Rechtspraak
Uitspraakdatum
16-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:51
Zaaknummer
25-350/DH/DH
Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 16 maart 2026 in de zaak 25-350/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 23 juli 2025 op de klacht van:
klager gemachtigde: R.E.P.P. Beugels
over:
verweerster gemachtigde: [kantoorgenoot]
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 15 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 26 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K232 2024 van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 23 juli 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. 1.4 Op 20 augustus 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.5 Op 17 december 2025 heeft klager een aanvullend verzetschrift ingediend. 1.6 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 2 februari 2026. Klager heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerster was bij de zitting aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. 1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschriften.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in: a) Klager is het oneens dat zijn klachten gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk zijn verklaard op grond van het ne bis in idem-beginsel. De voorzitter toetst volgens klager aan een onjuist toetsingskader. De klachtonderdelen verschillen wezenlijk van de eerdere klacht, aangezien hij daar in algemene termen heeft geklaagd over vermeende belastingontduiking en zijn huidige klacht gestoeld is op concrete en gespecificeerde feiten. Daarover is niet eerder een oordeel gegeven door de tuchtrechter. Datzelfde geldt voor de klacht over de waarheidsgetrouwheid van de proceshouding van verweerster, de stellingen over de fiscale status van het YouTube-kanaal en de betaling van de belastingaanslag. Verweerster heeft haar stellingen daarover niet onderbouwd, wat zij wel moet doen volgens klager. b) Ten aanzien van de andere klachtonderdelen die kennelijk ongegrond zijn verklaard, maakt klager per klachtonderdeel bezwaar tegen het oordeel van de voorzitter dat hij onvoldoende bewijs zou hebben aangeleverd voor de stelling dat verweerster onjuiste informatie heeft verstrekt en/of in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv of de Wwft. De voorzitter gaat volgens klager zonder nadere toetsing uit van de juistheid van de stellingen van verweerster, terwijl daarvoor in veel gevallen geen bewijs is overgelegd ondanks herhaald verzoek van klager en juist op verweerster de bewijsrust lag en zij wist van de concrete tegenstrijdigheden en relevante informatie die zij niet heeft weerlegd of geverifieerd. Daarbij heeft zij zich onnodig grievend over klager uitgelaten. Klager heeft daarbij zestien producties ingediend die zijn klachtonderdelen onderbouwen. 2.2 Klager heeft zijn verzet op 17 december 2025 aangevuld. Op grond van artikel 46h, eerste lid, van de Advocatenwet kan tegen een voorzittersbeslissing binnen dertig dagen na de dag van verzending schriftelijk gemotiveerd verzet worden gedaan. Een motivering die na afloop van deze termijn wordt ontvangen, kan niet worden meegenomen (vergelijk HvD 15 december 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:240 en HvD 10 juli 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:152, onder 4.2). Voor zover klager in deze aanvulling nieuwe verzetgronden naar voren heeft gebracht, zal de raad deze dus niet betrekken in zijn oordeel. 2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING 4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast ten aanzien van het ne bis in idem-beginsel uit artikel 47b lid 1 Advocatenwet. De voorzitter heeft met juistheid geoordeeld dat de klacht raakt aan de eerdere klacht met zaaknummer 23-820/DH/DH, omdat deze ziet op hetzelfde feitencomplex als waar deze huidige klacht over gaat. Nieuwe of geconcretiseerde klachtonderdelen over dat feitencomplex kunnen niet opnieuw aan de tuchtrechter worden voorgelegd (zie ook HvD 11 februari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:38). 4.3 Ter zitting is namens klager nog aan de orde gesteld dat geen sprake kan zijn van het ne bis in idem-beginsel, omdat de interne klachtprocedure bij het kantoor van verweerster niet als een tuchtrechtelijke berechting in de zin van artikel 47b lid 1 Advocatenwet kan worden gezien. De raad wijst er echter op dat de voorzitter heeft geoordeeld dat (deels) sprake is van het ne bis in idem-beginsel omdat de tuchtrechter (zijnde de raad van discipline en het hof van discipline) al eerder onherroepelijk heeft beslist op een klacht over ditzelfde feitencomplex, in de zaak 23-820/DH/DH. Voor de vraag of eerder op eenzelfde feitencomplex is beslist, wordt dus niet getoetst aan een interne klachtbehandeling. 4.4 Ook de verzetgronden ten aanzien van de kennelijk ongegrond verklaarde klachtonderdelen slagen niet. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Klager miskent daarbij dat het in beginsel aan hem, en niet aan verweerster, is om zijn tuchtklacht te voorzien van een onderbouwing. Dat moet bovendien al in de onderzoeksfase bij de deken en kan niet meer, zoals klager hier heeft gedaan, in verzet. 4.5 De raad is van oordeel dat in redelijkheid niet hoeft te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
