Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:39

Zaaknummer

25-490/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadbeslissing. Klacht van een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming over een advocaat wederpartij. De raad kan niet vaststellen wat er precies is voorgevallen bij een incident na de zitting. Dat de advocaat daarover een onjuiste verklaring heeft afgelegd, kan daarom ook niet worden vastgesteld. De opgestelde verklaring is ook niet onnodig grievend. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 9 maart 2026 in de zaak 25-490/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager  gemachtigde

over

verweerder  gemachtigde

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 10 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 23 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K256 2025 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij waren klager en verweerder met hun gemachtigden aanwezig.  1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 03 tot en met 08 (inhoudelijk) en 1 tot en met 9 (procedureel). Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 15 oktober 2025 en 7 januari 2026 nagezonden stukken.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Verweerder stond/staat een client, K., bij in procedures over onder andere omgang met diens zoon M. Klager is als zittingsvertegenwoordiger van het Landelijk Hoog Risico en Expertiseteam van de Raad voor de Kinderbescherming betrokken bij (een aantal van) deze procedures. 2.3    Na afloop van een zitting op 18 maart 2022 bij de rechtbank Overijssel vond een incident tussen klager en K. plaats. 2.4    Op 3 april 2023 heeft verweerder aan de nieuwe advocaat van K. een mail gezonden met – voor zover van belang – de volgende inhoud: “Hierbij voldoe ik aan uw verzoek over wat er naar mijn inzicht is gebeurd na afloop van de zitting van 18 maart 2022 (…) Na afloop van de zitting werd K. direct benaderd door [klager]. [Klager] gaf aan dat hij zijn integriteit niet in twijfel liet trekken. Hij ging daarbij vlak voor K. staan, eigenlijk tegen hem aan. Er is geen sprake van een normale benadering. [Klager] was heel boos. (…) [Klager] gaf bij de behandeling te kennen dat er geen zorgen waren over de minderjarige en dat de moeder er alles aan deed om de omgang goed te laten verlopen, terwijl feitelijk duidelijk was dat die situatie zich helemaal niet voordeed. (…) K. heeft aangegeven dat een eerder raadsrapport zo slecht was dat dit door het gerechtshof buiten werking is gesteld en dat [klager], als dat zijn mening was, helemaal niks van de zaak afwist. [Klager] accepteerde dat niet en werd nog bozer. De realiteit is dat [klager] niet op basis van een onderzoek van de raad zijn mening heeft gegeven in een uiterst complex dossier, waarin de Raad al eerder heeft gefaald, en zich dan tegenover betrokkene, die zich hiertegen moet verweren, helemaal laat gaan.  (…) [Klager] heeft verklaard dat aan de kant van de moeder alles in orde is en daarmee dekt hij de problemen bij moeder die in het NIFP rapport staan af en geeft hij moeder de vrije hand in het blokkeren tegenwerken van omgang. Client K. is niet dom. Hij ziet dat [klager] zonder onderzoek net doet alsof alles in orde is en daarmee bewilligt in de afbreuk van de band tussen moeder en vader die door de gezinsvoogd is opgebouwd. (…) Het was juist aan [klager] om nu objectief ter bescherming van de minderjarige op te treden en in plaats daarvan laat hij de minderjarige en vader volledig zakken en vliegt hij vader zelfs nog aan na afloop van de zitting. (…) Het gedrag van [klager] kan wat ondergetekende betreft niet door de beugel, maar wat er inhoudelijk is gebeurd is volgens ondergetekende veel erger.” 2.5    Op 5 april 2023 heeft K. een klacht over klager ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming. Daarbij is de mail van verweerder van 3 april 2023 gevoegd. 2.6    Op 20 april 2023 heeft klager een melding van het voorval gedaan in ARO (Agressie Registratie Overheid). 2.7    Per e-mail van 4 mei 2023 heeft de Adviseur Beveiliging en Veiligheid van de rechtbank Overijssel het volgende aan klager bericht: “(…) In ons systeem van risicovolle zittingen is enkel opgenomen dat er een incident is geweest en dat daarom de volgende zittingen zijn aangemerkt als zitting met risico.  Helaas is daar niet inhoudelijk geregistreerd wat het incident precies heeft ingehouden. Wel hebben wij de dienstdoende collega gevraagd om op papier te zetten wat hij zich van het voorval kan herinneren. Dit tekst heb ik hieronder schuingedrukt toegevoegd. (…) Wat ik nog weet van het incident is dat ik als dienstdoende bode bij Balie B zat. Naar wat ik mij kan herinneren kwam ik zaal 10 uit en zag ik dat er bij zaal 9 twee mensen wel heel dicht bij elkaar stonden. Om het te verduidelijken, ze stonden neus aan neus. Hierop ben ik er heen gegaan en heb gevraagd aan de meneer die voor de meneer tegen zaal 9 aan stond om afstand te nemen. Wat ik nog weet is dat ik dit twee keer heel duidelijk moest zeggen. Hij was erg boos en zei van alles, wat er gezegd is weet ik niet, maar meneer was erg boos naar de meneer die tegen zaal 9 aan stond. Hierop heb ik een collega gevraagd voor hulp, of is de collega zelf gekomen dat weet ik niet meer. Meneer is dan ook gevraagd om naar buiten te gaan. Met meneer was nog iemand mee en die is met meneer meegegaan naar buiten.” 2.8    Per e-mail van 30 mei 2023 heeft de jeugdbeschermer van Jeugdbescherming Overijssel die bij de zitting van 18 maart 2022 aanwezig was, het volgende aan klager bericht: “Na zitting liepen alle betrokkenen naar de gang. Dhr. K. stapte gelijk naar de zittingsvertegenwoordiger van de RvdK, wees met zijn vinger naar en vervolgens tegen de borst van de zittingsvertegenwoordiger en stapte vervolgens heel dicht naar hem toe. Dhr. K. was boos, sprak met stemverheffing tegen de zittingsvertegenwoordiger. De zittingsvertegenwoordiger van de RvdK moest op dat moment achteruit stappen om te voorkomen dat dhr. K. tegen hem aan kwam.  Op dat moment stapte de bodes van de rechtbank naar ons toe en sommeerde dhr K. om te stoppen en de rechtbank te verlaten. Dhr K. verliet begeleid door de bode vervolgens de rechtbank.  Het is al even geleden, maar dit kan ik mij herinneren van het voorval na de zitting.” 2.9    Op 21 juli 2023 heeft de Klachtadviescommissie Noord-Oost van de Raad voor de Kinderbescherming de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd de klachten van klager ongegrond te verklaren. 2.10    Op 10 december 2024 heeft klager onderhavige klacht over verweerder ingediend. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:  a)    over het voorval van 18 maart 2022 een leugenachtige getuigenverklaring heeft opgesteld en deze in de door K. tegen klager aangespannen klachtenprocedure heeft overgelegd; b)    in deze getuigenverklaring de integriteit en deskundigheid van klager (ten onrechte) in twijfel heeft getrokken en zich (ook overigens) onnodig grievend over klager heeft uitgelaten en hem heeft gediskwalificeerd als professional. 3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Ontvankelijkheid 5.1    De klacht betreft een door verweerder over klager afgelegde verklaring. Daarmee is klager direct belanghebbende in de zin van de Advocatenwet en bevoegd een klacht in te dienen. Klager is derhalve ontvankelijk in zijn klacht. Toetsingskader 5.2    De klacht betreft de handelwijze van verweerder in een klachtprocedure van zijn client K. tegen klager. De maatstaf die de raad bij de beoordeling van deze klacht hanteert, is derhalve die van een advocaat-wederpartij. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. 5.3    De raad zal de klacht aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen. Klachtonderdeel a) 5.4    Centraal bij de beoordeling van deze klacht staat de vraag wat er na afloop van de zitting van 18 maart 2022 precies is gebeurd. De lezingen van partijen staan wat dat betreft lijnrecht tegenover elkaar en de raad kan op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet vaststellen welke van deze lezingen de juiste is. Dat betekent dat de raad evenmin kan vaststellen dat de verklaring van verweerder d.d. 2 april 2023 ten aanzien van de gang van zaken op 18 maart 2022 en meer specifiek de rol van klager daarbij, onwaarheden of onjuistheden bevat. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Klachtonderdeel b) 5.5    De verklaring van verweerder d.d. 2 april 2023 is naar het oordeel van de raad ook niet onnodig grievend. Deze verklaring heeft hij op verzoek van de toenmalige advocaat van K. opgesteld en is alleen aan die advocaat gericht. Niet is komen vast te staan dat verweerder bij het verzenden van die e-mail wist dat deze als getuigenverklaring in een klachtprocedure tegen klager zou worden gebruikt. De verklaring bevat slechts de visie van verweerder en K. op het incident van 18 maart 2022, de rol van klager daarbij en zijn rol als zittingsvertegenwoordiger in het algemeen. De e-mail is ook niet door verweerder zelf in enige procedure overgelegd. Met zijn in die verklaring aan de advocaat van K. gedane uitlatingen is verweerder naar het oordeel van de raad niet over de schreef gegaan.  5.6    Het voorgaande leidt ertoe dat de raad de klacht ongegrond zal verklaren.

BESLISSING De raad van discipline    verklaart de klacht ongegrond.