Rechtspraak
Uitspraakdatum
02-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:44
Zaaknummer
25-250/DH/DH
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over nalatigheid, belangenverstrengeling en het niet nakomen van verplichtingen als advocaat ongegrond. Van belangenverstrengeling is geen sprake, omdat klager geen cliënt van verweerster is geweest. De rolregistratie (waarin verweerster als klagers advocaat stond vermeld) is niet leidend. Het was allereerst de taak van klagers eigen advocaat om hem te informeren over de stand van zaken. Verweerster treedt op als advocaat van de curator en behartigt daarom niet klagers belangen, maar die van de curator. Niet gebleken dat verweerster klagers belangen nodeloos of op ontoelaatbare wijze heeft geschaad.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 2 maart 2026 in de zaak 25-250/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster gemachtigde
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 8 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 14 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K224 2024 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 januari 2026. Daarbij waren klager, verweerster en haar gemachtigde aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 6 januari 2026.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klager heeft geruime tijd de zender Fresh FM geëxploiteerd, voornamelijk via de Stichting Commerciële Omroep Exploitatie ZH (Scoezh). Klager en/of Scoezh heeft een geschil (gehad) met Vereniging Buma (Buma) en Stichting ter exploitatie van naburige rechten (Sena), onder meer over aan Buma en Sena te betalen afdrachten. 2.3 Op enig moment hebben Buma en Sena klager als bestuurder van Scoezh persoonlijk aansprakelijk gesteld. 2.4 In 2016 zijn Buma en Sena een bodemprocedure tegen klager en Scoezh gestart bij de rechtbank. Buma en Sena vorderen in die procedure onder meer 1) een verbod voor klager op verdere inbreuken op auteursrechten (inbreukverbod) op straffe van dwangsommen en/of lijfsdwang van klager in privé, 2) schadevergoeding wegens bestuurdersaansprakelijkheid (dat klager uit hoofde van onrechtmatige daad in privé en/of in zijn hoedanigheid van bestuurder van Scoezh jegens Buma en Sena aansprakelijk is voor de schade die bestaat uit de vorderingen van Buma en Sena op Scoezh). 2.5 Op 20 maart 2018 is klager persoonlijk failliet verklaard op aanvraag van onder meer Buma en Sena. Mr. D, een kantoorgenoot van verweerster, is daarbij door de rechtbank aangesteld als curator. Als gevolg van het faillissement is de bodemprocedure geschorst, zodat de curator in het geding kon worden opgeroepen. 2.6 Op 5 juli 2018 is ook Scoezh door de rechtbank failliet verklaard. 2.7 Tijdens de verificatievergadering van 1 mei 2019 heeft de curator de vordering van Buma en Sena (deels) betwist. Vanwege deze betwisting door de curator is verder geprocedeerd, waarbij de curator als zelfstandig procespartij in de door Buma en Sena aangespannen bodemprocedure is verschenen. 2.8 Ook de aan klager gelieerde vennootschap [Y] Holding BV (hierna: [Y]) heeft de vordering van Buma en Sena betwist. Ook [Y] is als procespartij toegelaten in de bodemprocedure. Bovendien heeft [Y] gesteld dat klager haar onrechtmatig en onbehoorlijk heeft bestuurd. [Y] zou deswege een schade hebben geleden van € 1,5 miljoen. De curator heeft deze vordering betwist. Deze betwiste vordering is verwezen naar een renvooiprocedure. 2.9 Op 19 november 2018 heeft de curator aan klager en zijn advocaat mr. E onder meer geschreven: “Bij vordering sub 2 – wel gericht tegen [klager] – heeft Buma/Sena naar onze mening geen belang (meer). Er bestaat inhoudelijk bij toe- of afwijzing van die vordering overigens geen enkel boedelbelang, anders dan een mogelijke proceskostenveroordeling. Onze gedachte: [mr. H] zou zich namens mij kunnen ‘stellen’ om in de procedure formeel duidelijk te maken dat Buma/Sena geen belang heeft bij deze vordering, en deze in zoverre dient te worden afgewezen. Dit niet zozeer om zo een proceskostenveroordeling te voorkomen, als wel die te verkrijgen ten laste van Buma/Sena. Kunnen jullie morgen aangeven hoe jullie hier tegenaan kijken en indien je meent dat ik in het geding moet komen, bevestigen dat daarmee gemoeide kosten zullen worden vergoed (graag ook duidelijk maken: door wie) indien het faillissement in cassatie wordt vernietigd?” Mr. H was op dat moment een kantoorgenoot van de curator. 2.10 Op 20 november 2018 heeft mr. E gereageerd en aan klager en de curator onder meer geschreven: “Wat mij betreft ziet de inspanning van [mr. H] er wel degelijk ook op om een proceskostenveroordeling te voorkomen (naast uiteraard dat te verkrijgen te laste van B&S). Dat is ook een boedelbelang. @[Klager]: als het faillissement in cassatie vernietigd wordt, dan moeten de kosten van [mr. H] inderdaad worden vergoed. Kan jij dat bevestigen? Dit zijn kosten die, buiten het faillissement, ik anders zou hebben gemaakt en die je mij zou hebben moeten betalen. Zij het dat [mr. H] z’n werkzaamheden als gevolg van de faillissement een stuk beperkter zullen zijn.” 2.11 Klager heeft diezelfde dag aan mr. E en de curator laten weten dat hij akkoord is. 2.12 Op 15 juli 2020 heeft de rechtbank Amsterdam een tussenvonnis gewezen in de bodemprocedure. In het vonnis staan als gedaagden vermeld: 1. Scoezh, bijgestaan door mr. E (onttrokken); 2. Klager, bijgestaan door mr. H; 3. De curator, bijgestaan door mr. Van V; 4. [Y] Holding BV, bijgestaan door mr. Van O. De rechtbank heeft het inbreukverbod toegewezen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat klager als bestuurder dusdanig onzorgvuldig heeft gehandeld jegens Buma en Sena dat hem een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, waaruit volgt dat klager aansprakelijk is voor de door Buma en Sena als gevolg daarvan geleden schade. De rechtbank achtte zich echter onvoldoende voorgelicht om te kunnen vaststellen welke schade Buma en Sena hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van klager. De rechtbank heeft bepaald dat hierover een nader debat tussen partijen moet plaatsvinden. 2.13 Bij tussenvonnis van 9 september 2020 heeft de rechtbank beslist dat van het tussenvonnis van 15 juli 2020 hoger beroep kan worden ingesteld. Klager, de curator en [Y] hebben op 6 oktober 2020 hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van de rechtbank. 2.14 Verweerster, een kantoorgenoot van de curator, is vanaf februari 2022 bij de zaak betrokken. Op 16 februari 2022 heeft zij een brief aan de rechtbank Amsterdam geschreven met als onderwerp “[klager] / FAILLISSEMENT”. In de brief heeft zij de rechtbank geïnformeerd over het pleidooi dat op 18 december 2021 in hoger beroep had plaatsgevonden en heeft zij de rechtbank namens alle partijen verzocht op korte termijn vonnis te wijzen in de lopende zaak. Zij heeft de brief ondertekend als procesadvocaat. De brief is in kopie gestuurd aan onder meer mrs. H en Van O. 2.15 Het dossier bevat een bij de rechtbank Amsterdam door het kantoor van verweerster ingediend B8-formulier van 17 februari 2022, waarop verweerster staat vermeld als advocaat van klager. Als advocaat van [Y] staat mr. Van O vermeld. De curator staat niet als gedaagde vermeld op het formulier. 2.16 Op 22 februari 2022 heeft de curator aan klager en mr. Van V (met verweerster in de cc) onder meer geschreven: “Wij hebben de rechtbank geïnformeerd cf. bijgaand bericht en een advocaatwissel doorgevoerd ([verweerster] ipv [mr. H]).” 2.17 Uit het roloverzicht van de rechtbank blijkt dat op 9 maart 2022 op de rol een advocaatwijziging heeft plaatsgevonden, waarbij mr. H is vervangen. De curator staat niet als partij/gedaagde vermeld op het roloverzicht. 2.18 Op 13 juli 2022 heeft de rechtbank Amsterdam een tussenvonnis gewezen in de bodemprocedure (ECLI:NL:RBAMS:2022:4168). In het vonnis staan als gedaagden vermeld: 1. Scoezh, bijgestaan door mr. E (onttrokken); 2. Klager, bijgestaan door verweerster; 3. De curator, bijgestaan door mr. Van V; 4. [Y] Holding BV, zonder advocaat. In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen: “2.19. Verder wordt geconstateerd dat partijen de rechtbank niet uit eigen beweging hebben ingelicht over het ingestelde tussentijds hoger beroep. Pas nadat de rechtbank daarover nadere informatie heeft gevraagd (…) hebben de curator, [Y] en Buma en Sena op 16 december 2020 de rechtbank meegedeeld dat tussentijds hoger beroep is ingesteld op 6 oktober 2020 en hebben zij de rechtbank gevraagd (eind)vonnis te wijzen. (…) 2.34. De brief van 16 februari 2022 is aan de rechtbank gestuurd door de advocaat van [klager] en daarom kennelijk ook als bericht van de procespartij [klager]. Bij deze rechtbank is echter slechts bekend dat [klager] in faillissement verkeert en dat [mr. D] (van hetzelfde advocatenkantoor maar een andere vestigingsplaats als de advocaat die [klager] bijstaat) als curator in het faillissement van [klager] is verschenen, zodat [klager] buiten dit geding staat (…) 2.36. Verder blijkt uit het proces-verbaal van het hof dat de curator in die appelprocedure nog procespartij is. Is er tussen 16 december 2021 en 16 februari 2022 een verandering gekomen in het faillissement van [klager]? Van procesvertegenwoordigers in civiele processen mag worden verwacht dat zij de rechtbank (en in dit geval ook het hof) uit eigen beweging zullen informeren over een dergelijke belangrijke ontwikkeling. Omdat de rechtbank geen bericht heeft ontvangen over een verandering van en in het faillissement van [klager], is het uitgangspunt dat voor deze procedure geldt dat het faillissement van [klager] nog niet is beëindigd, en dat de curator nog immer procespartij in deze procedure (en de appelprocedure) is. (…) De rechtbank (…) schorst de procedure in afwachting van de uitkomst van het ingestelde tussentijds hoger beroep van de tussenvonnissen van 15 juli 2020 en 9 september 2020”. 2.19 Op 21 februari 2024 heeft mr. Van V aan de curator onder meer gevraagd of hij een belangentegenstelling ziet. De curator heeft hierop gereageerd en onder meer geschreven: “Ik wil niet verder procederen tegen Buma/Sena. [Klager] wel. Dat betekent dat onze belangen niet parallel lopen. (…) Als gedurende de behandeling van een zaak, c.q. verlening van juridische bijstand een belangentegenstelling ontstaat, is er volgens mij sprake van dat je je als advocaat terug moet trekken (gedragsregel 15). (…) betekent dit volgens mij dat jij je als advocaat van ondergetekende zult moeten onttrekken – en kan [verweerster] zich stellen. Ik zie graag je opvatting omtrent de uitleg van gedragsregel 15 tegemoet voor zover het gaat om de vraag of je wel [klager] kunt vertegenwoordigen in de Buma/Sena procedures, rekening houdend met bovengenoemd belang.” Verweerster heeft een kopie van deze correspondentie ontvangen. 2.20 Op 24 april 2024 heeft de rechtbank Den Haag vonnis gewezen in de renvooiprocedure tussen [Y] en de curator. De curator is in deze procedure bijgestaan door verweerster. De rechtbank heeft de vorderingen van [Y] afgewezen. 2.21 Op 14 mei 2024 heeft het gerechtshof Amsterdam arrest (ECLI:NL:GHAMS:2024:1308) gewezen naar aanleiding van het door klager, de curator en [Y] ingestelde hoger beroep (zie 2.13). Klager, de curator en [Y] zijn in het hoger beroep bijgestaan door mr. Van V. Het gerechtshof heeft het vonnis van 15 juli 2020 bekrachtigd voor zover het gaat om het aan klager opgelegde inbreukverbod. Het gerechtshof heeft het vonnis vernietigd voor zover het gaat over de in het faillissement van klager ingediende vorderingen van Buma en Sena, omdat de aansprakelijkheid onlosmakelijk verbonden is met de nog niet door de rechtbank beantwoorde vraag naar de hoogte van de vordering van Buma en Sena op Scoezh. Het gerechtshof heeft de zaak terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam voor verdere afdoening. 2.22 Op 15 mei 2024 stuurt klager het arrest van het gerechtshof van 14 mei 2024 aan onder meer verweerster en de curator, waarbij klager schrijft: “Nu op al deze punten al akten zijn genomen kunnen partijen in de bodem Amsterdam mi vonnis vragen.” 2.23 Op 17 juni 2024 heeft klager een (concept) verzoek ex art. 69 Faillissementswet aan de curator gestuurd. 2.24 Op 19 juni 2024 heeft de curator gereageerd en onder meer geschreven dat hij de rechtbank zelf zal vragen om een datum voor een akte, waarbij de rechtbank op de hoogte kan worden gebracht van de laatste ontwikkelingen (met als laatste ontwikkeling het arrest van het gerechtshof Amsterdam). 2.25 Diezelfde dag heeft klager in een reactie aan de curator onder meer geschreven dat hij het arrest van het gerechtshof heeft besproken met de cassatieadvocaat, dat hij vooralsnog geen voorstander is van cassatie, maar dat hij in cassatie zal gaan als hij in de akte van de curator een poging leest de procedure te beëindigen. 2.26 Op 11 juli 2024 heeft mr. Van V aan de curator onder meer geschreven: “…Als ik mij afzijdig houd, gaat [klager] een klacht indienen en als ik zonder jouw instemming verder ga, riskeer ik een klacht van jou.” 2.27 Op 24 juli 2024 heeft cassatieadvocaat mr. Z aan mr. Van V onder meer geschreven dat het arrest van 14 mei 2024 een (zuiver) tussenarrest is en dat tegen het nog door de rechtbank te wijzen eindvonnis kan worden geappelleerd, waarna tegen het te wijzen eindarrest cassatieberoep open staat. 2.28 Mr. Van V heeft, namens klager, het gerechtshof gevraagd om de mogelijkheid van cassatie open te stellen tegen het arrest van 14 mei 2024. De curator heeft zich tegen deze mogelijkheid verzet. Op 6 augustus 2024 heeft het gerechtshof bepaald dat cassatie tegen het arrest mogelijk is. 2.29 Op 12 september 2024 heeft klager een mail gestuurd aan de rechtbank Amsterdam, waarin hij de rechtbank onder meer heeft geïnformeerd over het arrest van 14 mei 2024. In zijn e-mail schrijft hij onder meer: “[Verweerster] staat in bovengenoemde uitspraak vernoemd als mijn advocaat maar ik heb nimmer opdracht gegeven aan [verweerster]. [Mr. V] staat als advocaat van [curator], echter heeft [mr. V] in het hoger beroep ook opgetreden namens [Y] en wordt [mr. V] nu bedreigd door de curator [curator] met klachten ivm mogelijke onbevoegdheid of een tegenstrijdig belang.” 2.30 De rechtbank heeft klager er op 13 september 2024 op gewezen dat in de procedure sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging en dat een bericht van de advocaten wordt afgewacht. 2.31 Op 14 oktober 2024 heeft verweerster in een brief aan de rechtbank onder meer geschreven: “Op 9 februari 2022 is [mr. H] als procesadvocaat vervangen door ondergetekende. De rolregistratie volgend, is die wijziging aangetekend als een vervanging van de procesadvocaat van [klager]. Formeel is het niet de bedoeling geweest dat ondergetekende fungeerde als procesadvocaat van [klager], waar het zijn niet-vermogensrechtelijke belangen betreft – het inbreukverbod. (…) Thans heeft [mr. V] zich i.v.m. de tegen [klager] gerichte inbreukvordering als procesadvocaat voor [klager] gesteld. Hij treedt daarnaast op als procesadvocaat van [Y] Holding B.V.. Ondergetekende onttrekt zich daarom voor zoveel nodig formeel als advocaat van [klager], en ondergetekende stelt zich als advocaat van [mr. D] q.q./in zijn hoedanigheid van curator van [klager].” 2.32 Op 16 oktober 2024 heeft verweerster gereageerd op de conceptklacht die klager haar had toegestuurd. Verweerster schrijft onder meer: p. 22 “Je bent nooit mijn cliënt geweest. Je hebt mij ook nooit als zodanig beschouwd: jouw belangen en de gelijk oplopende belangen van [Y] Holding zijn altijd behartigd door de diverse advocaten die jou bijstonden of bijstaan: mr. [D], mr. [Van O], mr. [X] en [Van V]. (…) De rechtbank kan theoretisch ook nog vaststellen dat jij niet aansprakelijk bent jegens Buma/Sena, maar die kans acht ik lager dan 1%. Immers, de rechtbank heeft hier al een uitspraak over gedaan en de uitspraak van het hof luidt niet dat jij niet aansprakelijk bent, alleen maar dat het voorbarig is iemand aansprakelijk te houden voor een vordering die niet vaststaat (zou die vordering nihil bedragen, dan kan je er uiteraard ook niet voor aansprakelijk zijn).” 2.33 Op 30 oktober 2024 heeft verweerster, namens de curator een akte ingediend bij de rechtbank Amsterdam. De akte maakt integraal onderdeel uit van het klachtdossier. In de akte wordt de rechtbank onder meer geïnformeerd over het arrest van het gerechtshof van 14 mei 2024. In randnummer 17 van de akte schrijft verweerster onder meer: “De vraag is of [klager] in de onderhavige procedure bij uw rechtbank nu nog terug kom komen op c.q. stellingen kan innemen over de inbreukvordering. Er is (zie hierna) geen cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Indien en voor zover het hof met haar beslissingen als boven vermeld een bindende eindbeslissing heeft gegeven omtrent het inbreukverbod, zou dat kunnen betekenen dat [klager] thans, in de procedure bij uw rechtbank, niet meer effectief het gevorderde inbreukverbod kan bestrijden” 2.34 Op 8 november 2024 heeft klager bij de deken een klacht over verweerster ingediend. Verweerster heeft bij brief van 4 december 2024 op de klacht gereageerd, waarbij zij heeft vermeld: ‘Betreft: [klager] / FAILLISSEMENT”. 2.35 Uit een actueel (tot januari 2025) roloverzicht van de rechtbank Amsterdam blijkt dat mr. Van V optreedt voor klager en [Y]. Verweerster treedt op voor de curator. 2.36 Bij vonnis van 10 december 2025 heeft de rechtbank Amsterdam beslist op de in 2016 door Buma en Sena gestarte bodemzaak. De rechtbank heeft het inbreukverbod toegewezen, de vordering van Buma in het faillissement van klager gesteld op € 50.292,38, de vordering van Sena in het faillissement van klager gesteld op € 50.210,97 en de curator bevolen de vastgestelde vorderingen te erkennen en op de lijst van erkende crediteuren in het faillissement van klager te plaatsen.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster ernstige nalatigheid, belangenverstrengeling en het niet nakomen van haar verplichtingen als advocaat, wat klagers rechtspositie aanzienlijk heeft geschaad. Klager wijst concreet op het volgende: a) Belangenverstrengeling: verweerster handelde eerst als klagers belangenbehartiger en later als advocaat van de curator. Door de overstap van verweerster naar de vertegenwoordiging van de curator, ontbreekt nu een onafhankelijke vertegenwoordiging van klagers belangen. Als advocaat van de curator vertegenwoordigt verweerster nu een positie die klagers belangen direct schendt. Verweerster handelt in strijd met gedragsregel 15. b) Verweerster vertegenwoordigde klager aanvankelijk in de procedure tegen Buma en Sena, maar ondanks haar rol als klagers advocaat heeft zij: - nagelaten klager adequaat te informeren over de stand van zaken, inclusief het arrest van 14 mei 2024; - nagelaten de rechtbank Amsterdam tijdig te informeren over het arrest van 14 mei 2024, ondanks de duidelijke verplichting daartoe zoals door de rechtbank benadrukt in de uitspraak van 13 juli 2022; - niet gereageerd op klagers herhaalde verzoeken om actie te ondernemen en overleg te voeren over de voortgang van de zaak. c) Verweerster schaadt klagers belangen in de lopende bodemprocedure, door feiten en omstandigheden naar voren te brengen over de vermeende onbevoegdheid en de status van de vorderingen van [Y]. Ook heeft zij in de akte van 30 oktober 2024 stellingen opgenomen die klagers belangen schaden en een stelling die juridisch onjuist is.
4 VERWEER 4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerster betwist dat zij heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 15. Verweerster betwist dat zij klagers advocaat is geweest. Zij heeft toegelicht dat de bedoeling was dat mr. H met name voor de curator zou gaan optreden als procesadvocaat, maar omdat op dat moment ook de inbreukvordering voorlag is mr. H op enig moment als (proces)advocaat van klager bij de rechtbank geregistreerd. Dat had van doen met de mogelijkheid van een proceskostenveroordeling van ofwel de boedel, ofwel Buma en Sena. Omdat de belangen van de curator, klager (privé) en [Y] gelijk opliepen voor zover het ging om de betwisting in de bodemprocedure van de vordering van Buma en Sena, is op enig moment afgesproken dat mr. Van V (op kosten van [Y]) als procesadvocaat ook de belangen van de curator in de bodemprocedure zou behartigen. Op dat moment had dat ook op de rol moeten worden gewijzigd. Dat is niet gebeurd. Verweerster is vanaf 2022 betrokken bij de afwikkeling van het faillissement, omdat mr. H toen aftrad als advocaat. Verweerster is toen per vergissing geregistreerd als (opvolgend) procesadvocaat van klager. Inhoudelijk heeft verweerster klager nooit vertegenwoordigd, geadviseerd of anderszins als zijn advocaat opgetreden: wel voor zover het zijn vermogensrechtelijke belangen betreft, maar dat komt uiteraard neer op vertegenwoordiging van de curator als zodanig. Klager (en [Y]) zijn door diverse advocaten vertegenwoordigd geweest en worden ook nog steeds door advocaten vertegenwoordigd. De deels verwarrende en eigenlijk onjuiste rolregistratie is nooit een issue geweest. Kortgeleden is dat hersteld, mede omdat de rolregistratie ook op een ander punt niet klopte (de curator was helemaal niet meer als procespartij vermeld op de rol). 4.2 Verweerster heeft klager samen met de curator voortdurend op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen in het faillissement. Via [Y] is klager kennelijk geïnformeerd over het arrest van 14 mei 2024. Klager heeft dit arrest zelf een dag later naar de curator gestuurd. Omdat klager aankondigde dat hij mogelijk cassatieberoep tegen het arrest zou instellen, is in overleg met de advocaat van Buma en Sena besloten te wachten met het bericht aan de rechtbank. Door tussentijds cassatieberoep zou de zaak namelijk weer lang stil komen te liggen. Op 15 september 2024 liet klager weten dat hij toch geen cassatieberoep in zou stellen. Vervolgens hebben partijen in de bodemprocedure akte genomen. 4.3 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Klachtonderdeel a) – belangenverstrengeling 5.2 Gedragsregel 15 lid 1 bepaalt dat het een advocaat, gelet op zijn gehoudenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid niet is toegestaan, behoudens in de gevallen genoemd in het derde en vierde lid van deze gedragsregel: a. tegelijkertijd voor meer dan één partij op te treden in een zaak waarin deze partijen een tegengesteld belang hebben; b. tegen een cliënt of een voormalig cliënt op te treden. 5.3 De raad zal allereerst eerst beoordelen of verweerster als advocaat voor klager heeft opgetreden. Klager stelt namelijk dat dit het geval is en wijst op de rolregistratie en de processtukken. Verweerster heeft dit gemotiveerd betwist (zie hiervoor onder verweer). 5.4 Duidelijk is dat verweerster vanaf februari 2022 op de rol van de rechtbank geregistreerd heeft gestaan als advocaat van klager, als opvolger van mr. H. Dat is ook het enige aspect waaruit zou kunnen volgen dat verweerster klagers advocaat was. De rolregistratie is echter niet leidend. Verweerster heeft voldoende toegelicht hoe die rolregistratie tot stand is gekomen, waarom die rolregistratie niet correct was en dat zij nooit als klagers advocaat heeft opgetreden. De raad acht die verklaring aannemelijk. Klager heeft onvoldoende gesteld waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk ooit de indruk heeft gehad dat verweerster feitelijk voor hem optrad. Klager heeft juist aan de rechtbank laten weten dat hij nooit opdracht heeft gegeven aan verweerster (zie 2.29). Klager en/of zijn holding [Y] werden ook steeds bijgestaan door andere advocaten, waaronder mr. E en mr. Van V. Daarmee staat naar het oordeel van de raad voldoende vast dat verweerster niet klagers advocaat is geweest. Het verwijt van belangenverstrengeling (gedragsregel 15) treft dus geen doel, omdat klager geen cliënt van verweerster is of is geweest. Verweerster heeft ook niet voor meer dan één partij opgetreden, zodat ook daarom geen sprake is van belangenverstrengeling. Klachtonderdeel a) is ongegrond. Klachtonderdeel b) – informatievoorziening 5.5 Klager verwijt verweerster dat zij in haar rol als zijn advocaat tekort is geschoten in het informeren van klager en de rechtbank en niet heeft gereageerd op klagers herhaalde verzoeken om actie te ondernemen en overleg te voeren over de voortgang van de zaak. De raad heeft hiervoor al vastgesteld dat verweerster niet klagers advocaat was. Verweerster is als advocaat van de curator niet gehouden om klager te informeren over de stand van zaken in de procedure. Het was de taak van klagers eigen advocaat om hem hierover te informeren (waaronder over het arrest van 14 mei 2024) en te reageren op verzoeken om actie en overleg. Vast staat overigens dat klager zelf op 15 mei 2024 op de hoogte was van het arrest van het gerechtshof. Hij mailde het arrest op die datum aan onder meer de curator en verweerster (zie 2.22). Als klager had gewild dat de rechtbank Amsterdam over dit arrest direct werd geïnformeerd, had hij zijn eigen advocaat daartoe opdracht moeten geven. Verweerster heeft overigens toegelicht dat klager in cassatieberoep wilde gaan tegen het arrest van 14 mei 2024 en dat daarom is besloten te wachten met het informeren van de rechtbank tot daarover duidelijkheid was. Mr. Van V heeft namens klager aan het gerechtshof gevraagd om de mogelijkheid van cassatie open te stellen. Dat heeft het gerechtshof ook gedaan. In augustus of september 2024 bleek vervolgens dat klager toch geen cassatieberoep zou gaan instellen. Verweerster heeft de rechtbank vervolgens in haar akte van 30 oktober 2024 (onder meer) geïnformeerd over het arrest van het gerechtshof. De raad ziet in het voorgaande geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster. Klachtonderdeel b) is ongegrond. Klachtonderdeel c) – verweersters optreden in de procedure 5.6 Klager verwijt verweerster dat zij, als advocaat van de curator, zijn belangen schaadt. Hier geldt dat verweerster niet klagers belangen, maar die van de curator behartigt. Verweerster treedt dus op als partijdig belangenbehartiger van de curator. Het is duidelijk dat klager het met een aantal van de door verweerster ingenomen stellingen niet eens is, maar dat maakt niet dat verweerster klagers belangen nodeloos of op ontoelaatbare wijze schaadt. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond. Aanvullende overwegingen 5.7 In zijn repliek heeft klager in aanvulling onder meer geklaagd over de informatievoorziening door verweerster bij de verkoop van het ouderlijk huis van zijn overleden vader. Ook noemt klager het rauwelijks dagvaarden in de StAK-procedure, disproportionele faillissementskosten en een ongeautoriseerde huisdoorzoeking. Deels lijken deze klachten op het handelen van de curator te zien. Voor zover deze klachten zien op het handelen en/of nalaten van verweerster, geldt dat klager deze klachten niet met stukken heeft onderbouwd, zodat de raad de juistheid daarvan niet kan vaststellen. De raad ziet in het klachtdossier geen aanknopingspunten dat verweerster de kosten van de klachtprocedure aan de boedel toe wil rekenen, zoals klager stelt. Deze verwijten zijn ongegrond. 5.8 Voor zover klager in zijn aanvulling van 6 januari 2026 nieuwe klachten naar voren heeft gebracht, geldt dat de raad deze buiten beschouwing heeft gelaten, zoals ook op de zitting van 19 januari 2026 aan partijen is meegedeeld.
BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
