Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:57

Zaaknummer

26-040/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over verweerder in zijn hoedanigheid van deken. De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Niet gebleken dat onhandige slordigheden van doorslaggevende invloed zijn geweest op de wijze waarop verweerder de klachten heeft beoordeeld. Het uiteindelijke oordeel over de klachten is voorbehouden aan de tuchtrechter die niet gehouden is aan de visies van verweerder. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline  in het ressort Den Haag van 18 maart 2026  in de zaak 26-040/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster gemachtigde

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken Den Haag) van 13 januari 2026 met kenmerk K034 2025 ia/lb, van de op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 03 tot en met 08 en van de op de inventarislijst procedureel genoemde bijlagen 1 tot en met 24. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van klaagster van 12 februari 2026.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klaagster is verwikkeld in een huurgeschil met vastgoedbedrijf X. Mr. K. heeft bedrijf X bijgestaan in diverse procedures tegen klaagster. Ook mr. G. heeft voor bedrijf X als advocaat opgetreden.

Klacht over mr. K. ingediend op 21 augustus 2020  1.2    Op 21 augustus 2020 heeft klaagster een klacht over mr. K. ingediend. Op 11 februari 2021 heeft zij nog een klacht ingediend. Mr. K. is hierin bijgestaan door mr. G. 1.3    Op 22 november 2021 heeft de voorzitter van de raad van discipline Amsterdam de klachten kennelijk ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft klaagster verzet ingesteld. 1.4    Op 3 oktober 2022 heeft de raad van discipline Amsterdam het verzet ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft klaagster hoger beroep ingesteld.  1.5    Op 21 april 2023 heeft het hof van discipline het beroep van klaagster niet-ontvankelijk verklaard.   Klacht over mr. K. ingediend op 21 februari 2023 1.6    Op 21 februari 2023 heeft de gemachtigde van klaagster een klacht over mr. K. ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken Amsterdam). Mr. K. is in de hierop volgende klachtprocedure bijgestaan door mr. G., advocaat te Amsterdam en lid van de Raad van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam. Vanwege die positie van mr. G. is de klacht voor onderzoek verwezen naar een ander verweerder als deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland.  1.7    Op 21 november 2023 heeft op het kantoor van verweerder een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden over de door de gemachtigde van klaagster op 21 februari 2023 ingediende klacht over mr. K. en een inmiddels ingediende klacht van mr. K. over de gemachtigde van klaagster. Klaagster was bij dit gesprek niet aanwezig. 1.8    Op 22 november 2023 heeft de gemachtigde van klaagster een verslag van het gesprek van 21 november 2023 aan verweerder gestuurd met mr. G. in cc. 1.9    Op 23 november 2023 heeft verweerder de gemachtigde van klaagster gemaild: ‘In goede orde ontving ik uw brief van 22 november 2023.

Mijn inzet in de bespreking was er op gericht om de beide advocaten zover te krijgen hun klachten over en weer in te trekken. Mr. K[…] gaf echter aan dat hij de door hem tegen u ingediende klachten wil intrekken, indien hij dan van alle klachten af is, ook de klachten die uw cliënte tegen hem indient.

In de bespreking heb ik aangegeven dat ik dit verzoek van mr. K[…] kan begrijpen, maar dat van u juist NIET gevergd kan worden dat u uw cliënte overtuigt haar klachten in te trekken zodat de klachten tegen u worden ingetrokken. Dat zou niet integer zijn. Wat ik wel heb aangegeven, is dat denkbaar is dat u uw cliënte adviseert omtrent de haalbaarheid van ingediende en in te dienen klachten, en hetgeen de klachtprocedure wet of niet bijdraagt aan het doel dat uw cliënte wil bereiken. Ik blijf van mening dat het verstandig zou zijn wanneer u uw cliënte adviseert en de verwachtingen ten aanzien van de tuchtprocedure managed. Vervolgens is het vanzelfsprekend aan uw cliënte of zij de klachten voortzet of niet. U gaf aan dat het doel is een procedure tegen de staat vanwege onjuiste rechtspleging door het gerechtshof. De lat daarvoor ligt nogal hoog en de tuchtklachten tegen mr. K[…] gaan aan deze procedure naar mijn inschatting niets bijdragen. Indien alle klachten worden ingetrokken, ook die van uw cliënte, is een oplossing te bereiken. Maar wanneer u zelf, als advocaat, meent dat de klachten ingediend tegen mr. K[…] bijdragen aan het bereiken van het doel van u en/of uw cliënte, dan zal een regeling lastig worden. Ik heb u aangegeven wat ik verwacht dat de raad van discipline zal oordelen ten aanzien van de over en weer ingediende klachten. Maar dat is niet meer dan een inschatting, ik ben niet de raad van discipline.

Tot slot, ik denk niet dat het gaat helpen indien een advocaat bijdraagt aan complottheorieën. Net zo min als het de zaak van de cliënt en een goede rechtsgang helpt indien een advocaat een andere advocaat zwart maakt. Die laatste boodschap heb ik u dinsdag al overgebracht.’ 1.10    Op 16 oktober 2024 heeft verweerder zijn visie gegeven op de klacht over mr. K. en op de klacht die mr. G. namens mr. K. over de gemachtigde van klaagster heeft ingediend. In deze visie heeft verweerder uitgelegd waarom hij verwacht dat de klacht over mr. K. ongegrond zal worden verklaard en de klacht over de gemachtigde van klaagster gegrond zal worden verklaard.

Klacht over mr. K. ingediend op 9 oktober 2023 1.11    Op 9 oktober 2023 heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster bij de deken Amsterdam een nieuwe klacht ingediend over mr. K. Mr. K. wordt ook in die klachtprocedure bijgestaan door mr. G. De deken Amsterdam heeft klaagster geadviseerd de klacht in te trekken, omdat het ne bis in idem-beginsel in de weg staat aan het in behandeling nemen van de klacht. Nadat bleek dat klaagster de klacht niet wilde intrekken, is deze klacht op 5 februari 2024 voor onderzoek overgedragen aan verweerder.  1.12    Op 20 juni 2024 heeft verweerder zijn visie op de klacht over mr. K. gegeven. In dat kader heeft verweerder opgemerkt dat hij verwacht dat klaagster in een deel van haar klacht niet-ontvankelijk zal worden verklaard, omdat de raad van discipline daarover al onherroepelijk heeft beslist en de betreffende klachtonderdelen hun oorsprong vinden in hetzelfde feitencomplex. Ten aanzien van de andere klachtonderdelen heeft verweerder geschreven dat hij verwacht dat deze ongegrond zullen worden verklaard.  1.13    Op 26 augustus 2024 heeft de voorzitter van de raad van discipline Amsterdam de klacht gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard (zaaknummer 24-526/A/NH). Het tegen deze beslissing ingestelde verzet is op 27 januari 2025 ongegrond verklaard.

Klacht over verweerder ingediend op 11 december 2024 1.14    Op 11 december 2024 heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster bij de deken Amsterdam een klacht over verweerder ingediend. Op dezelfde datum heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster bij de deken Amsterdam een klacht ingediend over mr. G.  1.15    Op 16 januari 2025 heeft het Hof van Discipline de deken Den Haag aangewezen voor onderzoek en afhandeling van de klacht van klaagster over verweerder. Ook de klacht over mr. G. is door de deken Den Haag onderzocht.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:   a)    verweerder heeft in het kader van de beoordeling en afwikkeling van de ingediende klachten in woord en geschrift op grove wijze diverse feiten verdraaid of onjuist of helemaal niet weergegeven: - verweerder heeft in zijn visie van 16 oktober 2024 de klacht van 21 februari 2023 van de gemachtigde van klaagster ten onrechte aangemerkt als mede ingediend namens klaagster en haar zoon; - verweerder heeft in zijn visie van 16 oktober 2024 geschreven dat de gemachtigde van klaagster een herseninfarct heeft gehad, terwijl hij wist of kon weten dat het een hartinfarct betrof; - verweerder heeft in zijn visie van 16 oktober 2024 ten onrechte gesteld dat de gemachtigde van klaagster in 2023 telefonisch is benaderd door de voormalige advocaat van klaagster om de zaak over te nemen; - verweerder heeft in zijn visie van 20 juni 2024 ten onrechte het standpunt van mr. G. over ne bis in idem overgenomen, terwijl hij op basis van raadpleging van het oude tuchtdossier eenvoudig had kunnen vaststellen dat dit een onwaarheid was; - verweerder heeft in zijn visie van 20 juni 2024 de feitelijke gang van zaken rondom twee filmpjes uit 2018 en 2020 welbewust door elkaar gehusseld, waardoor er een vals beeld ontstaat dat de klacht over het misbruik van de opname al eerder zou zijn beoordeeld door de tuchtrechter. b)    verweerder heeft – tijdens het bemiddelingsgesprek op 21 november 2023 – ongeoorloofde druk uitgeoefend op klaagster en in strijd gehandeld met de volgens klaagster op verweerder rustende verplichting om zich ‘neutraal op te stellen’.  2.2    De voorzitter zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.

3    VERWEER 3.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij zich in zijn hoedanigheid van deken heeft gedragen zoals dat een advocaat niet betaamt waardoor hij het vertrouwen in de advocatuur dus geschaad. Volgens verweerder heeft hij geen feiten geponeerd waarvan hij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen en is hij niet partijdig geweest in zijn onderzoek naar de klacht van klaagster. Verweerder merkt op dat in zijn visie van 16 oktober 2024 per abuis is aangenomen dat de klacht van 21 februari 2023 ook is ingediend namens klaagster en haar zoon. Verweerder wijst erop dat dit is gerectificeerd in de brief van 3 februari 2025 aan de raad van discipline Amsterdam. Ook merkt verweerder op dat per abuis het woord ‘herseninfarct’ is opgenomen in de visie van 16 oktober 2024 in plaats van ‘hartinfarct’. Volgens verweerder is dit eenvoudigweg een verschrijving.  Voor het telefonisch contact tussen de gemachtigde van klaagster en de voormalige advocaat van klaagster verwijst verweerder naar de inhoud van de klacht over mr. K. zoals door de gemachtigde van klaagster ingediend op 21 februari 2023. Verder voert verweerder aan dat hij in zijn visie van 20 juni 2024 is uitgegaan van de feiten zoals die uit het klachtdossier zijn gebleken. Daarbij is volgens verweerder niets verdraaid, maar is wel sprake van enige verschrijvingen. Deze verschrijvingen hebben volgens verweerder geen invloed gehad op zijn beoordeling van klacht. Tot slot voert verweerder aan tijdens het gesprek op 21 november 2023 intrekking van de klacht door klaagster niet centraal heeft gestaan en dat de gemachtigde van klaagster dat ook heeft bevestigd in zijn e-mail van 23 november 2023. 3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    De klacht van klaagster gaat over het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van deken. Uitgangspunt daarbij is dat het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, bijvoorbeeld als deken, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. 4.2    De voorzitter oordeelt dat er in dit geval geen aanknopingspunten zijn tussen de verwijten die klaagster verweerder maakt en de uitoefening van het beroep van advocaat. De verwijten gaan over de visies van verweerder als deken op de door en namens klaagster ingediende klachten. De voorzitter zal hierna dan ook beoordelen of verweerder in zijn hoedanigheid van deken het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond 4.3    De voorzitter oordeelt op grond van het klachtdossier dat verweerder in zijn hoedanigheid van deken het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschaad. De verschrijvingen in zijn visies van 20 juni 2024 en 16 oktober 2024, die verweerder heeft erkend, zijn onhandige slordigheden waarvan niet is gebleken dat die van doorslaggevende invloed zijn geweest op de wijze waarop verweerder de klachten van 21 februari 2023 en 9 oktober 2023 heeft beoordeeld. Verder mocht verweerder ten aanzien van het in zijn visie van 16 oktober 2024 vermelde telefonisch contact tussen de gemachtigde van klaagster en de voormalige advocaat van klaagster uitgaan van de klachtbrief van 21 februari 2023 waarin (de poging tot) het telefonisch contact is beschreven.  Ook ten aanzien van de feiten over de twee filmpjes uit 2018 en 2020, zoals weergegeven in de visie van 20 juni 2024, lijkt sprake te zijn van ongelukkige verschrijvingen. De raad acht anders dan klaagster niet gebleken dat verweerder de feiten welbewust zou hebben verdraaid. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de voorzitter niet het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Daarbij merkt de voorzitter op dat het uiteindelijke oordeel over de betreffende klachten over mr. K. is voorbehouden aan de tuchtrechter die niet gehouden is aan de visies van verweerder.  Tot slot merkt de voorzitter, mede naar aanleiding van de nagezonden e-mail met bijlagen van 12 februari 2026, op dat het duidelijk is dat het huurgeschil met vastgoedbedrijf X vervelende gevolgen voor klaagster en haar zoon heeft gehad, maar dat betekent niet dat verweerder door de wijze waarop hij onderzoek naar deze klachten over mr. K. heeft gedaan het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond. 4.4    Alle overige omstandigheden die namens klaagster in het kader van klachtonderdeel a) nog naar voren zijn gebracht, kunnen niet tot een ander oordeel leiden.   Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond 4.5    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier, waaronder de e-mail van verweerder van 23 november 2023, niet vaststellen dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad door de gang van zaken tijdens het bemiddelingsgesprek op   21 november 2023. Klaagster heeft zich bij dit gesprek laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en het mag van hem worden verwacht dat hij om kan gaan met de door hem ervaren druk om tot een minnelijke regeling te komen. Dat sprake zou zijn van ongeoorloofde druk is de voorzitter niet gebleken. Verder stond het verweerder in het kader van het bemiddelingsgesprek vrij om een standpunt in te nemen, waaronder over de haalbaarheid van de klachten van klaagster en over het door de gemachtigde van klaagster gestelde doel om een procedure tegen de staat te starten. Het uiteindelijke oordeel over een tuchtklacht ligt vervolgens bij de tuchtrechter. Klachtonderdeel b) is daarom kennelijk ongegrond. Conclusie 4.6    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46 Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond.