Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-02-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:47
Zaaknummer
25-234/DH/DH/D
Inhoudsindicatie
Dekenbezwaar over een artikel 16h-advocaat. Verweerster is langdurig niet bereikbaar geweest voor de deken, waardoor zij herhaaldelijk niet heeft voldaan aan informatieverzoeken van de deken. ICT-problemen komen voor verweersters rekening. De wijze waarop de kantoororganisatie tekortschiet, vormt aanleiding voor het opleggen van een zware voorwaardelijke schorsing van 10 maanden. Oplegging bijzondere voorwaarde dat achterstallige verplichtingen binnen 6 maanden moeten zijn voldaan.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 23 februari 2026 in de zaak 25-234/DH/DH/D naar aanleiding van het dekenbezwaar van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
over:
verweerster gemachtigde: mr. J. Cortet
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 8 april 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerster. 1.2 Op 23 april 2025 heeft de griffie van de raad partijen verzocht om hun verhinderdata door te geven. Dit bericht is verzonden per aangetekende e-mail aan het e-mailadres van verweerster zoals dat bij de Orde van Advocaten geregistreerd stond ([e-mailadres 1]). De aangetekende e mail is door verweerster niet opgevraagd of geopend. Verweerster heeft dan ook geen verhinderdagen opgegeven. 1.3 Op 8 mei 2025 zijn partijen opgeroepen voor de zitting van de raad van 8 september 2025. Omdat de griffie in het geheel niets van verweerster had vernomen – er is geen verweerschrift ingediend of anderszins gecorrespondeerd – heeft de griffier op 1 september 2025 telefonisch contact gezocht met het bedrijf [V], alwaar verweerster ook/inmiddels werkzaam bleek te zijn. Een collega van verweerster heeft de griffier een e mailadres gegeven waarop verweerster bereikbaar zou zijn ([e-mailadres 2]). Diezelfde dag heeft de griffier verweerster via dat e-mailadres verzocht om te bevestigen dat zij daarop bereikbaar was. Daarop is niet gereageerd. Op 4 september 2025 heeft de griffier opnieuw verzocht om deze bevestiging, met de mededeling dat het gaat om een zaak die op 8 september 2025 ter zitting zou worden behandeld. Daarop is niet gereageerd. 1.4 In de ochtend van 8 september 2025 heeft de griffier nogmaals contact gezocht met [bedrijf V]. Daar kreeg zij verweerster, haar collega en haar echtgenoot telefonisch te spreken. Daarbij is medegedeeld dat die middag het dekenbezwaar zou worden behandeld tegen verweerster. Verweerster heeft kenbaar gemaakt niet van het dekenbezwaar af te weten. De griffier heeft daarom opnieuw verzocht om opgave van het e-mailadres waarop zij te bereiken is. Afgesproken is toen dat verweerster een e-mail aan de griffie zou sturen, waarop gereageerd zou worden door de griffie onder gelijktijdige toezending van het dekenbezwaar. Verder is aan verweerster medegedeeld dat zij schriftelijk om aanhouding diende te verzoeken en dat dit vervolgens zou worden voorgelegd aan de voorzitter. De collega van verweerster heeft vervolgens om 08:44 uur per e-mail vanaf [e-mailadres 2] laten weten dat het e-mailadres [e-mailadres 3] gebruikt kon worden. Om 08:53 uur heeft de griffier het dekenbezwaar aan beide e-mailadressen verzonden. Om 09:45 uur heeft verweerster een aanhoudingsverzoek ingediend, waarbij verweerster heeft verzocht om het e-mailadres [e-mailadres 4] te gebruiken. Dit verzoek is door de voorzitter gehonoreerd. 1.5 Op 9 september 2025 heeft de griffie van de raad partijen opnieuw verzocht om hun verhinderdata. Verweerster heeft daarop op 10 september 2025 gereageerd. Op 23 september 2025 heeft de griffie partijen opgeroepen voor de zitting van de raad van 12 januari 2026. Dit bericht is verzonden per aangetekende e-mail aan [e-mailadres 4] en [e-mailadres 2]. De aangetekende e-mails zijn door verweerster niet opgevraagd of geopend. De oproep is op 6 oktober 2025 opnieuw verzonden per reguliere e-mail aan beide e-mailadressen. 1.6 Op 11 december 2025 heeft verweerster diverse stukken ingediend. Verweerster heeft daarbij verzocht of de zitting nog door diende te gaan, naar aanleiding van die stukken. Van dit bericht is geen kopie aan de deken verzonden. Op 12 december 2025 heeft de griffie de stukken doorgezonden aan de deken en verweerster verzocht om in het vervolg haar berichten in cc aan de deken te versturen. 1.7 Op 15 december 2025 heeft de deken gereageerd en haar dekenbezwaar gehandhaafd. 1.8 Op 16 december 2025 heeft verweerster de griffier verzocht om een bespreking met de deken voorafgaand aan de zitting. Van dit bericht is geen kopie verzonden aan de deken. Diezelfde dag heeft de griffie van de raad het bericht doorgezonden aan de deken en partijen medegedeeld dat de zitting doorgang vindt, aangezien het dekenbezwaar wordt gehandhaafd. 1.9 Op 17 december 2025 heeft verweerster medegedeeld haar verzoek om een afspraak met de deken rechtstreeks aan de deken te doen. 1.10 Op 5 januari 2026 heeft verweerster de griffie van de raad verzocht om een kopie van het dekenbezwaar, omdat zij enkel over de e-mailcorrespondentie beschikte. Daarop is diezelfde dag door de griffie bericht dat het dekenbezwaar al op 8 september 2025 aan verweerster is verzonden en dat deze niet opnieuw worden toegezonden. 1.11 Op eveneens 5 januari 2026 heeft de gemachtigde mr. Cortet zich namens verweerster gesteld en bij de deken om toezending van diverse stukken verzocht. 1.12 Op 7 januari 2026 heeft de gemachtigde van verweerster de griffie van de raad nogmaals verzocht om een kopie van het dekenbezwaar, omdat haar cliënte daar niet over beschikte. Het dekenbezwaar is vervolgens (opnieuw) toegezonden. 1.13 Op 9 januari 2026 heeft de deken gereageerd op de verzoeken van de gemachtigde van 5 januari 2026. 1.14 Op 9 januari 2026 heeft verweerster een kennisgevingsbericht verstuurd aan de Ordem dos Advogados. 1.15 Op 9 januari 2026 heeft de gemachtigde aanvullende stukken ingediend. 1.16 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026. Daarbij waren de deken, bijgestaan door twee stafjuristen, en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, haar echtgenoot en een tolk, aanwezig. 1.17 De raad heeft kennisgenomen van het dekenbezwaar en de hiervoor genoemde reacties, inclusief bijlagen.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Verweerster is advogada in Portugal. Zij is daarnaast op grond van artikel 16h van de Advocatenwet ingeschreven op het Nederlandse Tableau. Dat is zij per 5 maart 2024. Verweerster heeft een nieuw kantoor opgericht: [bedrijf M] te [plaats]. De deken heeft haar daarom op 7 maart 2024 verzocht om de Opgave Nieuw Kantoor (hierna: ONK) in te vullen. Op 24 maart 2024 en 10 juni 2024 zijn rappels verstuurd voor de ONK. 2.3 Op 11 juni 2024 heeft de collega van verweerster de deken bericht dat verweerster ziek is geweest en daar wellicht niet aan is toegekomen. Hij heeft de deken verzocht om door te geven wat de deken nodig heeft zodat hij dit diezelfde dag kon regelen. De deken heeft hem diezelfde dag de link naar de ONK toegezonden. 2.4 Op 25 juni 2024 is de ONK ingevuld. Naar aanleiding daarvan heeft de stafjurist van de Orde verweerster op 28 juni 2024 verzocht om aanvullende informatie: “Uw opgave leidt tot de volgende vragen en/of opmerkingen: Beroepsaansprakelijkheidsverzekering U hebt aangegeven dat u niet bent verzekerd voor beroepsaansprakelijkheid. Op grond van het gestelde in artikel 6.24 van de Voda dient u adequaat verzekerd te zijn ter zake van het risico van beroepsaansprakelijkheid. In artikel 6.25 van de Voda staat vermeld aan welke voorwaarden de verzekering dient te voldoen. Ik verzoek u dan ook vriendelijk om zo spoedig mogelijk zorg te dragen voor een adequate verzekering en mij uiterlijk binnen twee weken na heden de bewijsstukken daarvan toe te zenden. Kantoorklachtenregeling In uw opgave hebt u aangegeven niet te beschikken over een kantoorklachtenregeling. Op grond van artikel 6.28 lid 1 van de Voda dient u te beschikken over een kantoorklachtenregeling die voldoet aan het bepaalde in het tweede lid van dat artikel. Op de website van de NOvA treft u een voorbeeld aan: https://www.advocatenorde.nl/voor-uw-praktijk-1/modellen-handleidingenformulieren/ kantoorklachtenregeling. Ik verzoek u vriendelijk alsnog zorg te dragen voor een kantoorklachtenregeling en een afschrift daarvan binnen drie weken na heden toe te voegen aan uw opgave nieuw kantoor. Geheimhoudernummers Ook heeft u in uw opgave aangegeven dat u geen geheimhoudernummers hebt opgegeven. Op grond van artikel 6.10 Voda is iedere advocaat (dus niet alleen de strafrechtadvocaten) verplicht de geheimhoudernummers op te geven én deze actueel te houden. Ik verzoek u vriendelijk er binnen twee weken na heden voor zorg te dragen dat u uw actuele geheimhoudernummer(s) heeft doorgegeven via Mijn Orde op www.advocatenorde.nl en aan mij binnen drie weken na heden te bevestigen dat u dit heeft gedaan. Kantoorhandboek U hebt aangegeven dat u niet beschikt over een kantoorhandboek. In dat kader verwijs ik u graag naar artikel 6.4 van de Voda jo. artikel 6.32 van de Voda. Op de website van de NOvA treft u een voorbeeld aan van het kantoorhandboek https://www.advocatenorde+nllvoor-uw-prakti jk-1/ modellen-handleidingenformulieren/ kantoorhandboek. Het is daarbij wel de bedoeling dat u het handboek kantoorspecifiek maakt. Ik verzoek u vriendelijk mij binnen drie weken na heden kopie toe te zenden van het door u opgestelde kantoorhandboek. Vervangingsregeling U heeft aangegeven dat u uw vervanging intern met kantoorgenoten hebt geregeld. Aangezien u de enige advocaat bent op uw kantoor dient u een waarnemingsovereenkomst te sluiten met een andere advocaat. Een voorbeeld van een vervangingsregeling kunt u terugvinden in het model kantoorhandboek. Ik verzoek u vriendelijk mij binnen drie weken na heden kopie toe te zenden van de waarnemingsovereenkomst. Informatieverstrekking In uw opgave hebt u aangegeven dat u hebt voldaan aan het gestelde in artikel 7.4 van de Voda en de artikelen 6:230b tot en met 6:230e Burgerlijk Wetboek. Uw website is echter nog niet gereed. Op welke wijze voldoet u in de tussentijd aan het gestelde in genoemde artikelen? Overig Het viel mij op dat u bij de Kamer van Koophandel veel verschillende handelsnamen hebt geregistreerd en meerdere SBI-codes hebt geregistreerd. Kunt u uw activiteiten binnen uw eenmanszaak nader toelichten?” 2.5 Op 30 augustus 2024, 18 september 2024, 4 november 2024 en 3 december 2024 heeft de stafjurist rappels verzonden aan verweerster. Bij het bericht van 3 december 2024 is het dekenbezwaar aangekondigd, met de mededeling dat de Ordem dos Advocagos (de Portugese Orde van Advocaten) daarvan op de hoogte zal worden gesteld. Ook hierop heeft de stafjurist geen reactie ontvangen. 2.6 Op 21 januari 2025 heeft de deken verweerster verzocht om de CCV-opgave over 2024 in te vullen. 2.7 Op 27 januari 2025 heeft de stafjurist de collega van verweerster gesproken, waarvan zij de inhoud per e-mail aan [e-mailadres 2] heeft bevestigd: “Zoals zojuist besproken zend ik u hierbij de e-mails die ik vorig jaar aan [verweerster] heb gezonden, welke e-mails wel zijn afgeleverd maar waarop geen enkele reactie is gekomen. Zoals ook In die e-mails is aangekondigd overweegt de deken een dekenbezwaar in te dienen tegen [verweerster] wegens het uitblijven van een reactie. Ik begrijp zojuist van u dat [bedrijf M] kennelijk niet meer bestaat en er sprake is van een ander kantoor. Ik ontvang hierop graag een nadere toelichting. [Verweerster] staat namelijk bij BAR nog altijd geregistreerd onder het kantoor [bedrijf M]. [Verweerster] is gehouden wijzigingen in haar kantoorsituatie direct door te geven aan BAR va MijnOrde. Ik stel vast dat zij hiertoe niet is overgegaan, zodat ik haar vriendelijk dan wel dringend verzoek haar gegevens alsnog zo spoedig mogelijk te wijzigen. Indien sprake is van een nieuw kantoor zal zij een nieuwe uitnodiging ontvangen voor het doen van Opgave Nieuw Kantoor.“ 2.8 Op 12 februari 2025 en 21 februari 2025 zijn opnieuw rappels over de ONK verzonden aan zowel [e-mailadres 2] als [e-mailadres 1]. De rappel van 21 februari 2025 is ook in cc verzonden aan het e-mailadres van de betreffende collega bij [bedrijf V]. Ook hierop heeft de stafjurist geen reactie ontvangen. 2.9 Op 3 maart 2025 heeft de deken een rappel verstuurd over de CCV aan [e-mailadres 1]. Ook hierop heeft de deken geen reactie ontvangen. 2.10 Op 7 maart 2025 heeft de deken de Ordem dos Advogados geïnformeerd over haar voornemen om een dekenbezwaar in te dienen en verzocht zich daarover uiterlijk 14 maart 2025 uit te laten. 2.11 Op 18 maart 2025 heeft de deken verweerster een rappel verstuurd over de CCV via het emailadres [e-mailadres 1]. Ook hierop heeft de deken geen reactie ontvangen. 2.12 Op 31 maart 2025 heeft de Ordem dos Advogados een standpunt ingenomen, inhoudende dat het niet mogelijk was om tijdig een standpunt in te nemen maar dat Conselho de Deontologia do [plaats] een voorlopig onderzoek is gestart en de uitkomst van het dekenbezwaar afwacht. 2.13 Op 1 juli 2025 heeft de deken verweerster verzocht om uiterlijk 15 september 2025 de Kantooropgave 2025 en Kengetallen over 2024 in te vullen. 2.14 Op 11 december 2025 heeft verweerster de volgende documenten verstuurd aan de raad in het kader van deze procedure: - Een vertaling van haar registratie bij de Ordem dos Advogados; - Een bevestiging van 27 december 2024 van haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar dat haar activiteiten wereldwijd verzekerd zijn; - Twee verklaringen van haar waarnemers van respectievelijk 12 september 2025 en 8 oktober 2025; - Een kantoorhandboek van 10 oktober 2025; - Een betalingsbevestiging van de hoofdelijke omslag aan de Haagse Orde; - Een aanmaning van de deurwaarder tot betaling van de financiële bijdrage over 2025 inclusief incassokosten. 2.15 Op 15 december 2025 heeft de deken bericht dat de CCV-opgave 2024 en Kantooropgave 2025 nog altijd niet zijn gedaan. De deken vermeldt dat uit verweersters bericht van 11 december 2025 ook volgt dat zij een nieuw kantoor is gestart dat niet in BAR is verwerkt en dat zodoende nog altijd geen ONK is gedaan.
3 KLACHT 3.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerster in strijd te handelen met gedragsregel 29.
4 VERWEER 4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 4.2 5 BEOORDELING Ontvankelijkheid 5.1 Uit artikel 7 van de Richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven (hierna: de Richtlijn) volgt, voor zover relevant: 1. Indien de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat niet aan de in de lidstaat van ontvangst geldende verplichtingen voldoet, zijn de procedureregels, de sancties en de middelen van beroep van de lidstaat van ontvangst van toepassing. 2. Alvorens jegens de onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzame advocaat een tuchtprocedure in te stellen, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst die van de lidstaat van herkomst daarvan onverwijld in kennis en verstrekt zij deze alle dienstige inlichtingen. (…) 3. Onverminderd de beslissingsbevoegdheid van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, werkt deze gedurende de gehele tuchtprocedure met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst samen. De lidstaat van ontvangst treft met name de nodige schikkingen om de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in de gelegenheid te stellen voor de instanties van beroep haar opmerkingen kenbaar te maken. (…)” 5.2 De raad stelt vast dat de deken de bevoegde autoriteit van het lidstaat van herkomst, zijnde de Ordem dos Advogados dan wel Conselho de Deontologia do [plaats], heeft geïnformeerd over haar voornemen om een tuchtprocedure te starten tegen verweerster. De raad stelt vast dat de door de deken gestelde termijn niet is gehaald, maar dat nadien op 31 maart 2025 wel is gereageerd op het voornemen. Niet gebleken is dat om een aanvullende termijn is verzocht voor het innemen van een standpunt. De raad is daarmee van oordeel dat de deken aan de haar opgelegde verplichtingen heeft voldaan zoals neergelegd in artikel 7 van de Richtlijn. Het dekenbezwaar zal dan ook inhoudelijk worden beoordeeld. Procedurele beslissingen 5.3 Ter zitting is gesproken over de aanvullende stukken die op 9 januari 2026, zijnde de vrijdag voor de zitting op maandag 12 januari 2026, door de gemachtigde van verweerster zijn ingediend. De deken heeft daarover desgevraagd opgemerkt de stukken ‘een beetje laat’ ingediend te vinden en dat zij geen tijd heeft gehad om deze te bestuderen. Wel heeft zij daarover in haar pleitnota opgemerkt dat deze stukken, die zien op de CCV en Kantooropgave, nog beoordeeld dienen te worden. 5.4 De deken heeft geen uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het toelaten van de stukken van 9 januari 2026 tot het dossier. De raad constateert dat deze stukken bestaan uit een bezwaarschrift van 7 januari 2026 tegen een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom van 25 november 2025 én een aanvulling van de bezwaargronden van 9 januari 2025. Verweerster heeft deze stukken dan ook niet op een eerder moment kunnen indienen. Gelet op dit alles, zal de raad deze stukken aan het dossier toevoegen. Inhoudelijke beoordeling Toetsingskader 5.5 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. De deken vertegenwoordigt met het dekenbezwaar een algemener belang, waaronder het belang van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur. Voor de beoordeling van het dekenbezwaar wordt bij deze maatstaf aansluiting gezocht. 5.6 Artikel 16k van de Advocatenwet luidt: 1. De advocaat, bedoeld in het eerste lid van artikel 16h, is voor alle werkzaamheden die hij in Nederland uitoefent aan dezelfde beroeps- en gedragsregels alsmede aan dezelfde voorwaarden onderworpen als de advocaat die overeenkomstig artikel 1 is ingeschreven, met inbegrip van de verordeningen genoemd in artikel 28. 2. De artikelen 10, 10a, eerste lid, 11a, 12, 13, 14 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing voor zover de advocaat optreedt in Nederland. 5.7 Gedragsregel 29 luidt: Bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, is de betrokken advocaat verplicht alle gevraagde inlichtingen aanstonds aan de deken te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen. Beoordeling 5.8 De raad stelt vast dat verweerster ondanks diverse rappels geen opvolging heeft gegeven aan de informatieverzoeken van de deken in de periode waar het dekenbezwaar op ziet, namelijk van juni 2024 tot aan de indiening van het dekenbezwaar op 8 april 2025. Dat betreft zowel de ONK, de CCV, de Kantooropgave als de Kengetallen. De deken heeft verweerster meerdere malen in de gelegenheid gesteld om dat alsnog te doen, door vele rappels te versturen. Verweerster heeft daaraan, ook na telefonisch contact met haar (nieuwe) kantoor, geen gevolg gegeven. De raad constateert dat gedragsregel 29 daarmee is geschonden. 5.9 Vervolgens moet worden bezien of dit verweerster ook tuchtrechtelijk kan worden aangerekend. Zij heeft ter zitting namelijk toegelicht dat sprake is van een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden. Bij het samenvoegen van het e-mailadres van haar oude kantoor ([bedrijf M]) en het nieuwe kantoor ([bedrijf V]) is het op het gebied van ICT volledig misgegaan, waardoor er e-mails verloren zijn gegaan. Nadat zij de e-mails van de deken achteraf wel heeft ontvangen, is zij in de veronderstelling geweest dat het voldoende was om per e-mail en niet via BAR aan te geven op welk e-mailadres zij bereikt kan worden. Verweerster verkeerde ten onrechte in de veronderstelling dat dit net zoals in Portugal werkte, waar als de applicatie niet werkt er per e-mail kan worden gecommuniceerd. Wel snapt zij, achteraf bezien, dat het haar verantwoordelijkheid was om uit te zoeken hoe alles werkte. 5.10 Namens verweerster is verder toegelicht dat zij in Nederland niet als advocaat heeft gehandeld, maar dat zij als jurist ondersteunende werkzaamheden heeft verricht voor Nederlandse advocaten. Zij meende daarom dat zij niet gehouden was om opleidingspunten te behalen. Wel heeft verweerster regelmatig opleidingen gevolgd, maar het was haar niet duidelijk dat zij daar, anders dan in Portugal, ook accreditaties voor moest aanleveren bij de Orde. Inmiddels zijn alle opgaven ingevuld en heeft zij aan alle verplichtingen voldaan, met de kanttekening dat het nog niet duidelijk is of de cursussen die zij heeft gevolgd voldoende opleidingspunten opleveren. 5.11 De raad is van oordeel dat problemen met de ICT voor verweersters eigen risico komen. Als er dusdanige problemen waren met het ontvangen van e-mails, dan behoorde het tot verweersters verantwoordelijkheid om daarvoor passende maatregelen te nemen en de deken daarover tijdig te informeren. De deken is van het kastje naar de muur gestuurd en ontving ook via beweerdelijk nieuw ingevoerde kantooradressen steeds bot met haar verzoeken. Zelfs nadat de deken telefonisch contact had gehad met het huidige kantoor van verweerster, werd door haar geen actie ondernomen. Hiermee is de schending door verweerster van gedragsregel 29 reeds gegeven. 5.12 In haar communicatie met de raad heeft verweerster er verder blijk van gegeven niet goed voor ogen te hebben wat de positie is van de raad ten opzichte van die van de deken, waardoor verzoeken en stukken door haar naar de verkeerde emailadressen zijn gestuurd. Op zitting gaf verweerster geen blijk van enig zelfinzicht. Zij bleef ontkennen de deken naar aanleiding van haar herhaalde verzoeken onjuist of onvolledig te hebben geïnformeerd. Zij verwees daarbij stelselmatig naar de binnen de Portugese Orde van Advocaten voorgeschreven manier van werken, waaraan zij wél zou hebben voldaan. Voor zover verweerster de door de deken opgevraagde stukken inmiddels alsnog zou hebben ingestuurd (de deken heeft dat ter zitting uitdrukkelijk weersproken) laat dat onverlet dat verweerster zich jegens de deken gedurende de periode waar de dekenklacht betrekking op heeft (juni 2024 tot april 2025) tuchtrechtelijk laakbaar heeft gedagen. De raad acht het dekenbezwaar daarom gegrond. 6 MAATREGEL 6.1 De raad maakt zich ernstige zorgen om de kantoororganisatie van verweerster. Verweerster is langdurig niet bereikbaar geweest voor de deken, waardoor zij herhaaldelijk niet heeft voldaan aan informatieverzoeken van de deken. Dat zij ICT-problemen heeft ervaren, doet niet af aan haar verantwoordelijkheid om wel bereikbaar te zijn. Dit beeld wordt versterkt doordat er ook geen opvolging werd gegeven aan verzoeken nadat er telefonisch contact is geweest met verweerster, verweerster noch richting de deken noch richting de raad duidelijk is geweest over haar contactgegevens, de deurwaarder er kennelijk aan te pas moest komen om de financiële bijdrage betaald te krijgen en verweerster pas één week voor de zitting het dekenbezwaar heeft opgevraagd omdat zij deze beweerdelijk niet zou hebben ontvangen, terwijl het naar alle van verweerster bekende emailadressen was opgestuurd. Verweerster heeft daarbij meermaals erop gewezen dat het in Portugal anders werkt, maar zij dient te begrijpen dat zij overeenkomstig artikel 16k van de Advocatenwet, in navolging van artikel 6 lid 1 van de Richtlijn, voor haar werkzaamheden in Nederland is onderworpen aan de Nederlandse beroeps- en gedragsregels, ook als die afwijken van de Portugese beroeps- en gedragsregels. 6.2 Verweerster heeft ter zitting aangevoerd dat zij inmiddels aan alle verplichtingen zou hebben voldaan. Dat is door de deken weersproken. Zo zou de financiële bijdrage over 2025 nog niet zijn betaald, is haar duidelijk dat verweerster niet heeft voldaan aan de verplichte kwaliteitstoetsen (intervisie of gestructureerd intercollegiaal overleg) en haar opleidingsverplichtingen, en moet nog beoordeeld worden of de (pas vlak voor de zitting ontvangen) CCV-opgave en Kantooropgave volledig zijn. 6.3 Bovendien heeft verweerster ter zitting naar voren gebracht dat zij in december 2025 heeft besloten om opnieuw een nieuw advocatenkantoor te beginnen, zijnde [bedrijf 3]. Ook dan zal er een nieuwe ONK ingevuld moeten worden. De raad kan begrijpen dat de deken er een hard hoofd in heeft dat verweerster deze ONK nu wel op tijd zal invullen. 6.4 De wijze waarop de kantoororganisatie bij verweerster tekortschiet, vormt voor de raad aanleiding om een zware maatregel op te leggen in de vorm van een schorsing. De raad acht een schorsing voor de duur van 43 weken (hetgeen neerkomt op tien maanden) noodzakelijk. Dat zal wel volledig voorwaardelijk zijn om verweerster de kans te geven te laten zien dat zij de deken en het tuchtrecht inderdaad zo serieus neemt als zij zegt te doen, maar ook als stok achter de deur om ervoor te zorgen dat zij haar woord nakomt. De raad zal daarom als bijzondere voorwaarden het volgende opnemen: - Verweerster dient binnen zes maanden na verzending van de beslissing aan alle achterstallige verplichtingen te hebben voldaan, waaronder het correct en volledig invullen van de ONK, CCV, Kantooropgave en Kengetallen, alsmede de opleidingsverplichtingen uit artikel 4.4 van de Verordening op de advocatuur als de kwaliteitstoetsverplichtingen uit artikel 4.3a dan wel artikel 4.3b van de Verordening op de advocatuur; - Daarnaast zal de raad de algemene voorwaarde opleggen, zijnde dat verweerster zich binnen de proeftijd van twee jaar niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging. Volledigheidshalve merkt de raad daarbij op dat dit dus ook ziet op gedragsregel 29 en het voldoen aan informatieverzoeken van de deken binnen de termijn die de deken daartoe stelt. 7 KOSTENVEROORDELING 7.1 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart het dekenbezwaar gegrond; - legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van 43 weken op; - bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging; - stelt als bijzondere voorwaarde: Verweerster dient binnen zes maanden na verzending van de beslissing aan alle achterstallige verplichtingen te hebben voldaan, waaronder het correct en volledig invullen van de ONK, CCV, Kantooropgave en Kengetallen, alsmede de opleidingsverplichtingen uit artikel 4.4 van de Verordening op de advocatuur als de kwaliteitstoetsverplichtingen uit artikel 4.3a dan wel artikel 4.3b van de Verordening op de advocatuur; - stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt; - veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.2; - bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.
