Rechtspraak
Uitspraakdatum
16-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:60
Zaaknummer
25-782/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. De raad kan op grond van de overgelegde stukken, waaronder de e-mails tussen klager en verweerder, niet vaststellen dat verweerder in zijn bijstand aan klager in de zaken over de zorgmachtiging en de schadevergoeding op enigerlei wijze tekort is geschoten. Verder kan de raad niet vaststellen dat verweerder tekort is geschoten in de communicatie met klager. Uit de overgelegde e-mails leidt de raad af dat verweerder klager op verschillende momenten heeft geïnformeerd. De raad ziet in de diverse contactmomenten tussen verweerder en klager dan ook geen patroon van gebrekkige communicatie zoals klager heeft gesteld. Klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 16 maart 2026 in de zaak 25-782/A/A naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 1 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 11 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2483934/ER/AS van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 2 februari 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 1 december 2025.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Op 26 augustus 2024 heeft het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift voor een zorgmachtiging ingediend ten aanzien van klager. Verweerder is in dat kader aan klager toegevoegd als advocaat. 2.3 Op 9 september 2024 heeft verweerder op zijn kantoor met klager gesproken. Dezelfde dag heeft klager stukken aan verweerder gestuurd. Ook heeft klager die week contact gezocht met verweerder. 2.4 Op 13 september 2024 heeft verweerder klager gemaild: ‘Ik verwijs naar ons uitgebreid onderhoud bij mij op kantoor op 9 september jl.
U zocht deze week nader contact maar vanwege de vele zittingen was ik niet in de gelegenheid u te woord te staan. Het staat u uiteraard vrij wat u nog aan mij wil meedelen per email aan mij te doen toekomen.
Op uw uitdrukkelijk verzoek heb ik inmiddels de van u ontvangen emailberichten en stukken doorgestuurd naar de rechtbank.
Ik bevestig u echter wel uitdrukkelijk dat ik nauwelijks aanneem dat de rechter al de stukken gaat doornemen. U zult naar ik aanneem op de zitting de gelegenheid hebben kort toe te lichten waarom u de stukken van belang acht en hoe die aan uw verdediging terzake van de aangevraagde zorgmachtiging kunnen bijdragen. Ik wijs u er op dat een gemiddelde zitting nauwelijks 20 tot 30 minuten duurt en dat er dus geen tijd zal zijn uitgebreid stil te staan bij het een en ander.’
2.5 Op 16 september 2024 heeft de rechtbank het verzoekschrift voor een zorgmachtiging inhoudelijk op zitting behandeld en geoordeeld dat de zorgmachtiging wordt verleend. Dezelfde dag heeft verweerder de uitspraak aan klager gemaild en heeft hij klager gewezen op de mogelijkheid van cassatie. Klager is niet in cassatie gegaan en de zorgmachtiging is uitgevoerd. 2.6 Op 25 september 2024 heeft klager een klacht ingediend bij de Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken (hierna: de klachtencommissie) over de Stichting Arkin. Klager heeft ook om een schadevergoeding gevraagd. 2.7 Op 7 oktober 2024 heeft de klachtencommissie twee onderdelen van de klacht gegrond verklaard en op 7 november 2024 heeft de klachtencommissie een schadevergoeding toegewezen van € 25. 2.8 Op 18 december 2024 heeft klager bij de rechtbank Amsterdam een beroepschrift ingediend tegen de beslissingen van de klachtencommissie. Daarin heeft klager gevraagd om een schadevergoeding van € 28.000 dan wel € 1.950. Verweerder is voor dit beroep aan klager toegevoegd als advocaat. 2.9 Op 19 december 2024 heeft verweerder klager gemaild met de vraag om de gestelde schade van € 8.000 aan schulden en € 20.000 aan verloren pensioen met stukken te onderbouwen. 2.10 Op 9 januari 2025 heeft verweerder klager gemaild dat de geplande zitting van 14 januari 2025 niet doorgaat, omdat Stichting Arkin nog een verweerschrift mag indienen. 2.11 Op 22 januari 2025 heeft Stichting Arkin een verweerschrift bij de rechtbank ingediend. 2.12 Op 12 maart 2025 heeft de rechtbank partijen bericht dat de zitting is gepland op 31 maart 2025 om 13:25 uur. Dezelfde dag heeft verweerder dit aan klager doorgegeven. Daarbij heeft verweerder vermeld dat hij tot 19 maart 2025 met vakantie is. Ook heeft verweerder voorgesteld om in de week van 24 maart 2025 een afspraak te plannen om de zitting voor te bereiden. 2.13 Op 12 maart 2025 heeft klager verweerder gemaild met de vraag of verweerder hem kan helpen met een zaak over een omgangsregeling met zijn kinderen en alimentatie. Dezelfde dag heeft verweerder klager gemaild dat hij hem daarin niet van dienst kan zijn. 2.14 Op 13 maart 2025 heeft verweerder het verweerschrift van Stichting Arkin aan klager gemaild, waarbij verweerder heeft vermeld dat de rechtbank het op 22 januari 2025 ingediende verweerschrift pas op een veel later moment beschikbaar heeft gesteld. 2.15 Op 13, 14, 17, 19 en 25 maart 2025 heeft klager verweerder gemaild met vragen over zijn zaak en met verzoeken om met hem in contact te treden. 2.16 Op 19, 25 en 27 maart 2025 heeft verweerder op de vragen van klager gereageerd. In zijn e-mail aan klager van 25 maart 2025 om 11:27 uur heeft verweerder vermeld: ‘Het ontgaat mij volledig op grond waarvan u erop blijft hameren dat u pas op 14 maart jl. het verweerschrift hebt ontvangen. Immers hebt u meer dan voldoende tijd zich tot aan de zitting van 31 maart a.s. naar aanleiding van het verweerschrift voor te bereiden. Geheel ten overvloede en onverplicht doe ik u bijgaand in ieder geval de ontvangstbevestiging van het verweerschrift door de rechtbank dd. 11 maart 2025 om 14:10 uur toekomen. Ik heb u het verweerschrift zo spoedig mogelijk na ontvangst doen toekomen.
Ik heb u uitdrukkelijk bericht dat ik in het buitenland ben en dat ik eerst vanaf 24 maart 2025 weer bereikbaar ben op kantoor. Het ontgaat mij dan ook geheel waarom u in de tussentijd maar blijft bellen terwijl u weet dat ik uitlandig ben.
Uw reactie naar aanleiding van het verweerschrift heb ik inmiddels doorgestuurd naar de rechtbank ten blijke waarvan ik u bijgaand de ontvangstbevestiging doe toekomen.
Ik stel voor dat wij de zitting voorbereiden op donderdag 27 maart a.s. om 15:00 uur bij mij op kantoor. Indien voormelde afspraak u ongelegen voorkomt verneem ik graag op welk tijdstip u woensdag of donderdag a.s. wel beschikbaar bent.’
2.17 Op 25 maart 2025 om 12:52 uur heeft klager verweerder gemaild: ‘Bedankt voor uw uitleg. De brief van Arkin aan de rechtbank Amsterdam, gedateerd 22 januari en ontvangen op 14 maart, heeft bijna twee maanden ergens vastgehangen. Dit terwijl brieven van de rechtbank soms binnen enkele uren of hooguit anderhalve dag (digitaal kan ook) binnenkomen.
Het klopt dat ik formeel voldoende tijd had om me voor te bereiden, maar het kost nu eenmaal tijd om bepaalde feiten goed schriftelijk vast te leggen. Hopelijk zijn we het erover eens dat als ik de brief bijvoorbeeld op 24 januari had ontvangen, ik aanzienlijk meer tijd had gehad voor een gedegen voorbereiding. Dit gaf ondertussen ook anderen de kans om zich beter voor te bereiden. Het gaat hier niet om schuld aanwijzen, maar simpelweg om te erkennen dat ook de rechtbank – of haar medewerkers – fouten kan maken. Zoals u aangaf, is dit niet uw fout, maar het heeft wel gevolgen voor mij.
Daarnaast heb ik u herhaaldelijk gebeld omdat ik u nog wilde spreken vóór uw vertrek. Ik loop meerdere rechtszaken en had dringend informatie nodig. Dit speelde meerdere keren tussen 22 januari en het moment dat u vertrok. In mijn optiek heb ik altijd één zaak gehad (omgangsregeling en gezag), maar deze is, zonder mijn invloed, verdeeld in kleine, afzonderlijke kwesties over een periode van bijna 15 jaar. U bent door de rechtbank aan mijn zaak toegewezen. Bij de eerdere zaak rond de zorgmachtiging was u helaas niet volledig voorbereid tijdens de zitting, of tenminste, op de dag zelf bleek dat u niet alle door mij toegestuurde stukken had gelezen had u verteld. Dit, in combinatie met de eerder genoemde fouten van de rechtbank, heeft vooral nadelige gevolgen voor mij, mijn kinderen en mijn naasten. Dit kost mij niet alleen extra tijd die ik moet vrijmaken van werk, kwalitatieve tijd en andere verplichtingen – maar ook de kans om zonder een advocaat die echt bij mij staat of juiste informatie op tijd te hebben, goed voorbereid te zijn. Daarom koos ik ervoor u te bellen, al lijkt deze uitleg overbodig. Ik zie u op 27 maart om 15:00 uur. Maar echter, slechts vier dagen voor een zitting een gesprek voeren over een zaak van deze omvang lijkt mij verre van ideaal.’
2.18 Op 27 maart 2025 om 12:46 uur heeft verweerder klager gemaild: ‘Ik ben het met u eens dat het geen schoonheidsprijs verdient dat het verweerschrift zo laat beschikbaar is gesteld in het portaal.
Uiteraard ligt het niet op mijn weg om te bepalen hoeveel tijd u nodig hebt ter voorbereiding van een zaak. In het algemeen moet een termijn van meer dan twee weken echter ruim voldoende worden geacht voor de gemiddelde persoon om een zaak voor te bereiden.
Ik heb bij de eerdere zaak het veelvoud van stukken dat u mij toestuurde doorgestuurd naar de rechtbank en u daarbij medegedeeld dat ik nauwelijks aanneem dat de rechtbank al die stukken gaat doornemen. Alhoewel begrijpelijk is dat die stukken voor uw belangrijk waren, waren die stukken, zo niet volledig dan in ieder geval wel grotendeels, niet of nauwelijks relevant voor de beoordeling van de zaak. Voor zover de stukken niet relevant waren heb ik deze begrijpelijkerwijs dan ook niet doorgenomen.
Ik snap dat u graag een eerdere afspraak ter voorbereiding van de zitting op prijs zou hebben gesteld. Ik ben echter eind vorige week uit het buitenland teruggekomen en zag derhalve geen kans u eerder in te plannen. Op zich ga ik er van uit dat de bespreking vandaag afdoende moet worden geacht ter gezamenlijke voorbereiding van de zitting.’
2.19 Op 27 maart 2025 om 13:25 uur heeft klager verweerder gemaild: ‘Tja, ik hoor wel mooie excuses en rondleidingen, maar met dat kan ik niet zo veel doen. Zo werd een zorgmachtiging verleend maanden geleden en tot vandaag zijn we daar bezig. Ik vraag me af, bent u voorbereid voor deze zaak of niet? Als er dingen moeten gedaan worden met betrekking tot deze zaak en dat kan niet voor de tijd want u in het buitenland was, kan dat nog 2 dagen van tevoren? Heb ik u niet genoeg keer gebeeld en terug beeld verzoeken achtergelaten voor dat u weg op vakantie (of wat dan ook) ging? Wat verwacht u van onze afspraak en deze zaak, heeft deze zijn en waarom bij uw kantoor afspreken (eerlijk gezegd het lijkt me dat dit telefonisch kan toch)? Is dit een kwestie van Familie en Jeugd of gaat over de Schade vergoeding over iets dat een zorginstelling verkeerd gedaan hebt (onterechte zorgmachtiging) of gaat over Psychiatrische Zorg? Als het over een Familie zaak gaat, wie staat aan de andere kant van de Bank, Arkin, Mijn ex-partner of gaan ze samen hand bij hand, aangezien mijn expartner voor Arkin werk? Als er bewijs ontbreekt, want de juridisch loket wil deze niet op tijd versterken wetende dat dit kan totaal invloed hebben in deze zaak, kan deze zitting worden uitgesteld? En last but not least, als ik niet tevreden ben en wil mijn eigen advocaat kiezen in plaats van verder gaan met een die door de rechtbank is toegewezen toen ik ziek en gesloten in een zorg instelling was in 2016, in 2 zaken heb mij vertegenwoordig en beide verloren en geen tijd voor mij hebt, is er genoeg tijd en kunt u garanderen dat dat geen invloed zal hebben voor de zaak? Deze zijn dringende vragen en denk dat u zal deze kunt beantwoorden voor dat we in gesprek bij uw kantoor gaan. Ik ben vanaf nu telefonisch beschikbaar.’
2.20 Op 27 maart 2025 om 14:24 uur heeft verweerder klager gemaild: ‘Op 31 maart a.s. wordt het namens u ingediende schadeverzoek door de rechtbank Amsterdam behandeld.
U bent het niet eens met het feit dat de klachtencommissie uw klacht weliswaar gegrond heeft gevonden, doch u slechts een schadevergoeding van € 25 heeft toegekend. De klacht richt zich tegen de beslissing van 26 september 2024 waarbij de psychiater u heeft medegedeeld dat besloten is u verplichte zorg te gaan verlenen ter uitvoering van de zorgmachtiging.
Na indiening van de klacht heeft de psychiater de verplichte zorg geschorst en na de uitspraak van de klachtencommissie ingetrokken Er is dus geen verplichte zorg ingezet bij u. Dit wordt door Arkin benadrukt in het verweerschrift (sub 17). Arkin is van oordeel dat nu er geen verplichte zorg bij u is ingezet, u geen schade hebt geleden.
De klachtencommissie heeft overwogen dat de verplichte zorg weliswaar nog niet bij u was toegepast, maar dat u bij het toepassen van de verplichte zorg alsnog schade hebt ondervonden in de vorm van onmacht, frustratie en angst. In feite gaat de klachtencommissie er dus van uit dat de loutere aanzegging van zorg aan u schade heeft veroorzaakt. Deze schade als gevolg van onmacht, frustratie en angst heeft de klachtencommissie in een bedrag van € 25 uitgedrukt.
De klachtencommissie heeft u voorafgaand aan de schadevaststelling in de gelegenheid gesteld uw schade te onderbouwen. Volgens Arkin hebt u in verband daarmee weliswaar een 118 pagina's tellend pdf overgelegd, maar ontbreekt de onderbouwing van de door u ondervonden onmacht, frustratie en angst ten gevolge van het besluit van 26 september 2024. Ook uit uw begeleidend schrijven gericht aan de klachtencommissie blijkt geen onderbouwing van uw schade. Uw onderbouwing ziet volgens Arkin op zaken uit het verleden die in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Ik heb u reeds in mijn emailbericht van 19 december 2024 uitdrukkelijk erop gewezen dat slechts de schade die voortvloeit uit de onterechte aanzegging van 26 september 2024 voor vergoeding in aanmerking komt. Voorts gaf ik in voormeld emailbericht aan dat het er (vooralsnog) op lijkt dat de schade die u wenst blijkens de onderbouwing geen betrekking heeft op de onterechte aanzegging van 26 september 2024, doch betrekking heeft op feiten en omstandigheden die vóórdien hebben plaatsgevonden.
Ik deelde u in voormeld emailbericht uitdrukkelijk mede dat het van belang wordt in de procedure bij de rechtbank onderliggende stukken te overleggen waarmee de schade kan worden aangetoond. Met enkel stellen dat u € 8.000 aan schulden hebt en dat u € 20.000 hebt verloren aan pension, loon en study hebt u bepaaldelijk niet voldaan aan uw verplichting de schade aannemelijk te maken. Ik deelde tenslotte mede dat ik op grond van het voorgaande graag onderliggende stukken tegemoetzag.
Helaas heb ik van u naar aanleiding van mijn emailbericht van 19 december 2024 geen onderliggende stukken mogen ontvangen waarmee uw schade kan worden aangetoond terwijl ik evenmin van u een deugdelijke onderbouwing van uw schade heb ontvangen. Tijdens de mondelinge behandeling van maandag a.s. gaat het naar het mij voorkomt dan ook onder meer om de navolgende vragen:
- Hebt u schade geleden op basis van de loutere aanzegging van zorg, terwijl de zorg niet is toegepast? - Welke schadevergoeding is redelijk voor de door u als gevolg van de loutere aanzegging van zorg van 26 september 2024 ondervonden onmacht, frustratie en angst? - Betreft de door u geclaimde schadevergoeding een vergoeding voor de door u ondervonden onmacht, frustratie en angst als gevolg van de aanzegging van zorg van 26 september 2024 (welke voor vergoeding in aanmerking komt), dan wel betreft de door u geclaimde schadevergoeding een vergoeding voor feiten en/of omstandigheden geleden vóór de datum van aanzegging van zorg (welke niet voor vergoeding in aanmerking komt)? - Wat is de onderbouwing van de door u geleden schade?
Het komt mij voor dat onze bespreking zich kan beperken tot voormelde vragen. U deelde mij mede de voorkeur te geven aan een telefonische bespreking ter voorbereiding van de zitting. We spraken op grond daarvan op heden telefonisch af dat de telefonische bespreking vandaag niet meer bij mij op kantoor maar telefonisch zal plaatsvinden vanaf het tijdstip van 15:00 uur. U zult het initiatief nemen mij te bellen.’
2.21 Op 27 maart 2025 om 15.39 uur heeft verweerder zich onttrokken als advocaat van klager vanwege een vertrouwensbreuk.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: a) - verweerder heeft de zaken over de zorgmachtiging en de schadevergoeding niet goed voorbereid. Verweerder heeft de documenten die klager hem heeft gestuurd voor de procedure over de zorgmachtiging niet goed gelezen. Tijdens de zitting heeft verweerder verklaard dat hij de stukken niet had doorgenomen en wist verweerder niet waarom een zorgmachtiging was aangevraagd. Verweerder vond de door klager aangeleverde stukken niet relevant en de rechtbank had volgens hem geen tijd om de stukken door te lezen. De zorgmachtiging bleek later ook disproportioneel; - verweerder weigerde contact op te nemen met de andere advocaat van klager die al maanden bij klager was betrokken en voor wie de zorgmachtiging een belemmering was. Dit wijst op een ernstige tekortkoming in de voorbereiding, waardoor er geen gedegen strategisch inzicht was voor de zaak; - verweerder heeft ten aanzien van de schadevergoeding in de klachtenprocedure pas op 27 maart 2025 een bespreking met klager ingepland, terwijl de zitting al op 31 maart 2025 plaats zou vinden. Dit is veel te kort van tevoren om de zaak nog goed te kunnen voorbereiden en illustreert een gebrek aan tijdige planning en voorbereiding. Deze timing liet onvoldoende ruimte voor een grondige voorbereiding van de zitting wat de kans op een succesvolle uitkomst aanzienlijk verkleinde; - verweerder is bij de onderbouwing van de schadevergoeding ernstig nalatig geweest. Verweerder heeft nagelaten klager te helpen om tot een volledige en onderbouwde schadebegroting te komen. Verweerder heeft 26 minuten voor de bespreking op 27 maart 2025 een e-mail gestuurd met vragen om de schadevergoeding te onderbouwen waarop klager al duidelijk antwoord had gegeven. Deze vragen tonen aan dat verweerder de stukken van klager niet goed heeft gelezen; b) verweerder heeft gebrekkig gecommuniceerd waarbij een duidelijk patroon zichtbaar is. Ondanks herhaaldelijke terugbelverzoeken tussen 22 januari 2025 en het moment waarop verweerder met vakantie ging heeft verweerder klager niet teruggebeld. Klager wilde verweerder graag nog voor diens vakantie spreken, omdat klager dringend informatie nodig had. Deze gemiste communicatie is cruciaal, vooral in situaties waarin urgente informatie nodig is om de positie van klager te versterken. 3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER 4.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat hij de stukken van klager heeft doorgestuurd aan de rechtbank en vervolgens heeft gelezen. Volgens verweerder waren de meeste stukken volstrekt niet relevant voor de beoordeling of klager een psychiatrische stoornis heeft als gevolg waarvan er ernstig nadeel is en of dit nadeel kan worden voorkomen door een minder ingrijpend middel dan een zorgmachtiging.
Verweerder betwist dat hij de zitting van 16 september 2024 niet goed heeft voorbereid. Volgens verweerder heeft de rechter ter zitting gezegd dat hij de stukken van klager heeft gelezen en kan van hem niet worden verlangd dat hij ter zitting op deze stukken ingaat als deze niet relevant zijn voor de beoordeling van het verzoek. Verder merkt verweerder op dat de klachtencommissie heeft geoordeeld dat een geldige zorgmachtiging aanwezig was. De door de rechter verleende zorgmachtiging stond niet ter discussie.
Daarnaast voert verweerder aan dat er geen reden was om de voorbereiding van de zitting van 31 maart 2025 eerder te plannen dan 27 maart 2025, omdat klager geen stukken en/of bewijs had aangeleverd om zijn vordering tot schadevergoeding te onderbouwen. Daarbij merkt verweerder op dat hij de voorbereiding van een zitting liever kort voor een zitting plant zodat het besprokene nog vers in het geheugen zit. Volgens verweerder was daar in het geval van klager ook aanleiding toe vanwege de wijdlopigheid en vasthoudendheid van klager en ook diens achterdocht en zeer dwingende opstelling in gesprekken.
Tot slot voert verweerder aan dat hij vanwege drukte voorafgaand aan zijn vakantie niet meer in de gelegenheid was om klager te spreken. Daarbij merkt verweerder op dat hij in de periode van 21 januari 2025 tot de datum van zijn vakantie geen e-mails van klager heeft ontvangen. Volgens verweerder is er steeds telefonisch contact met klager geweest als klager hem mailde met een verzoek om telefonisch contact. Verweerder merkt op dat klager meerdere zaken heeft lopen waarin hij klager niet bijstaat en dat hij klager daar ook niet mee kan helpen. 4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 5.2 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat d e advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Klachtonderdeel a) is ongegrond Procedure over de zorgmachtiging 5.3 De raad kan op grond van de overgelegde stukken, waaronder de e-mails tussen klager en verweerder, niet vaststellen dat verweerder in zijn bijstand aan klager in de zaak over de zorgmachtiging op enigerlei wijze tekort is geschoten. Uit de feiten zoals die uit het klachtdossier blijken en die hierboven onder 2 zijn opgesomd, blijkt dat verweerder op 9 september 2024 (zie 2.3) een bespreking met klager heeft gehad en dat verweerder klager op 13 september 2024 (zie 2.4) heeft bevestigd dat hij de stukken van klager aan de rechtbank heeft doorgestuurd. In zijn e-mail van 13 september 2024 heeft verweerder klager uitgelegd dat de rechter nauwelijks van deze stukken kennis zal nemen omdat deze niet van belang zijn voor het oordeel over de gevraagde zorgmachtiging. Daaraan heeft verweerder ter zitting toegevoegd dat de rechtbank voor het oordeel over een zorgmachtiging voldoende heeft aan de stukken van het OM, bestaande uit een verklaring van de psychiater van klager en een verklaring van een onafhankelijke psychiater, en dat advocaten in dergelijke zaken weinig ruimte hebben. De raad kan verweerder hierin volgen. 5.4 De raad kan niet vaststellen dat verweerder de stukken van klager niet heeft doorgenomen of dat verweerder niet wist waarom een zorgmachtiging voor klager was aangevraagd. Verweerder heeft het verwijt daarover van klager immers gemotiveerd betwist en de raad kan uit het klachtdossier niet afleiden dat verweerder in de voorbereiding van de zitting over de zorgmachtiging en zijn bijstand aan klager steken heeft laten vallen. De omstandigheid dat klager het niet eens is met het oordeel van de rechtbank over de verlening van de zorgmachtiging betekent niet dat verweerder iets te verwijten valt. De vraag of de zorgmachtiging disproportioneel was, kan de raad in het kader van deze tuchtklachtprocedure niet beantwoorden. 5.5 Ook de omstandigheid dat verweerder geen contact heeft gezocht met de andere advocaat van klager voor wie de zorgmachtiging ten behoeve van klager een belemmering was, zoals door klager gesteld, leidt niet tot de conclusie dat verweerder tekort is geschoten in de voorbereiding van de zitting van 16 september 2024. De raad begrijpt dat klager met deze andere advocaat, zijn advocaat bedoelt die hem bijstaat in procedures over een omgangsregeling met zijn kinderen en over alimentatie. Deze procedures staan echter los van de procedure over de zorgmachtiging. Verweerder was dan ook niet gehouden om contact met de familierechtadvocaat van klager op te nemen. Procedure over schadevergoeding 5.6 De raad kan op grond van de overgelegde stukken, waaronder de e-mails tussen klager en verweerder, niet vaststellen dat verweerder in zijn bijstand aan klager in de zaak over de schadevergoeding op enigerlei wijze tekort is geschoten. Uit de overgelegde e-mails blijkt dat verweerder klager op 19 december 2024 (zie 2.9) heeft gevraagd om de gestelde schade met stukken te onderbouwen. Dat verzoek heeft verweerder op 27 maart 2025 herhaald, waarbij verweerder concrete vragen aan klager heeft gesteld over de door klager gestelde schade die tijdens hun bespreking op dezelfde dag aan de orde zouden komen. In zijn verweer tegen de klacht en ook ter zitting heeft verweerder onweersproken verklaard dat hij van klager geen stukken heeft gekregen om de gestelde schade bij de rechtbank namens klager te kunnen onderbouwen en dat de stukken die hij via de patiëntenvertrouwenspersoon van klager heeft ontvangen niet relevant waren voor de schadevergoedingsprocedure. Het feit dat verweerder een bespreking met klager heeft gepland op 27 maart 2025, vijf dagen voor de zitting van 31 maart 2025, betekent niet dat verweerder de zaak van klager onvoldoende heeft voorbereid. Verweerder heeft toegelicht dat er geen reden was om met klager eerder af te spreken, omdat klager geen stukken had aangeleverd om zijn schade te onderbouwen en omdat hij de voorbereiding van een zitting bij voorkeur kort voorafgaand aan een zitting plant. Uit de deze toelichting kan de raad ook geen klachtwaardig handelen van verweerder afleiden. 5.7 De raad komt tot de conclusie dat klachtonderdeel a) ongegrond is, omdat enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder op grond van de stukken en de ter zitting afgelegde verklaringen niet kan worden vastgesteld. Klachtonderdeel b) is ongegrond 5.8 De raad kan niet vaststellen dat verweerder tekort is geschoten in de communicatie met klager. Uit de overgelegde e-mails leidt de raad af dat verweerder klager op verschillende momenten heeft geïnformeerd, bijvoorbeeld over de nieuwe zittingsdatum bij de rechtbank en over de benodigde onderbouwing van de schade. Ook heeft verweerder klager geïnformeerd over zijn afwezigheid van vanwege vakantie. De raad ziet in de diverse contactmomenten tussen verweerder en klager dan ook geen patroon van gebrekkige communicatie zoals klager heeft gesteld. Klachtonderdeel b) is dan ook ongegrond.
BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. C.C. Horrevorts en J. Schulp, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 16 maart 2026
