Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:36
Zaaknummer
26-041/DB/OB
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening in een strafzaak. De voorzitter verklaart de klacht deels, met toepassing van 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2026
in de zaak 26-041/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klager gemachtigde: [naam]
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 19 januari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk 48|25|126K, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9.1, van de nagekomen e-mail met bijlage van verweerder van 20 januari 2026 en van de nagekomen e-mails met bijlagen van klagers gemachtigde van 27 en 28 januari 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft klager in de periode maart 2020 tot januari 2024 in meerdere strafzaken bijgestaan.
1.2 Een van deze strafzaken betrof een zedenzaak, waarin verweerder in de periode van 4 maart 2020 tot 14 september 2022 aan klager rechtsbijstand heeft verleend. In 2020 heeft de eerste bespreking tussen klager en verweerder plaatsgevonden. Op 3 december 2020 heeft in deze strafzaak een zitting plaatsgevonden. Op 21 juli 2021 heeft wederom een bespreking tussen klager en verweerder plaatsgevonden.
1.3 In 2021 heeft klager, althans zijn gemachtigde, een klacht ingediend bij de politie en verweerder daarvan op de hoogte gebracht.
1.4 In juni 2023 heeft klagers gemachtigde middels een Whatsapp-bericht aan verweerder medegedeeld dat klager was gechanteerd, was benaderd “met de nodige dreiging” en anonieme telefonische oproepen had ontvangen. Verweerder heeft klagers gemachtigde geadviseerd om hiervan melding te maken bij de politie.
1.5 Op 21 juli 2025 heeft klagers gemachtigde namens klager een klacht ingediend bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam. Bij beslissing van 31 juli 2025 (kenmerk 250250) heeft de voorzitter van het Hof van Discipline voor onderzoek en afhandeling van de klacht de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Oost-Brabant aangewezen.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft tijdens een bespreking aangegeven dat er geen sluitend bewijs tegen klager was, maar toch stellig beweerd dat drie meisjes identieke belastende verklaringen hadden afgelegd, die in werkelijkheid niet bestonden; 2. Verweerder heeft tijdens de eerste bespreking een vooringenomen en intimiderende houding jegens klager aangenomen en tegen klager gezegd dat hij maar een andere advocaat moest zoeken; 3. Verweerder heeft in de strafrechtelijke procedure niets gedaan met de klacht die klager in 2021 heeft ingediend tegen de politie; 4. Verweerder had naar eigen zeggen ter zitting van 3 december 2020 de rechters moeten wraken, maar heeft dat niet gedaan; 5. Verweerder heeft geen enkele actie ondernomen naar aanleiding van de chantage en bedreigingen waarvan klagers gemachtigde in de periode van 11 juni 2023 en 8 augustus 2023 bij verweerder melding had gemaakt; 6. Verweerder heeft nagelaten bewijsmateriaal veilig te stellen, zoals de handschoen van de politieagent waarin klager had gebeten; 7. Verweerder heeft een onjuiste voorstelling gegeven van de vermeende mishandeling, waarbij verweerder heeft aangegeven dat klager een bekentenis had afgelegd, hetgeen klager ontkent; 8. Verweerder heeft met zijn handelwijze een advocatenwissel noodzakelijk gemaakt. Klager wilde eigenlijk geen andere advocaat, maar omdat hij het vertrouwen in verweerder was kwijtgeraakt, had hij geen andere keus dan zich tot een andere advocaat wenden.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Ontvankelijkheid
De voorzitter overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat de klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als de klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht op ziet. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat de klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
4.2 Klachtonderdelen 1, 2 en 4
Klager heeft zich op 21 juli 2025 met een klacht over verweerder tot de deken gewend. Dit betekent dat de klachtonderdelen die zien op handelen of nalaten van verweerder van voor 21 juli 2022 op grond van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk zijn. Als niet door klager weersproken staat vast dat klachtonderdeel 1 betrekking heeft op de bespreking van 21 juli 2021 en dat klachtonderdeel 2 betrekking heeft op de eerste bespreking, die in 2020 heeft plaatsgevonden. Klachtonderdeel 4 heeft betrekking op verweerders optreden ter zitting van 3 december 2020. De klachtonderdelen 1, 2 en 4 zien kortom op handelen of nalaten van verweerder van voor 21 juli 2022, zodat deze klachtonderdelen op grond van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk zijn. Dat klager niet in staat was om eerder te klagen dan hij heeft gedaan, is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts gesteld noch gebleken.
4.3 Beoordeling
Toetsingskader
Voor zover de klacht ziet op handelen of nalaten van verweerder vanaf 21 juli 2022 kan klager wel in de klacht worden ontvangen. De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.4 Klachtonderdelen 3, 5, 6, 7 en 8
Klachtonderdeel 3 ziet op de klacht die klager in 2021 tegen de politie heeft ingediend. Dit onderdeel van de klacht is, voor zover het ziet op handelen of nalaten van verweerder van voor 21 juli 2022, op grond van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk. Voor zover dit klachtonderdeel ziet op het optreden van verweerder vanaf 21 juli 2022 is het voorts naar het oordeel van de voorzitter kennelijk ongegrond. Verweerder heeft het verweer gevoerd dat hem nimmer is verzocht om de klacht in de strafrechtelijke procedure te benoemen en dat hij daartoe ook geen aanleiding zag omdat die klacht ook geen juridische relevantie had in de strafrechtelijke procedure. De voorzitter is van oordeel dat klager, in het licht van het gemotiveerde verweer van verweerder, dit klachtonderdeel onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. Dat verweerder op dit punt steken heeft laten vallen, is niet gebleken.
4.5 Klager verwijt verweerder verder dat hij geen enkele actie heeft ondernomen naar aanleiding van de chantage en bedreigingen waarvan klagers gemachtigde in de periode van 11 juni 2023 en 8 augustus 2023 bij verweerder melding had gemaakt (klachtonderdeel 5). De voorzitter volgt verweerder in zijn verweer dat hij daarvoor geen opdracht van klager heeft gekregen. Uit de aan de raad overgelegde stukken blijkt niet dat klager aan verweerder de opdracht heeft verstrekt om op te treden tegen de persoon/personen die hem zouden hebben bedreigd of gechanteerd. Verweerder heeft klager geadviseerd om een en ander te melden bij de politie. Tot meer dan dat was verweerder vanuit tuchtrechtelijk perspectief bezien niet verplicht. Ook klachtonderdeel 5 is derhalve kennelijk ongegrond.
4.6 Klager verwijt verweerder dat hij heeft nagelaten bewijsmateriaal veilig te stellen (klachtonderdeel 6) en dat hij een onjuiste voorstelling heeft gegeven van de vermeende mishandeling (klachtonderdeel 7). Verweerder heeft ook deze klachtonderdelen weersproken. Verweerder heeft naar voren gebracht dat hij nooit een handschoen van een politieagent in handen heeft gehad. De voorzitter heeft daarvoor in de overgelegde stukken ook geen enkel aanknopingspunt gevonden. Dat door toedoen van verweerder mogelijk ontlastend bewijs verloren is gegaan, is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken. Dat verweerder een onjuiste voorstelling heeft gegeven van de vermeende mishandeling heeft de voorzitter evenmin op basis van de overgelegde stukken kunnen vaststellen. Verweerder heeft aangegeven dat hij geen idee heeft waarop dit klachtonderdeel betrekking heeft. Bij gebreke van een nadere feitelijke onderbouwing, die niet is gegeven, zal de voorzitter de klachtonderdelen 6 en 7 kennelijk ongegrond verklaren.
4.7 Klager verwijt verweerder tot slot dat hij met zijn handelwijze een advocatenwissel noodzakelijk heeft gemaakt (klachtonderdeel 8). Klager wilde eigenlijk geen andere advocaat, maar omdat hij het vertrouwen in verweerder was kwijtgeraakt, had hij geen andere keus dan zich tot een andere advocaat wenden, aldus klager. De voorzitter is van oordeel dat ook dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mist. Het moge zo zijn dat klager het vertrouwen in verweerder was kwijt geraakt, maar dat dit het gevolg is geweest van ondermaats presteren van verweerder of dat verweerder daarvoor op andere wijze aanleiding voor heeft gegeven, is niet gebleken. Het stond klager vrij om aan andere advocaat in de arm te nemen en dat heeft hij ook gedaan. Voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerder bestaat geen aanleiding. Ook dit klachtonderdeel is dan ook kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klachtonderdelen 1, 2 en 4 met toepassing van 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk;
- klachtonderdeel 3, voor zover het ziet op handelen of nalaten van verweerder van voor 21 juli 2022, op grond van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk, en voor zover het ziet op het optreden van verweerder vanaf 21 juli 2022, kennelijk ongegrond.
- de klachtonderdelen 5, 6, 7 en 8, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub c Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 maart 2026
