Rechtspraak
Uitspraakdatum
02-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:45
Zaaknummer
25-246/DH/DH
Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 2 maart 2026 in de zaak 25-246/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 18 juni 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster gemachtigde
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 5 mei 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 11 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K102 2024 van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 18 juni 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen. 1.4 Op 16 juli 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 19 januari 2026. Daarbij waren klager, verweerster en haar gemachtigde aanwezig. 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen. Concreet heeft klager met name aangevoerd: 2.2 Met betrekking tot de feiten (1.1 van de voorzittersbeslissing): 2.2.1 Het is voor klager onduidelijk sinds wanneer verweerster niet meer werkzaam is bij het Ministerie van Financiën. Volgens de website van de Nederlandse Orde van Advocaten (zoekeenadvocaat.advocatenorde.nl) is verweerster nog steeds werkzaam bij het Ministerie van Financiën. Dit kan mogelijk worden opgevat als een onjuist feit. 2.2.2 Klager wijst verder op een zaak die hij op rechtspraak.nl is tegengekomen en waarin verweerster betrokken was. Hij vindt dit ernstig misbruik van het Ministerie van Financiën. 2.3 Met betrekking tot de beoordeling (overweging 4 van de voorzittersbeslissing): 2.3.1 Klachtonderdeel a) Klager stelt dat onduidelijk is of het tuchtrechtelijk verwijtbaar is, als een advocaat voor de beëdiging als advocaat niet tuchtrechtelijk kan worden getoetst, maar nadien wel strafbaar wordt geacht. Klager verwijst naar een aangifte die hij heeft afgerond en die de komende tijd naar de juiste autoriteit zal worden verzonden. 2.3.2 Klachtonderdeel b) Klager stelt dat een verkeerde maatstaf is gehanteerd bij de beoordeling van deze klacht. De voorzitter heeft ten onrechte geoordeeld dat het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar zou zijn wanneer een advocaat-stagiair haar patroon betrekt bij de behandeling van een tegen haar ingediende tuchtklacht. Daarmee is miskend dat het tuchtrecht van nature persoonlijk is. In dit geval heeft verweerster zich niet laten bijstaan door een gemachtigde, maar heeft zij zelfstandig stukken overgelegd aan haar patroon. Dit terwijl de geheimhoudingsplicht in het tuchtrecht zwaar weegt. De voorzitter miskent de persoonlijke tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de advocaat-stagiair. De beslissing bevat verder geen enkele verwijzing naar relevante jurisprudentie die deze opvatting ondersteunt. Klager wijst ook op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1970). Klager stelt dat de voorzitter heeft nagelaten om te beoordelen of het delen van vertrouwelijke informatie met de patroon in strijd was met de geheimhoudingsplicht. Dit is een cruciaal element wat onbesproken is gelaten. 2.4 Tegen de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. Met betrekking tot het in de voorzittersbeslissing onder 1.1 genoemde feit wordt verwezen naar wat daarover hierna (onder 4.3) is overwogen.
4 BEOORDELING 4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. 4.3 Met betrekking tot de feiten: de voorzitter heeft terecht opgenomen dat verweerster voorheen werkzaam was als ambtenaar bij het Ministerie van Financiën. Verweerster werkt weliswaar nog steeds voor het Ministerie van Financiën, maar doet dit nu als advocaat en is nu dus geen ambtenaar meer. Van een onjuist feit is dus geen sprake. De zaak die klager noemt (2.2.2), houdt geen enkel verband met deze zaak en maakt evenmin dat sprake is van onjuiste feiten. 4.4 Met betrekking tot klachtonderdeel a) Een eventuele aangifte van klager brengt geen verandering in het feit dat dit klachtonderdeel ziet op gedragingen van verweerster op het moment dat zij (nog) geen advocaat was. Daarmee blijft staan dat haar gedragingen niet tuchtrechtelijk kunnen worden getoetst. Dat betekent dat in redelijkheid niet hoeft te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 4.5 Met betrekking tot klachtonderdeel b) De raad is van oordeel dat geen sprake is van een verkeerde maatstaf. Een advocaat-stagiaire verschaft de patroon de informatie die deze nodig heeft om te voldoen aan zijn of haar verplichtingen als patroon (zie 3.8 en 3.13 Verordening op de Advocatuur). De patroon geeft de stagiair leiding, voorlichting en raad met betrekking tot de praktijkuitoefening in de ruimste zin van het woord. De patroon dient de ontwikkeling van de stagiair te bewaken. Het is in dit verband aan te bevelen dat een stagiair de patroon informeert over een eventuele tuchtklacht. Daarbij is de geheimhouding overigens gewaarborgd, omdat ook de patroon gebonden is aan de eigen geheimhoudingsplicht. Gezien het voorgaande hoeft ook voor dit klachtonderdeel in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 4.6 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
