Rechtspraak
Uitspraakdatum
09-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:40
Zaaknummer
25-473/DH/DH
Zaaknummer
25-475/DH/DH
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Klachten niet-ontvankelijk vanwege misbruik van procesrecht.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 9 maart 2026 in de zaken 25-473/DH/DH en 25-475/DH/DH naar aanleiding van de klachten van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 29 februari 2024 (zaak 25-474/DH/DH), 8 oktober 2024 (zaak 25-473/DH/DH) en 13 februari 2025 (zaak 25-475/DH/DH) heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) klachten ingediend over verweerder. 1.2 Op 16 juli 2025 heeft de raad de klachtdossiers met kenmerk K202 2024 (zaak 25-473/DH/DH) en K055 2025 (zaak 25-474/DH/DH) van de deken ontvangen. Op 18 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K042 2025 (zaak 25-475/DH/DH) van de deken ontvangen. 1.3 De klachten zijn tegelijkertijd behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 genoemde klachtdossiers, van de op de inventarislijst van klachtdossier K202 2024 genoemde bijlagen 03 tot en met 05 (inhoudelijk) en 1 tot en met 8 (procedureel), van de op de inventarislijst van klachtdossier K055 2025 genoemde bijlagen 03 tot en met 10 (inhoudelijk) en 1 tot en met 11 (procedureel) en van de op de inventarislijst van klachtdossier K042 2025 genoemde bijlagen 03 (inhoudelijk) en 1 tot en met 4 (procedureel).
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klachten gaat de raad, gelet op de klachtdossiers en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klager heeft in maart 2021 aan het Juridisch Loket om een verwijzing naar een advocaat verzocht. Klager gaf aldaar aan in grote problemen te zitten, omdat hij in het verleden door onder andere de Belastingdienst als fraudeur is bestempeld. Klager had daarom toelating tot schuldhulpverlening gezocht, welke door de gemeente werd toegekend maar later ook weer beëindigd vanwege de problematiek rondom de Belastingdienst. Omdat een bezwaar- en beroepsprocedure tegen de gemeente niet tot resultaat had geleid, en een verzoek tot toelating tot WSNP tot hetzelfde resultaat had geleid, gaf klager aan het Juridisch Loket aan bijstand te wensen van een advocaat om de gemeente aansprakelijk te stellen voor de problemen waarin hij was gekomen doordat hij niet is toegelaten tot de schuldhulpverlening. Het Juridisch Loket verstrekte een blanco verwijzing en klager heeft zich vervolgens tot verweerder gewend voor rechtsbijstand. 2.3 Verweerder heeft de door hem van klager ontvangen stukken bestudeerd en hem eind mei 2021 laten weten dat hij deze zaak aannam. Daarbij is afgesproken dat een procedure zou worden gestart tegen de Belastingdienst ter verkrijging van een verklaring voor recht dat de Belastingdienst onrechtmatig had gehandeld jegens klager. 2.4 Op 10 september 2021 heeft een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van verweerder. Afgesproken werd om een uitspraak van de Raad van State in een vergelijkbare zaak af te wachten. 2.5 In november 2021 heeft klager verweerder verzocht een soortgelijke procedure aan te spannen tegen de Gemeente. Verweerder heeft daarop aangegeven dat pas te willen doen nadat er een positieve beslissing was gekomen uit de procedure tegen de Belastingdienst. 2.6 Naar aanleiding van de door de Raad van State in de andere zaak gedane uitspraak vond op 22 december 2021 wederom een bespreking plaats op het kantoor van verweerder. 2.7 Ook op 22 februari, 27 april en 27 juni 2022 en 13 januari 2023 hebben over de zaak tegen de Belastingdienst besprekingen plaatsgevonden tussen klager en verweerder. 2.8 Op 16 maart 2023 heeft verweerder aan klager de concept-dagvaarding toegezonden. 2.9 Op 4 april 2023 is het concept met klager besproken. Klager was het niet eens met de grondslag voor de vordering en afgesproken is dat hij zijn commentaar per mail aan verweerder zou toezenden. 2.10 Per e-mail van 8 mei 2023 heeft klager zijn commentaar op het concept gegeven. 2.11 Op 17 mei 2023 hebben klager en verweerder het commentaar van klager besproken. 2.12 Op 2 juni 2023 heeft verweerder de Belastingdienst aangeschreven met de vraag of er ruimte was voor een minnelijke regeling. De Belastingdienst heeft daar negatief op gereageerd. 2.13 Op 1 september 2023 vond wederom een bespreking tussen klager en verweerder plaats. Bij die gelegenheid is afgesproken dat klager het feitenrelaas zou aanleveren zoals hij dat in de dagvaarding opgenomen wilde zien. 2.14 Klager heeft verweerder een feitenrelaas van meer dan 60 pagina’s toegezonden. Omdat verweerder zich daar niet in kon vinden heeft op 25 oktober 2023 een volgende bespreking tussen klager en verweerder plaatsgevonden. Verweerder heeft naar aanleiding van dat overleg het concept voor de dagvaarding enigszins aangepast maar was niet bereid te voldoen aan het verzoek van klager om de juridische grondslag te wijzigen. 2.15 Per e-mail van 21 december 2023 heeft klager de bemiddeling van de deken ingeroepen inzake de voortgang van de zaak tegen de Belastingdienst. 2.16 Op 26 februari 2024 heeft klager zijn bemiddelingsverzoek omgezet in een klacht tegen verweerder. 2.17 Bij webformulier van 29 februari 2024 heeft klager de eerste klacht tegen verweerder ingediend (zaak 25-474/DH/DH). 2.18 Op 17 april 2024 heeft klager zijn dossier bij verweerder opgehaald. 2.19 In de zaak 25-474/DH/DH heeft de deken op 15 juli 2024 haar visie gegeven. Klager heeft het griffierecht niet binnen de daarvoor geldende, en in de dekenvisie vermelde termijn voldaan, zodat de deken het dossier niet aan de raad heeft doorgezonden. Dit gevolg van het niet betalen van het griffierecht was met zoveel woorden in de dekenvisie vermeld. 2.20 Op 27 september 2024 heeft klager opnieuw een klacht over verweerder ingediend op grond van “achteraf gebleken nieuwe feiten” (zaak 25-473/DH/DH). In deze zaak heeft de deken op 19 november 2024 haar visie gegeven. Daarin heeft zij geconcludeerd dat deze klacht op dezelfde gronden is gebaseerd als de klacht waarover zij op 15 juli 2024 haar visie had gegeven. 2.21 Op 25 februari 2025 heeft klager een derde klacht over verweerder ingediend (zaak 25-475/DH/DH). Deze klacht betreft blijkens het opschrift ervan “het handelen en nalaten van verweerder in de aan hem voorgelegde en door hem aangenomen nieuwe procedurele gemeente zaak”.
3 KLACHT 3.1 De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij: • in strijd heeft gehandeld met de toepasselijke wet- en regelgeving voor het handelen en nalaten van een advocaat (25-473/DH/DH en 25-475/DH/DH); • in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden voor het handelen en nalaten van een advocaat (25-473/DH/DH en 25-475/DH/DH); • in strijd heeft gehandeld met zijn taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, rechten, vrijheden en plichten als advocaat (25-473/DH/DH en 25-475/DH/DH); • tekort geschoten is in de behartiging van de belangen van klager in de zaak tegen de Belastingdienst door zijn toezeggingen om een dagvaarding op te stellen en uit te brengen meermaals niet is nagekomen (25-474/DH/DH). 3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klachten verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING 5.1 Vast staat dat klager in de zaak met nummer 25-474/DH/DH het griffierecht niet heeft voldaan, terwijl hij door de deken in haar visie van 15 juli 2024 wel op de gevolgen daarvan is gewezen. Gelet daarop ligt deze klachtzaak formeel niet ter beoordeling van de raad voor. Wel zal de raad dit klachtdossier ter informatie in de twee andere klachtdossiers voegen en de inhoud ervan in zijn beoordeling van die klachten betrekken. 25-473/DH/DH 5.2 In deze zaak heeft de deken op 19 november 2024 haar visie gegeven. De raad is evenals de deken van oordeel dat door klager ter onderbouwing van zijn klacht geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld die hij niet ook reeds in zijn eerste klacht (25-474/DH/DH) heeft aangevoerd. Die klacht is niet aan de raad doorgezonden omdat klager het griffierecht niet heeft voldaan. 5.3 De raad stelt voorop dat het niet betalen van het griffierecht, niet van rechtswege tot gevolg heeft dat een klager het klachtrecht verliest (vgl. Hof van Discipline 18 september 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:151). 5.4 Daar staat tegenover dat verweerder er recht op heeft te weten waar hij aan toe is als gevolg van de door klager tegen hem ingediende klacht. 5.5 Klager heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die rechtvaardigen of billijken dat hij dezelfde klacht opnieuw indient, nadat hij zijn eerdere klacht niet heeft doorgezet. Onder deze omstandigheden levert het opnieuw klagen over hetzelfde misbruik van procesrecht op. Gelet hierop is klager in deze klacht niet-ontvankelijk zodat aan een inhoudelijke beoordeling niet wordt toegekomen. 25-475/DH/DH 5.6 Ook deze klacht is gebaseerd op dezelfde feiten en omstandigheden als die klager aan zijn klacht in de zaak 25-474/DH/DH ten grondslag heeft gelegd, zodat ook ten aanzien daarvan geldt hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen. 5.7 Een en ander leidt ertoe dat klager in deze klacht niet-ontvankelijk is en een inhoudelijke beoordeling achterwege blijft.
BESLISSING De raad van discipline verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klachten.
