van de wrakingskamer van de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, heeft bij beslissing van 13 oktober 2025 (ECLI:NL:TADRARL:2025:225) het verzoek tot wraking ongegrond verklaard.
1.4 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Verschenen is verweerder. Klager is niet verschenen.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier, van de nagekomen e-mail met bijlage van klager van 25 juli 2025 en van de nagekomen e-mail van klager van 9 februari 2026. Het in klagers e-mail van 9 februari 2026 vermelde verzoek tot veroordeling van de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding aan klager wordt niet in behandeling genomen. Klager heeft dit verzoek op geen enkele wijze onderbouwd en de raad is ter zake overigens ook niet bevoegd.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft een geschil met [naam verzekeraar]. Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam verzekeraar] hem rechtsbijstand moet verlenen en een schadevergoeding moet betalen. Klager heeft een door hem zelf opgestelde kort geding dagvaarding aan [naam verzekeraar] doen betekenen en aangebracht bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft de zaak verwezen naar de sector civiel van de rechtbank.
2.3 Klager heeft zich bij e-mail van 2 mei 2024 gewend tot verweerders kantoor met een verzoek om rechtsbijstand. Bij e-mail van 3 mei 2024 heeft verweerder klager bericht dat hij bereid was om klager bij te staan.
2.4 Nadat klager en verweerder overeenstemming hadden bereikt over het door verweerder te hanteren uurtarief, heeft verweerder bij e-mail van 6 mei 2024 een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd. Diezelfde dag heeft verweerder zich namens klager gesteld bij de rechtbank.
2.5 Bij e-mail van 8 mei 2024 heeft klager het dossier aan verweerder gestuurd.
2.6 Op 13 mei 2024 heeft de advocaat van [naam verzekeraar], mr. B, telefonisch contact opgenomen met verweerder. Mr. B heeft voorgesteld om een viergesprek in te plannen en was bereid om daarvoor af te reizen naar de woning van klager.
2.7 Op 14 mei 2024 heeft op verweerders kantoor een bespreking plaatsgevonden tussen klager en verweerder. Tijdens deze bespreking heeft verweerder klager geadviseerd over de (on)mogelijkheden en risico’s in de door klager aanhangig gemaakte kort geding procedure. Verweerder heeft klager erop gewezen dat er een reële kans bestond dat de voorzieningenrechter klagers vorderingen zou afwijzen. Verweerder heeft klager geadviseerd om in te stemmen met het voorstel van mr. B tot het inplannen van een viergesprek. Klager was niet bereid om deel te nemen aan een viergesprek. Wel stemde klager ermee in dat verweerder namens hem een schikkingsvoorstel zou formuleren. Diezelfde dag heeft verweerder een conceptbrief met een schikkingsvoorstel aan mr. B toegestuurd aan klager.
2.8 Op 15 mei 2024 heeft klager gereageerd op de conceptbrief met een aantal grondige wijzigingssuggesties. Klager heeft daarbij onder meer aangegeven dat hij niet bereid was om medische informatie te benoemen in het voorstel.
2.9 Bij e-mail van 16 mei 2024 heeft verweerder aan klager bericht dat hij enkele van de door klager voorgestelde wijzigingen niet zou overnemen, omdat hij deze wijzigingen niet relevant dan wel niet in klagers belang achtte.
2.10 Op 17 mei 2024 heeft klager ingestemd met de aangepaste conceptbrief. Eveneens op 17 mei 2024 heeft verweerder de brief verzonden aan mr. B.
2.11 Bij e-mail van 27 mei 2024 heeft mr. B gereageerd op het door verweerder geformuleerde schikkingsvoorstel. Mr. B heeft nogmaals voorgesteld om een viergesprek in te plannen en was bereid daarvoor af te reizen naar de woning van klager.
2.12 Bij e-mail van 28 mei 2024 heeft klager een kort geding vonnis van 27 mei 2024 aan verweerder toegestuurd. Dit kort geding vonnis was het resultaat van een andere, eveneens door klager zelf aanhangig gemaakte, kort geding procedure. In het vonnis waren de vorderingen van klager afgewezen en was klager veroordeeld in de proceskosten.
2.13 Bij e-mail van 3 juni 2024 heeft verweerder de reactie van mr. B doorgestuurd aan klager met het advies om in te stemmen met het voorstel om een viergesprek in te plannen. Bij e-mail van diezelfde dag heeft klager afwijzend gereageerd, waarbij klager heeft aangegeven dat, als [naam verzekeraar] klagers voorstel niet direct wilde accepteren, het kort geding doorgang zou moeten vinden. Eveneens dezelfde dag heeft verweerder een uitvoerige e-mail aan klager gestuurd, waarin verweerder zijn rol als dominus litis heeft toegelicht en nogmaals heeft toegelicht dat en waarom het in het belang van klagers zaak was om met [naam verzekeraar] in gesprek te gaan.
2.14 Bij e-mail van 4 juni 2024 heeft klager nogmaals afwijzend gereageerd op het advies om met [naam verzekeraar] in gesprek te gaan.
2.15 Bij e-mail van 5 juni 2024 heeft verweerder een uitvoerige e-mail aan klager gestuurd, waarin verweerder nogmaals heeft toegelicht dat en waarom het in het belang van klagers zaak was om met [naam verzekeraar] in gesprek te gaan. Verweerder heeft daarbij wederom benadrukt dat de kans van slagen in kort geding klein was. Ook heeft verweerder aan klager kenbaar gemaakt dat hij vreesde dat hij klager ter zitting mogelijk niet naar behoren zou kunnen bijstaan, nu klager en verweerder niet op een lijn zaten voor wat betreft het beproeven van een minnelijke schikking door middel van een gesprek met [naam verzekeraar] en het verstrekken van medische informatie.
2.16 Bij e-mail van 7 juni 2024 heeft verweerder aan mr. B bericht dat hij mr. B na een met klager te voeren bespreking zou berichten.
2.17 Op 10 juni 2024 heeft een tweede bespreking plaatsgevonden tussen klager en verweerder. Tijdens deze bespreking heeft klager ingestemd met het (in beperkte mate) verstrekken van medische informatie in kort geding. Klager heeft zijn weigering om met [naam verzekeraar] in gesprek te gaan gehandhaafd en heeft bij verweerder aangegeven dat hij erop stond dat aan [naam verzekeraar] een dwangsom zou worden opgelegd als prikkel voor nakoming. Klager en verweerder hebben afgesproken dat verweerder klager ter zitting zou vertegenwoordigen, omdat klager had aangegeven dat het voor hem te belastend was om de zitting bij te wonen. Ook hebben klager en verweerder afgesproken dat verweerder een brief aan de rechtbank zou sturen ter verduidelijking van de grondslag van de vorderingen van klager.
2.18 Op 12 juni 2024 heeft verweerder de conceptbrief aan de rechtbank aan klager gestuurd. Klager heeft daarop gereageerd met een groot aantal wijzigingssuggesties. Op 13 juni 2024 heeft verweerder een aangepaste conceptbrief, waarin enkele wijzigingssuggesties waren overgenomen, aan klager gestuurd. Tevens heeft verweerder aan klager verzocht om nota’s ter onderbouwing van de schadeposten aan te leveren. Nadat verweerder deze op 18 juni 2024 van klager had ontvangen, heeft verweerder deze in het geding gebracht.
2.19 Bij e-mail van 18 juni 2024 heeft verweerder klager verzocht om op 19 juni 2024 tijdens de mondelinge behandeling telefonisch bereikbaar te zijn, zodat verweerder klager tijdens een eventuele schorsing zou kunnen bereiken. Klager heeft verweerder bericht dat telefonisch contact tijdens een eventuele schorsing van de zitting te belastend voor hem was.
2.20 Op 19 juni 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Als aangekondigd is klager niet verschenen. Ter zitting heeft een uitvoerig debat plaatsgevonden, waarbij verweerder de standpunten van klager naar voren heeft gebracht. De rechter heeft er bij partijen op aangedrongen om in gesprek te gaan over een regeling. De zitting is geschorst. Na hervatting heeft verweerder aan de rechter medegedeeld dat hij niet beschikte over een mandaat van klager om een schikking te treffen en dat klager ook niet telefonisch bereikbaar was. De rechter heeft verweerder verzocht om klager te informeren over het verloop van de zitting, over de reële mogelijkheid dat zijn vorderingen zouden worden afgewezen en over het belang van een schikking. Partijen hebben ingestemd met het voorstel van de rechter om de behandeling van de zaak aan te houden tot 30 augustus 2024.
2.21 Bij e-mail van 19 juni 2024 heeft verweerder klager geïnformeerd over het verloop van de zitting en de instructies van de rechter.
2.22 Bij e-mail van 20 juni 2024 heeft klager gereageerd en zijn standpunten herhaald. Bij e-mail van 24 juni 2024 heeft verweerder zijn visie herhaald en benadrukt dat hij klager volledig had geïnformeerd over het mogelijk nadelige resultaat van de procedure en dat het treffen van een regeling in klagers belang was. Bij e-mail van 1 juli 2024 heeft klager aan verweerder medegedeeld dat hij ondanks verweerders advies vonnis wenste.
2.23 Bij e-mail van 3 juli 2024 heeft verweerder aan klager voorgesteld om een “akte verduidelijking eis” in te dienen, dit vanwege de vele vragen die de rechter ter zitting had gesteld over het (door klager zelf geformuleerde) petitum. Daarbij heeft verweerder aan klager uitgelegd dat het niet de bedoeling was om in die akte het debat te heropenen, nieuwe stellingen te poneren of de zaak verder te compliceren.
2.24 Op 7 juli 2024 heeft klager aan verweerder medegedeeld dat hij een tuchtklacht had ingediend tegen mr. B.
2.25 Op 10 juli 2024 heeft verweerder de conceptakte aan klager toegestuurd. Bij e-mail van 11 juli 2024 heeft klager hierop met een groot aantal wijzigingssuggesties gereageerd. Bij e-mail van eveneens 11 juli 2024 heeft verweerder aan klager uitgelegd waarom hij de door klager voorgestelde wijzigingen niet kon overnemen, waarbij verweerder zich baseerde op juridische overwegingen en het belang van overzichtelijkheid. Bij e-mail van dezelfde dag heeft klager gereageerd met onder meer de vraag “Zegt u het maar, is een persoonlijk gesprek tussen u en mij nodig?” Bij e-mail van dezelfde dag heeft verweerder gereageerd dat hij een persoonlijk gesprek niet nodig vond en heeft hij klager gewezen op zijn rol van dominus litis. Verweerder heeft deze e-mail afgesloten met de opmerking dat, indien klager wezenlijk anders dacht over de kwestie en meende dat een andere aanpak meer kans van slagen zou hebben, hij dan een andere advocaat zou moeten zoeken.
2.26 Bij e-mail van 12 juli 2024 heeft klager hierop gereageerd en onder meer een tuchtklacht en een kort geding tegen verweerder aangekondigd indien verweerder de zaak zou neerleggen. In een e-mail van dezelfde dag heeft verweerder geprobeerd om de situatie te de-escaleren en zijn e-mail van 11 juli 2024 verduidelijkt, waarop klager heeft gereageerd dat verweerders positie van dominus litis niet ter discussie stond. Vervolgens hebben klager en verweerder gecommuniceerd over de inhoud van de akte.
2.27 Na van klager verkregen akkoord heeft verweerder de akte op 24 juli 2024 ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft de akte toegestaan en mr. B in de gelegenheid gesteld om te reageren middels een antwoordakte. Mr. B heeft op 9 augustus 2024 een antwoordakte ingediend.
2.28 Op 21 augustus 2024 heeft verweerder op verzoek van klager een conceptreactie op de antwoordakte opgesteld. Na afstemming met klager heeft verweerder deze reactie op 26 augustus 2024 aan de rechtbank gestuurd.
2.29 Op 29 augustus 2024 heeft de rechtbank partijen bericht dat verweerders reactie van 26 augustus 2024 werd geweigerd, omdat de zaak voor vonnis stond.
2.30 Bij vonnis van 29 augustus 2024 heeft de rechtbank de vorderingen van klager afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.
2.31 Bij e-mail van 30 augustus 2024 heeft verweerder het vonnis aan klager doorgestuurd en uitgelegd.
2.32 Op 9 september 2024 heeft klager op grond van de interne klachtenregeling een klacht over verweerder ingediend bij verweerders kantoor.
2.33 De klachtenfunctionaris, mr. E, heeft de klacht in behandeling genomen, de klacht onderzocht en verweerder gehoord. Mr. E heeft klager vervolgens bij brief van 7 oktober 2024 bericht dat in zijn visie de klacht ongegrond was. Bij e-mail van 14 oktober 2024 heeft klager hierop gereageerd. Bij e-mail van 6 november 2024 heeft mr. E klager bericht dat de interne klachtenprocedure was afgerond.
2.34 Op 12 november 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft klagers belangen niet naar behoren behartigd.
2. Verweerder heeft klager niet dan wel onvoldoende geïnformeerd.
3. Verweerder wekt de indruk de interne klachtprocedure onredelijk, onbillijk en onevenredig lang op zijn beloop te hebben gelaten.
Toelichting op klachtonderdelen 1 en 2:
Verweerder heeft onvoldoende verweer gevoerd en de vordering tot schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft ten onrechte zelf geen nieuwe akte ingediend na de mondelinge behandeling en heeft klager verkeerd geïnformeerd over de mogelijkheden tot het indienen van een akte na de zitting.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 Beoordeling
klachtonderdelen 1 en 2
De klachtonderdelen 1 en 2 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerder dat hij klagers belangen niet naar behoren heeft behartigd en dat hij klager niet dan wel onvoldoende heeft geïnformeerd. Verweerder heeft deze verwijten gemotiveerd weersproken. De raad overweegt als volgt.
5.3 De raad stelt op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat verweerder de strategie en de aanpak van de zaak met klager heeft afgestemd en conform die afgesproken aanpak heeft gehandeld. Als niet weersproken staat voorts vast dat verweerder de correspondentie en processtukken steeds tijdig in concept aan klager heeft voorgelegd en met klagers instemming heeft verzonden dan wel ingediend. Verweerder heeft klager er voorts meerdere malen en op indringende wijze op gewezen dat de kans van slagen in kort geding klein was en om die reden heeft verweerder klager meerdere keren geadviseerd om te proberen met de wederpartij een minnelijke regeling te treffen. Klager heeft dit advies niet opgevolgd en heeft aangedrongen op een vonnis. Het moge zo zijn dat klager teleurgesteld is over het vonnis van de rechtbank, maar dat betekent niet automatisch dat verweerder klager niet op de juiste wijze heeft bijgestaan.
5.4 Uit de aan de raad overgelegde stukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting, blijkt dat verweerder de door klager ingestelde vorderingen zo goed mogelijk heeft toegelicht en onderbouwd en dat hij inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de stellingen van [naam verzekeraar]. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de stukken die waren aangeleverd door klager. Klager was zelf niet ter zitting aanwezig en tijdens de zitting ook niet telefonisch bereikbaar. Het was daarom voor verweerder niet mogelijk om ter plekke concrete stellingen met klager te bespreken of anderszins met klager overleg te voeren. Dit kan verweerder niet worden aangerekend. De raad is niet gebleken dat verweerder bij het voeren van verweer en het onderbouwen van de vordering tot schadevergoeding steken heeft laten vallen.
5.5 De raad is verder van oordeel dat evenmin is gebleken dat verweerder klager onvoldoende heeft geïnformeerd. Uit de overgelegde stukken blijkt juist dat verweerder uitvoerig met klager heeft gecorrespondeerd. Verweerder heeft klager uitvoerig geïnformeerd over de mogelijkheden en onmogelijkheden en de (kleine) kans van slagen van de door klager aanhangig gemaakte kort geding procedure. Ook heeft verweerder aan klager uitgelegd wat hij in de “akte verduidelijking eis” namens klager naar voren kon brengen. Verweerder heeft de akte na van klager verkregen akkoord ingediend bij de rechtbank. Dat de rechtbank deze na de zitting ingediende akte heeft toegestaan is uitzonderlijk. Om invulling te geven aan het beginsel van hoor en wederhoor heeft de rechtbank [naam verzekeraar] in de gelegenheid gesteld om op de akte te reageren middels een antwoordakte. [naam verzekeraar] heeft van die gelegenheid gebruikt gemaakt, waarna de rechtbank zich kennelijk voldoende geïnformeerd achtte en heeft bepaald dat vonnis moest worden gewezen. Dat de rechtbank verweerders reactie op de door [naam verzekeraar] ingediende antwoordakte vervolgens heeft geweigerd kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. De raad is van oordeel dat ook op dit punt niet is gebleken dat verweerder steken heeft laten vallen.
5.6 Naar het oordeel van de raad getuigt de bijstand zoals geschetst, niet van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. Dat verweerder de benodigde deskundigheid, kennis en vaardigheden mist, is de raad op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht evenmin gebleken. De klachtonderdelen 1 en 2 zijn op grond van het voorgaande ongegrond.
5.7 Klachtonderdeel 3
Klager verwijt verweerder dat hij de indruk wekt de interne klachtprocedure onredelijk, onbillijk en onevenredig lang op zijn beloop te hebben gelaten. Vast staat dat klager op 9 september 2024 op grond van de interne klachtenregeling een klacht over verweerder heeft ingediend. Tevens staat vast dat de klachtenfunctionaris, mr. E, de klacht in behandeling heeft genomen, de klacht heeft onderzocht, verweerder heeft gehoord en klager vervolgens bij brief van 7 oktober 2024 heeft bericht dat in zijn visie de klacht ongegrond was. Uit deze gang van zaken blijkt naar het oordeel van de raad dat de interne klacht op voortvarende wijze is afgehandeld. Dat verweerder de interne klachtprocedure onredelijk, onbillijk en onevenredig lang op zijn beloop heeft gelaten is de raad geenszins gebleken. Omdat dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mist, wordt dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond;
Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. A.A.T. van Ginderen, S.M.P.T. Ruijs-Kreté, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
