Rechtspraak
Uitspraakdatum
16-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:62
Zaaknummer
26-052/A/A
Inhoudsindicatie
Klacht over de eigen advocaat; verweerster heeft zich op zorgvuldige wijze aan de zaak onttrokken. Van schending van gedragsregel 14 lid 2 is geen sprake. Klacht is kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 16 maart 2025 in de zaak 26-052/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over: verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 21 januari 2026 met kenmerk 2512951/EvR/AS, door de raad ontvangen op 21 januari 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klaagster is betrokken in twee lopende procedures bij het gerechtshof Den Haag. Het betreft een procedure tegen de Staat der Nederlanden en een procedure tegen de stichting Arkin. Klaagster is in deze procedures eerst bijgestaan door mr. E, die zich op zeker moment aan de zaken heeft onttrokken. Daarna heeft klaagster aan verweerster gevraagd om haar bij te staan in deze procedures. 1.2 Verweerster heeft zich in de procedures gesteld als de advocaat van klaagster. In één van de procedure stond de mondelinge behandeling gepland op 25 september 2025. In de andere procedure is de datum voor de mondelinge behandeling op verzoek van verweerster verplaatst van 3 juli 2025 naar 7 oktober 2025, omdat verweerster op 3 juli 2025 wegens vakantie niet aanwezig kon zijn. 1.3 Op zeker moment heeft verweerster aan klaagster meegedeeld dat zij haar niet langer kon bijstaan wegens ziekte. Verweerster heeft een nieuwe advocaat voor klaagster gezocht en klaagster bericht dat zij mr. C bereid heeft gevonden de bijstand aan klaagster over te nemen. 1.4 Klaagster heeft verweerster geantwoord dat zij niet bijgestaan wenste te worden door mr. C en dus geen gebruik wilde maken van haar diensten. In reactie hierop heeft verweerster aan klaagster gevraagd of zij het haar wilde laten weten als klaagster een nieuwe advocaat had gevonden, zodat verweerster zich daarna kon onttrekken als advocaat in de lopende procedures. Op 7 augustus 2025 heeft klaagster bij de deken een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend. 1.5 In het klachtdossier bevindt zich WhatsApp-correspondentie tussen klaagster en verweerster van en omstreeks 20 augustus 2025 over voorgaande gang van zaken. Verweerster schrijft hierin aan klaagster het volgende: Verweerster: “[Mr. C] is een hele goede gedreven civiele advocaat. Je kan vertrouwen in haar hebben” Klaagster: “Ik heb een verzoek indienen bij de orde van advocaten om het aanwijzen van een advocaat” Verweerster: “Ik denk dat dat een moeilijk verhaal wordt. Je mag van geluk spreken als [mr. C] jouw zaken zou willen doen. Op toevoegingsbasis. Ik vind dat ik dit ontzettend goed voor je heb geregeld. Maar het gaat natuurlijk om jouw zaken, dus je moet doen wat je wil.” Klaagster: “Beste [verweerster] je hebt gelijk dit gaat om mijn leven en hoe het voor mij aanvoelt ik ben heel dankbaar dat ik de keus kan maken dit niet te willen All beste verder met de mooilijke keuzen die jij zal moeten maken mijn gedachten en mijn hart is met jou alle beste” Verweerster: “Zal ik dus tegen [mr. C] zeggen dat je geen gebruik gaat maken van haar diensten?” Klaagster: “Ja je kan dat zeggen” (…) Verweerster: “Ik ga hier verder niet meer met jou in discussie. En denk dat het moeilijk wordt om nog voor aankomende twee zitting data advocaten op toevoeging basis te vinden die je wel goed vindt” Klaagster: “Prima Veel succes en bedankt” Verweerster: “Laat me horen wie je hebt gevonden. Ik zal me dan onttrekken als advocaat in de zaken.” 1.6 De deken heeft het verzoek van klaagster om aanwijzing van een advocaat op 8 augustus 2025 doorgestuurd naar de deken Den Haag, aangezien de zaken van klaagster aanhangig zijn bij het gerechtshof Den Haag. Bij beslissing van 20 augustus 2025 (en nogmaals bevestigd bij beslissing van 26 augustus 2025) heeft de deken Den Haag het verzoek van klaagster om aanwijzing van een advocaat afgewezen. Diezelfde dag heeft klaagster beklag ingesteld bij het Hof van Discipline tegen de beslissing van de deken Den Haag. 1.7 Op 21 augustus 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. Nadat verweerster bekend was geworden met de klacht, heeft zij zich omstreeks 11 september 2025 als advocaat van klaagster in beide procedures bij het gerechtshof Den Haag onttrokken. Verweerster schrijft klaagster in dat verband: “Vandaag heb ik gehoord dat je (enige tijd geleden) een klacht tegen mij hebt ingediend bij de Orde van Advocaten. Gezien onze (in mijn ogen goede) verstandhouding was ik daarmee onaangenaam verrast. Dit is voor mij reden om bij het Gerechtshof Den Haag als advocaat in beide zaken op de rol te onttrekken. Dit heb ik niet eerder gedaan om je de gelegenheid te geven een andere advocaat te vinden die jou op de zittingen van 25 september 2025 en 7 oktober 2025 zou bijstaan. Het gerechtshof zal waarschijnlijk de zittingen aanhouden tot zich een andere advocaat heeft gesteld. Ik hoop je hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.” 1.8 Bij beslissing van 11 september 2025 heeft het Hof van Discipline het beklag van klaagster tegen de beslissingen van de deken Den Haag van 20 en 26 augustus 2025 ongegrond verklaard. In de beslissing staat onder meer: “4.3 Klaagster had een advocaat die haar bijstond. Zij kan klaagster vanwege ziekte echter niet verder bijstaan, maar heeft wel geprobeerd een geschikte opvolger te vinden en meende daarin geslaagd te zijn. Het staat klaagster uiteraard vrij om niet akkoord te gaan met overdracht van haar dossier aan die voorgestelde opvolger, maar dat betekent nog niet dat de deken op grond daarvan tot aanwijzing van een (andere) advocaat verplicht zou zijn die aan de wensen van klaagster moet voldoen. Er is immers al een advocaat die bereid is om klaagster bij te staan en daarmee doet de situatie van artikel 13 Advocatenwet zich niet voor.”
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende: a) klaagster te dwingen zich te laten bijstaan door mr. C; b) klaagster te laten stikken door zich te onttrekken aan de procedures bij het gerechtshof Den Haag.
3 VERWEER 3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING 4.1 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 4.2 Op grond van Gedragsregel 14 lid 2 staat het een advocaat steeds vrij om zijn of haar werkzaamheden te beëindigen. Als de vertrouwensbasis is vervallen, is hij of zij daartoe zelfs gehouden. Wel dient een advocaat die besluit een verstrekte opdracht neer te leggen, dat op zorgvuldige wijze te doen en ervoor zorg te dragen dat de cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt. De advocaat moet een dergelijke beslissing tijdig kenbaar maken en de cliënt wijzen op de te nemen vervolgstappen. Klachtonderdeel a) 4.3 Klaagster verwijt verweerster dat zij haar heeft gedwongen om zich verder door mr. C te laten bijstaan. Klaagster heeft duidelijk gemaakt aan verweerster dat zij mr. C absoluut niet als advocaat wil. Door in het kader van het aanwijzingsverzoek aan de orde Den Haag te communiceren dat mr. C haar kan bijstaan, heeft verweerster volgens klaagster een vies spel gespeeld. Volgens klaagster moest zij verweerster dankbaar zijn dat zij mr. C voor haar had uitgekozen. Dit gaat klaagster te ver. 4.4 Het is de voorzitter op grond van het klachtdossier niet gebleken dat verweerster klaagster heeft gedwongen om zich te laten bijstaan door mr. C. Uit de WhatsApp-berichten (weergegeven in r.o. 1.5) en het verweer van verweerster volgt dat verweerster klaagster heeft geadviseerd de bijstand van mr. C te accepteren, gezien de beschikbaarheid van mr. C. voor beide zittingen, haar deskundigheid en het feit dat zij bereid was de zaken op toevoegingsbasis te doen. Maar verweerster schrijft klaagster in haar WhatsApp-berichten ook dat het gaat om haar zaken en klaagster dus moet doen wat zij wil. Van dwang is geen sprake en klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) 4.5 Klaagster verwijt verweerster dat zij haar heeft laten stikken door zich te onttrekken aan haar zaak. Dit terwijl de zitting juist was verplaatst zodat verweerster klaagster kon bijstaan. Verweerster heeft niets gedaan om een goede advocaat voor haar te zoeken. Ze heeft geen lijst met advocaten gestuurd die klaagster kon benaderen. Ook had verweerster klaagster kunnen doorverwijzen naar de Raad voor Rechtsbijstand zodat zij een advocaat voor haar konden zoeken. Dat verweerster ziek is, betekent nog niet dat zij klaagster als een hond kan behandelen. Verweerster had de zaken niet zomaar mogen neerleggen, omdat het toevoegingszaken zijn. De zaken zijn voor klaagster van levensbelang. Klaagster stelt dat verweerster te ver is gegaan en dat sprake is van grensoverschrijdend gedrag. 4.6 Ook dit klachtonderdeel treft geen doel. Verweerster heeft onbetwist toegelicht dat zij wegens ziekte genoodzaakt was zich te onttrekken aan de zaken van klaagster. Dat een van de zittingen eerder op verzoek van verweerster was verplaatst, kan verweerster niet tegengeworpen worden. Verweerster wist immers op dat moment niet dat zij zich op een later moment wegens ziekte aan de zaken moest onttrekken. 4.7 Het staat een advocaat vrij om zich aan een zaak te onttrekken, mits dat zorgvuldig en tijdig gebeurt en de cliënt daar zo min mogelijk nadeel van ondervindt, zoals volgt uit de hiervoor weergegeven gedragsregel 14. De voorzitter stelt vast dat verweerster overeenkomstig deze gedragsregel heeft gehandeld. Verweerster heeft klaagster tijdig geïnformeerd over haar onttrekking en daarbij een geschikte opvolger voorgesteld, zodat de continuïteit van de rechtsbijstand gewaarborgd bleef en klaagster zo min mogelijk hinder zou ondervinden van verweersters onttrekking. Toen klaagster aan verweerster kenbaar maakte dat zij geen gebruik wenste te maken van de diensten van mr. C, heeft verweerster klaagster laten weten dat zij zich pas zou onttrekken aan de zaken op het moment dat klaagster zelf een geschikte opvolger had gevonden. Pas nadat klaagster een klacht over verweerster had ingediend en daarmee de vertrouwensbasis was vervallen heeft verweerster zich uiteindelijk aan de zaken onttrokken. De voorzitter stelt vast dat verweerster hiermee ruimschoots aan haar zorgplicht heeft voldaan en van klachtwaardig handelen geen sprake is. Klachtonderdeel b) is eveneens kennelijk ongegrond.
BESLISSING De voorzitter verklaart: - de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 16 maart 2026
