Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-02-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:48
Zaaknummer
25-885/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft de opdracht aangenomen om klaagster te adviseren over de zaak. Dat heeft hij voldoende voortvarend gedaan. Niet gebleken is dat het advies onjuist of onzorgvuldig is. Verweerder heeft tijdig aan klaagster laten weten dat hij de zaak niet (verder) zou doen. Het is niet de verantwoordelijkheid van verweerder om een nieuwe advocaat voor klaagster te zoeken. Hoewel het wellicht wat vreemd is om de overdracht van een dossier in de tuin te laten plaatsvinden, is dat niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 25 februari 2026 in de zaak 25-885/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 18 december 2025 met kenmerk R 2025/111 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klaagster van 15 januari 2026.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klaagster heeft een geschil (gehad) met een garage. Klaagster heeft het geschil voorgelegd aan de Geschillencommissie Voertuigen. De Geschillencommissie heeft op 12 maart 2025 uitspraak gedaan. Deze uitspraak geldt tussen partijen als een bindend advies, tenzij een van de partijen binnen twee maanden een dagvaarding uitbrengt en de uitspraak van de Geschillencommissie voorlegt bij de rechter ter marginale toetsing. 1.2 Klaagster is het met die uitspraak niet eens en is bij verweerder gekomen voor juridische bijstand. 1.3 Op 1 april 2025 heeft verweerder per e-mail aan klaagster laten weten dat hij haar zaak zal bekijken en haar zal adviseren op toevoegingsbasis. Verweerder heeft klaagster daarbij gevraagd om alvast de minimale eigen bijdrage (€ 95,-) over te maken. Verder heeft verweerder klaagster gevraagd de stukken in de volgende week langs te brengen. 1.4 Klaagster heeft diezelfde dag laten weten dat zij de eigen bijdrage heeft betaald en het dossier de volgende week zal afgeven. 1.5 Klaagster heeft, zoals afgesproken, op 8 april 2025 het dossier aan verweerder verstrekt. 1.6 Op 17 april 2025 heeft verweerder, nadat klaagster contact had opgenomen, laten weten dat hij bezig is met de zaak en verwacht zijn advies eind volgende week te kunnen geven. 1.7 Diezelfde dag heeft klaagster verweerder nog een bericht gestuurd over (mogelijke) misleiding in de procedure bij de Geschillencommissie. 1.8 Op 22 april 2025 heeft verweerder zijn advies aan klaagster gestuurd. Het advies komt erop neer dat verweerder onvoldoende aanknopingspunten ziet om te kunnen concluderen tot vernietiging dan wel erkenning van aansprakelijkheid. 1.9 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en onder meer geschreven dat zij op korte termijn telefonisch contact wil, omdat verweerder een aantal cruciale punten over het hoofd ziet en/of niet juist of onvolledig interpreteert. 1.10 Op 23 april 2025 heeft verweerder aan klaagster laten weten dat hij zondag (20 april) met spoed in het ziekenhuis is opgenomen en maandag weer thuis is gekomen. Van de artsen moet verweerder het iets rustiger aan doen. Verweerder heeft klaagster hierom verzocht om haar bevindingen aan verweerder te mailen, zodat hij die rustig kan bestuderen en hij klaagster daarover kan terugbellen. Verweerder heeft ook geschreven dat als klaagster voornemens is toch een procedure te starten bij de rechtbank, verweerder de zaak niet kan doen vanwege zijn gezondheid. Verweerder heeft klaagster erop gewezen dat zij tijdig contact moet opnemen met een advocaat om ervoor te zorgen dat de termijn voor het instellen van een vordering veilig wordt gesteld. 1.11 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en laten weten dat zij verweerder niet verder wil vermoeien met haar bevindingen, omdat hij toch niet kan procederen. Zij heeft verweerder gevraagd wanneer zij haar dossier kan komen ophalen. 1.12 Op woensdag 23 april 2025 heeft verweerder aan klaagster laten weten dat zij haar dossier de volgende dag kan komen ophalen. Klaagster heeft in reactie daarop laten weten dat dat haar niet schikt en dat zij maandagmiddag of dinsdag kan. 1.13 Op 29 april 2025 heeft klaagster aan verweerder geschreven dat en waarom zij het niet eens is met zijn advies. Verder heeft zij geschreven: “Vanwege de afspraak die ik met u had gemaakt op mijn dossier op te halen, had ik eerlijk gezegd verwacht dat u zelf aanwezig zou zijn. En hoe ongepast was het dat ik het buiten uitgereikt kreeg. (…) Hoewel ik met uw gezondheid te doen heb, is het niet mijn verantwoordelijkheid om een andere advocaat te zoeken. Ik verwacht daarom van u een voorstel om mijn zaak over te dragen aan een collega van u.” 1.14 Op 30 april 2025 heeft verweerder gereageerd en laten weten dat hij haar inderdaad helaas niet persoonlijk te woord kon staan vanwege privéomstandigheden. Verweerder heeft klaagster een advocatenkantoor aangeraden en laten weten dat hij op dit moment niet meer kan doen en binnenkort zal overgaan tot sluiting van haar dossier. 1.15 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en geschreven dat een naam van een ander kantoor niet gelijk staat aan het overdragen van de zaak aan een collega. Klaagster schrijft dat verweerder de zaak heeft aangenomen en er dus verantwoordelijk voor is dat klaagster de deadline van 12 mei gaat halen. 1.16 Verweerder heeft diezelfde dag laten weten dat hij een advies heeft gegeven, dat zijn bemoeienis niet verder gaat en dat hij het dossier sluit. 1.17 Op 17 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 1.18 Op 7 juli 2025 heeft verweerder, in reactie op de klacht, onder meer geschreven: “Overigens is voor het procederen bij de kantonrechter geen procesvertegenwoordiging vereist. (…) Ten overvloede merk ik op dat aan [klaagster] bij aanvang enkel de minimale eigen bijdrage van € 95,-- in rekening is gebracht, terwijl de Raad voor Rechtsbijstand inmiddels een eigen bijdrage van € 951,-- heeft vastgesteld. Hoewel wij daartoe gerechtigd zouden zijn, hebben wij het meerdere uit coulance (vooralsnog) niet doorbelast.”
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij haar, door zijn werkwijze, de mogelijkheid heeft ontnomen om het bindend advies van de Geschillencommissie ter marginale toetsing voor te leggen aan de civiele rechter. Klaagster wijst op het volgende. a) Verweerder is niet voortvarend te werk gegaan bij het adviseren van de zaak. Hij heeft onzorgvuldig geadviseerd, onder meer door klaagsters punten niet mee te nemen in zijn advisering. b) Verweerder heeft zich onttrokken aan de zaak en heeft de verantwoordelijkheid voor het vinden van een nieuwe advocaat bij klaagster gelegd. Daardoor heeft klaagster niet voldoende tijd gehad een andere advocaat te vinden. c) Klaagster vindt het ongepast dat zij, zowel bij het wegbrengen als ophalen van het dossier, buiten te woord is gestaan. Klaagster had bovendien bij het ophalen van haar dossier een afspraak met verweerder, maar hij was er helemaal niet. d) Verweerder heeft klaagster er niet van op de hoogte gesteld dat voor het procederen bij de kantonrechter geen procesvertegenwoordiging vereist is. Klaagster las dit pas voor het eerst in het verweer van verweerder in de klachtenprocedure bij de deken. e) Verweerder zou adviseren op basis van een lichte advies toevoeging (LAT). Verweerder heeft echter een reguliere toevoeging aangevraagd, waarbij de eigen bijdrage van € 951,- is vastgesteld, in plaats van € 95,-. 2.2 Klaagster heeft toegelicht dat zij op 31 maart 2025 contact heeft opgenomen met verweerder, na verwijzing door het Juridisch Loket. Klaagster moest eerst de minimale eigen bijdrage van de toevoeging (€ 95,-) voldoen. Verweerder vroeg klaagster (pas) op 7 april 2025 het dossier bij hem af te geven. Verweerder stond op dat moment in de tuin voor het kantoor. Klaagster heeft het dossier daarom buiten overhandigd en hem meegedeeld dat het haar intentie was om te gaan procederen. Op 16 april 2025 heeft klaagster telefonisch navraag gedaan bij het kantoor, in verband met de termijn van twee maanden om te ageren tegen het bindende advies. Klaagster is het niet eens met het advies van 22 april 2025. Zij wilde daarover op korte termijn telefonisch contact met verweerder hebben. Hij liet weten dat hij met spoed was opgenomen in het ziekenhuis en via de mail contact wilde hebben. Klaagster heeft gevraagd wanneer zij het dossier op kon halen. Dat heeft zij op 29 april kunnen doen. Zij had een afspraak met verweerder gemaakt, maar hij was zelf niet aanwezig en weer kreeg klaagster het dossier buiten uitgereikt. Verweerders gezondheid stond het niet toe om te gaan procederen en hij heeft de verantwoordelijkheid voor het voor het zoeken naar een andere advocaat bij klaagster gelegd. Klaagster vindt dat niet terecht. Op 30 april 2025 heeft zij nog een voorstel van verweerder gehad, maar het initiatief lag bij klaagster en verweerder heeft zijn handen er vanaf getrokken.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerder is van mening dat hij klaagster tijdig en zorgvuldig heeft geadviseerd en haar heeft gewezen op de noodzaak tijdig een andere advocaat te zoeken. Hij heeft klaagster daartoe de ruimte en suggesties geboden. Dat klaagster daarvan geen gebruik heeft gemaakt, komt voor haar eigen rekening. 3.2 Verweerder heeft verder toegelicht dat klaagster bewust heeft gekozen voor begeleiding door een advocaat. Tegen die achtergrond bestond geen aanleiding haar (ongevraagd) te adviseren dat zij er ook voor had kunnen kiezen om zonder advocaat verder te gaan. Dat zou haaks hebben gestaan op het negatieve procesadvies. Een dergelijke suggestie zou klaagster blootstellen aan dezelfde procesrisico’s die verweerder in zijn schriftelijk advies had benoemd. 3.3 Verweerder heeft aanvankelijk per abuis een reguliere toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand (RvR). Dat berustte op een administratieve vergissing die inmiddels is hersteld. De RvR heeft op 26 november 2025 de eigen bijdragen vastgesteld op € 159,-. Verweerders kantoor heeft alleen de minimale eigen bijdrage van € 95,- in rekening gebracht. 3.4 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 4.2 De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij die toets. Klachtonderdeel a) - advisering 4.3 De klacht ziet allereerst op het door verweerder gegeven advies. Verweerder heeft de opdracht aangenomen om klaagster te adviseren over de zaak. Dat heeft hij gedaan met zijn advies van 22 april 2025. Het is duidelijk dat klaagster een heel andere visie op de zaak heeft. Het is de voorzitter echter niet gebleken dat het advies onjuist of onzorgvuldig is, of dat verweerder het dossier niet voldoende heeft bestudeerd. Klaagster is het niet eens met het advies, maar dat maakt het nog niet onjuist. Dat verweerder niet of onvoldoende op klaagsters punten is ingegaan, is de voorzitter evenmin gebleken. 4.4 Verweerder is verder voldoende voortvarend te werk gegaan. Op 1 april 2025 heeft hij de opdracht aangenomen, waarna klaagster haar dossier op 8 april 2025 heeft gebracht. Verweerder heeft vervolgens veertien dagen later, op 22 april 2025, een gemotiveerd advies uitgebracht. Verweerder heeft daarmee na ruim drie weken een advies gegeven. Dat is voldoende voortvarend, afgezet tegen de totale termijn van twee maanden. Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) - onttrekking 4.5 De klacht ziet verder op het feit dat verweerder zich aan de zaak onttrokken heeft. Verweerder heeft op 22 april 2025 zijn advies gegeven en een dag later onder meer laten weten dat hij de zaak bij de rechtbank, vanwege zijn gezondheid, niet zou doen als klaagster wenste te procederen. Klaagster heeft verweerder daarop laten weten dat zij verweerder niet verder wilde vermoeien met haar bevindingen omdat hij niet kon procederen. Klaagster heeft daarbij gevraagd wanneer zij haar dossier kon komen ophalen. Verweerder mocht uit dat bericht afleiden dat klaagster zijn bijstand niet verder wenste en dat zij het dossier wilde sluiten. Verweerder heeft tijdig aan klaagster laten weten dat hij de zaak niet verder voor haar zou doen. Hij heeft klaagster er daarbij ook op gewezen dat ze tijdig contact diende op te nemen met een andere advocaat om de termijn veilig te stellen. De voorzitter is van oordeel dat verweerder zich aan de zaak mocht onttrekken en dat ook op zorgvuldige wijze heeft gedaan. Het is niet de verantwoordelijkheid van verweerder om een nieuwe advocaat voor klaagster te zoeken. Klaagster wist vanaf 23 april 2025 dat verweerder de procedure niet ging voeren en zij had vanaf dat moment dan ook naar een andere advocaat op zoek kunnen gaan. Verweerder kan op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel c) – contact bij brengen en halen dossier 4.6 Klaagster vindt het ongepast dat zij bij het brengen en ophalen van het dossier buiten te woord is gestaan door verweerder (bij het wegbrengen) en door een medewerker (bij het ophalen). Hoewel het wellicht wat vreemd is om de overdracht van een dossier in de tuin te laten plaatsvinden, is dat niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Uit de e-mailwisseling tussen klaagster en verweerder blijkt verder niet dat er bij het ophalen van het dossier daadwerkelijk een afspraak met verweerder (in persoon) is gemaakt. Er is alleen een moment afgesproken waarop klaagster het dossier kon ophalen. Verweerder hoefde het dossier niet in persoon over te dragen, maar mocht dat door een medewerker laten doen. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel d) – informeren over procederen bij kantonrechter 4.7 Klaagster verwijt verweerder dat hij haar niet eerder/tijdig heeft geïnformeerd over het feit dat voor procederen bij de kantonrechter geen procesvertegenwoordiging verplicht is. Klaagster had daar wel van op de hoogte kunnen zijn als zij het bindend advies van de Geschillencommissie gelezen had. Zij koos bovendien bewust voor bijstand van een advocaat, waardoor het niet voor de hand lag om klaagster te wijzen op de mogelijkheid om toch zonder vertegenwoordiging van een advocaat te gaan procederen. Hoewel verweerder dat volledigheidshalve aan klaagster had kunnen melden, is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat hij dat niet heeft gedaan. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel e) – toevoeging 4.8 Klaagster verwijt verweerder dat hij een reguliere toevoeging (met een veel hogere eigen bijdrage) heeft aangevraagd dan afgesproken. Verweerder heeft toegelicht dat hij per abuis een reguliere toevoeging in plaats van een LAT heeft aangevraagd. Hij heeft dit hersteld nadat klaagster hem hierop heeft gewezen. Klaagster heeft hier geen nadeel van ondervonden. Een dergelijke vergissing levert, nu deze door verweerder hersteld is, geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Overigens heeft verweerder niet de uiteindelijk vastgestelde eigen bijdrage van € 159,- aan klaagster in rekening gebracht, maar alleen de bij aanvang verzochte minimale eigen bijdrage van € 95,-. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
BESLISSING De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond
