Rechtspraak
Uitspraakdatum
02-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:46
Zaaknummer
24-913/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Verweerder heeft een conceptdagvaarding in kort geding opgesteld, waarin hij klager heeft opgenomen als eiser, terwijl klager hem geen opdracht daartoe had verstrekt. Deze conceptdagvaarding is ook verspreid. Verweerder heeft de conceptdagvaarding naar de landsadvocaat gestuurd en deze is vervolgens ook bekend geworden bij onder meer (de directeur van) de PI waar klager verbleef. Verweerder heeft het ten onrechte doen voorkomen alsof hij (mede) namens klager optrad. Waarschuwing.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 2 maart 2026 in de zaak 24-913/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Bij brief van 1 augustus 2024 (ontvangen 12 augustus 2024) heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 9 december 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/113 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 januari 2026. Daarbij was verweerder aanwezig. Klager heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. 1.4 Na afloop van de zitting heeft (de griffier van) de raad op 20 januari 2026 per e-mail aan verweerder verzocht om de door hem ter zitting genoemde (opdracht)brief (met daarin de gegevens van klager) aan de raad te verstrekken. Op 27 januari 2026 heeft (de griffier van) de raad het verzoek herhaald, waarbij aan verweerder is gemeld dat als de brief niet tijdig wordt ontvangen, de raad ervanuit gaat dat de bedoelde (opdracht)brief er niet is. De raad heeft kennisgenomen van de reactie van verweerder van 1 februari 2026, waarin hij onder meer schrijft dat hij niet op kantoor is geweest, dus niet naar de brief heeft gezocht. 1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 18. De raad heeft verder kennisgenomen van de e-mail van verweerder van 1 februari 2026 en de reactie daarop van klager van 10 februari 2026 (ontvangen op 13 februari 2026).
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klager verblijft in detentie. 2.3 Op 24 juli 2024 heeft mr. H, op verzoek van klager, per e-mail aan verweerder onder meer geschreven: “Cliënt heeft begrepen dat u voor uw cliënt [X] een kort geding heeft aangespannen waarin wordt geklaagd over – kort gezegd – het AIT-regime. Ook begreep hij dat mogelijk ook zijn naam in de processtukken wordt genoemd en dat er een inhoudelijke behandeling zal zijn op 5 augustus 2024, waarvoor mogelijk transport wordt georganiseerd voor de procespartijen. Klopt het dat er ook namens cliënt wordt geprocedeerd en dat er op korte termijn sprake is van een inhoudelijke behandeling waarvoor hij (daarom) op transport zal kunnen?” 2.4 Op 25 juli 2024 heeft verweerder gereageerd en onder meer geschreven: “Iets stond mij bij dat ik even geleden een document had ontvangen waarop [klager] zijn persoonsgegevens had gezet met zijn handtekening dat hij mijn bijstand wenst in kort geding, echter heeft [klager] mij niet telefonisch benaderd. De dagvaarding welke overigens nog moet worden betekend, bevat niet zijn naam of zijn gegevens. [Klager] heb ik namelijk niet persoonlijk kunnen spreken. Dit heb ik destijds wel getracht te doen naar aanleiding van de ontvangen brief, zo staat mij bij. (…) [Klager] is dus nooit meegenomen in een dagvaarding welke dient te worden betekend en als uitgangspunt geldt voor het voeren van een kort geding. Ik moest zelfs even graven in mijn geheugen wie [klager] is, omdat ik die naam allang had geschrapt van de lijst van mensen van wie ik zeker weet dat deze wensen deel te nemen aan een kort geding procedure.” 2.5 Het dossier bevat de eerste twee pagina’s van een concept dagvaarding in kort geding van verweerder, waarin hij namens zeventien personen een procedure start tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid). Onder 6 is klager (met voorletter, achternaam en geboortedatum) als eiser vermeld. 2.6 Op 10 oktober 2024 heeft verweerder een definitieve versie van de kort geding dagvaarding aan de deken overgelegd, in het kader van deze klachtprocedure. Klager staat niet als eiser in deze dagvaarding vermeld.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: a) Verweerder is zonder overleg met klager een juridische procedure begonnen waarin hij suggereert namens klager op te treden. b) Verweerder heeft klager – in het bericht aan klagers advocaat – onjuist geïnformeerd en zelfs tegen klager gelogen. c) Verweerder heeft zich beledigend uitgelaten en een poging gedaan om klager (kennelijk) onder druk te zetten met de suggestie dat klager hem een bedrag van € 4.995,- moest betalen. 3.2 Klachtonderdelen a) en b): Klager heeft toegelicht dat een medewerker van de PI waar hij verbleef hem vroeg waarom hij een kort geding was gestart tegen het Ministerie van Justitie & Veiligheid. De medewerker gaf aan dat het kort geding zag op het AIT-regime en dat verweerder als advocaat geregistreerd was. Klager kent verweerder niet, heeft hem nooit gesproken en is niet op de hoogte van de procedure. Klager betwist dat hij een (ondertekende) brief aan verweerder heeft gestuurd. Klager heeft zijn advocaat (mr. H) verzocht om verweerder te benaderen om te achterhalen wat er speelde. Verweerder heeft daarop aangegeven dat hij zich meent te herinneren dat hij in het verleden een document heeft ontvangen met klagers persoonsgegevens en handtekening, dat hij vindt dat op basis daarvan een procedure kan worden begonnen, maar dat hij klagers naam nooit heeft meegenomen in een betekende dagvaarding. Kort daarna overhandigde de directeur van de PI een kopie van de (meest recente) dagvaarding aan klager, zoals ingediend door verweerder. Klagers naam bleek wel in de naar de rechtbank toegestuurde dagvaarding te zijn opgenomen. Verweerder heeft klager dus onjuist voorgelicht en zonder klagers toestemming een dagvaarding uitgebracht, waarin wordt gesuggereerd dat verweerder klager mag vertegenwoordigen en als raadsman bijstaat. Klager heeft verder toegelicht dat de door verweerder bij de deken overgelegde dagvaarding een ander exemplaar is dan de door de directeur van de PI aan klager getoonde (concept)dagvaarding. 3.3 Klachtonderdeel c): Na ontvangst van de dagvaarding heeft een medegedetineerde op 1 augustus 2024 (tussen 11.00 uur en 11.30 uur) telefonisch contact opgenomen met verweerder. In dat gesprek heeft verweerder aangegeven dat (ook) klagers naam is opgenomen in de dagvaarding. In het telefoongesprek gaf verweerder aan dat klager een bedrag van € 5.000,- aan verweerder moest betalen, maar dat hij een korting kon gegeven van € 5,-. Het totaalbedrag van € 4.995,- moest hoe dan ook worden voldaan, maar daarvoor wilde verweerder geen factuur sturen. In het telefoongesprek heeft verweerder zich zeer onbehoorlijk uitgelaten. 3.4 Klager stelt dat hij door verweerders gedragingen in zijn belangen is getroffen. Klager is hierop door de directeur van de PI in negatieve zin aangesproken en het heeft gevolgen gehad voor de manier waar op klager (thans) wordt behandeld in de PI. Door het handelen van verweerder wordt klagers verblijf op de Afdeling intensief toezicht mogelijk verlengd en loopt klager het risico dat klager ondermijning van het gezag van de directeur en/of het personeel van de PI wordt verweten.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerder stelt dat hij van klager alleen zijn geboortedatum, registratienummer en voorletters heeft ontvangen. Klager kan in dat geval nooit onderdeel uitmaken van een kort geding procedure, omdat op de dagvaarding bij betekening is vereist dat hij de volledige voornamen daarop vermeldt. 4.2 Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat hij per post een brief met de gegevens (geboortedatum, BSN- en registratienummer en handtekening) van klager heeft ontvangen, zoals hij van meerdere gedetineerden ontving. Naar aanleiding daarvan maakte verweerder zoals gebruikelijk een terugbelverzoek en/of een bezoekafspraak om het een en ander te verifiëren. Vanwege de spoedeisendheid van de kwestie heeft verweerder klagers naam vermeld in de conceptdagvaarding. Verweerder stelt dat hij er, gelet op de door klager ondertekende brief, vanuit mag gaan dat hij die gegevens mag gebruiken. Verweerder heeft geprobeerd klager te contacteren, maar dat is niet gelukt. Toen heeft verweerder klager van de lijst gehaald. De conceptdagvaarding is naar de landsadvocaat gestuurd. 4.3 Ter zitting heeft verweerder verder toegelicht dat hij geen € 5.000,- heeft gefactureerd. Klager heeft geen euro hoeven te betalen, maar heeft wel geprofiteerd van wat verweerder met het kort geding heeft bereikt. Verweerder stelt dat klager het gesprek met de medegedetineerde heeft verzonnen. 4.4 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Klachtonderdeel a) 5.2 Klager verwijt verweerder dat hij zonder overleg met klager een juridische procedure is begonnen waarin hij suggereert (mede) namens klager op te treden. Het staat vast dat verweerder een conceptdagvaarding heeft opgesteld, waarin ook klager als eiser is vermeld. Verweerder heeft deze conceptdagvaarding in ieder geval aan de landsadvocaat gestuurd en de dagvaarding is vervolgens ook bij (de directeur van) de PI waar klager verbleef bekend geworden. 5.3 Verweerder doet het in de dagvaarding voorkomen alsof hij (mede) klagers advocaat is. Klager stelt dat hij verweerder geen opdracht heeft gegeven. Verweerder heeft toegelicht hoe het volgens hem gegaan is (zie zijn verweer). Verweerder laat echter na zijn verweer te onderbouwen met het cruciale stuk: de (opdracht)brief met onder meer BSN-nummer en handtekening van klager die verweerder zou hebben ontvangen. De raad heeft verweerder na afloop van de zitting nog (tweemaal) verzocht de brief te overleggen, maar verweerder heeft de brief niet overgelegd en zijn verweer herhaald, namelijk ‘hoe kon hij anders aan het BSN-nummer van klager komen?’. De raad is van oordeel dat verweerder, mede gelet op gedragsregel 16, moet aantonen dat hij een opdracht van klager heeft gekregen. Dat die opdracht is gegeven is, nu klager dat ontkent, niet gebleken. Verweerder heeft zijn stelling dat hij van klager een ‘opdrachtbrief’ heeft ontvangen, ook na herhaald verzoek van de raad, niet kunnen onderbouwen. Die omstandigheid komt voor rekening en risico van verweerder, nu hij de stelplicht heeft en bewijslast draagt van de opdrachtverstrekking. De raad gaat er daarom vanuit dat verweerder klagers naam en gegevens in de conceptdagvaarding heeft opgenomen, terwijl hij daartoe geen opdracht had. Niet relevant daarbij is dat klagers naam niet in de definitieve versie is opgenomen. Evenmin is relevant of de door verweerder gestarte procedure voordelig is geweest voor klager. Verweerder heeft het ten onrechte doen voorkomen alsof hij (mede) namens klager optrad, terwijl klager van niets wist. Dat had hij niet mogen doen en daarvan kan hem een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is gegrond. Klachtonderdeel b) 5.4 Dit verwijt ziet op het bericht van verweerder aan klagers advocaat van 25 juli 2024. Klager stelt dat verweerder hem onjuist heeft geïnformeerd en zelfs tegen hem heeft gelogen. Relevant is dat verweerders bericht een reactie is op de vraag van klagers advocaat of er ook namens klager wordt geprocedeerd en of er op korte termijn sprake is van een inhoudelijke behandeling waarvoor klager op transport zou moeten. Verweerder heeft naar waarheid geantwoord dat de (nog te betekenen) dagvaarding niet klagers naam of gegevens bevatte. Verweerder had klager op dat moment blijkbaar van de lijst gehaald en er zou dus niet namens klager (verder) worden geprocedeerd en er zou ook geen zitting en transport komen. Hoewel verweerder voor het volledige beeld ook uitdrukkelijk had kunnen laten weten dat klager eerder wel in een conceptdagvaarding was meegenomen, heeft verweerder geen onjuist antwoord gegeven op de vraag van klagers advocaat. Dit verwijt is daarom ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.5 Dit verwijt ziet op uitlatingen die verweerder in een telefoongesprek met een medegedetineerde zou hebben gedaan. Verweerder heeft dit verwijt betwist en stelt dat klager het gesprek tussen hem en de medegedetineerde heeft verzonnen. Klager en verweerder hebben ieder een eigen versie van wat er zou zijn gebeurd en zijn gezegd en verder bewijs ontbreekt. De raad kan daarom niet vaststellen wat de rol van verweerder in het telefoongesprek is geweest, als dit gesprek al heeft plaatsgevonden. Dit verwijt is daarom ongegrond.
6 MAATREGEL 6.1 Verweerder heeft een conceptdagvaarding in kort geding opgesteld, waarin hij klager heeft opgenomen als eiser, terwijl klager hem geen opdracht daartoe had verstrekt. Deze conceptdagvaarding is ook verspreid. Verweerder heeft de conceptdagvaarding naar de landsadvocaat gestuurd en deze is vervolgens ook bekend geworden bij onder meer (de directeur van) de PI waar klager verbleef. Verweerder heeft het ten onrechte doen voorkomen alsof hij (mede) namens klager optrad. 6.2 De raad is van oordeel dat een zakelijke terechtwijzing nodig is en legt daarom de maatregel van waarschuwing op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat. 7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdeel a) gegrond; - verklaart klachtonderdelen b) en c) ongegrond; - legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3
