Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

16-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:50

Zaaknummer

25-300/DH/RO

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen advocaat. Verweerster heeft vanaf het begin af aan helder gemaakt dat zij weinig kansen zag bij het instellen van hoger beroep, maar dit enkel zou doen om klager in een betere onderhandelingspositie te kunnen krijgen. Zij heeft duidelijk gemaakt niet mee naar een zitting te gaan. Nadat zij zich heeft onttrokken aan de procedure, hoefde zij geen aanvullende stukken meer in te dienen in de procedure. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 16 maart 2026 in de zaak 25-300/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster gemachtigde

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 2 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 7 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/052 van de deken ontvangen. 1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 2 februari 2026. Daarbij waren klager en de gemachtigde van verweerster fysiek aanwezig. Verweerster heeft digitaal deelgenomen aan de zitting. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 34.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager is in een kortgedingprocedure verwikkeld geweest over de verkoop van de (voormalig) echtelijke woning. Daarin is hij bijgestaan door een andere advocaat. Deze advocaat heeft een negatief procesadvies gegeven voor het instellen van hoger beroep. 2.3    Op 3 oktober 2022 hebben klager, verweerster en haar kantoorgenote mr. D een intakegesprek gevoerd. Nadien heeft verweerster schriftelijk bevestigd het instellen van hoger beroep vanuit juridisch oogpunt af te raden, maar dat klager dit desondanks wil omdat hij ervan overtuigd is dat de huizenmarkt op korte termijn zal inzakken en hij met druk van het hoger beroep alsnog in staat zal zijn om de woning tegen een gunstigere prijs over te kopen. 2.4    Op 6 oktober 2022 heeft verweerster aan klager over de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring geschreven niet voor een kort geding te zullen kiezen, maar een incidentele vordering in de hogerberoepsprocedure te zullen instellen. Volgens verweerster moet namelijk worden voorkomen dat er daadwerkelijk een zitting gaat plaatsvinden, omdat de juridische redenering niet sterk is en zij via het instellen van de incidentele vordering kan proberen het hoger beroep op de wat langere baan te schuiven. 2.5    Op 10 oktober 2022 heeft verweerster aan klaagster bevestigd het hoger beroep in te willen dienen samen met een vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring en daarover eventueel met de wederpartij te onderhandelen, maar dat zij klager niet zou vertegenwoordigen op een zitting over de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring omdat klager daar geen belang bij heeft. Verweerster heeft daarbij opgemerkt dat klager heeft aangegeven hiermee akkoord te zijn, omdat hij niet verwacht dat een zitting nodig zal zijn. Verweerster heeft daarbij benadrukt dat klager er rekening mee moet houden dat er toch een zitting op korte termijn wordt gepland en dat het dan ook verstandig is om tijdig op zoek te gaan naar een andere advocaat. 2.6    Op 30 november 2022 heeft verweerster na een arrest in het incident herhaald niet naar een zitting over de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring te gaan, hem dringend geadviseerd op zoek te gaan naar een andere advocaat en hem medegedeeld zijn strategie riskant te vinden.  2.7    Op 1 februari 2023 heeft verweerster aan klager medegedeeld dat het gerechtshof het schorsingsverzoek van de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring heeft afgewezen en dat er nu een memorie van grieven opgesteld dient te worden. Verweerster heeft aangeboden deze op te stellen, de vraag gesteld of klager zijn tactiek niet moet herzien nu de huizenmarkt nog steeds niet is ingestort en er ook geen nieuw aanbod is gedaan door zijn ex-partner. Verweerster heeft herhaald dat klager op zoek moet gaan naar een nieuwe advocaat voor het bijwonen van de zitting in het hoger beroep, omdat verweerster hem niet zal bijstaan tijdens een (eventuele) zitting. 2.8    Op 14 februari 2023 heeft verweerster aan klager bevestigd dat zij weinig kans van slagen ziet in het hoger beroep en haar verzoek herhaald om een andere advocaat te vinden voor het geval er een zitting wordt gepland. Daarbij heeft zij geopperd dat deze nieuwe advocaat ook de memorie van grieven opstelt, omdat zij vastloopt met het schrijven daarvan. 2.9    Op 27 maart 2023 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen klager, verweerster en haar kantoorgenote mr. B over een conceptmemorie van grieven. In de periode daarna is de wederpartij verzocht om een overleg om te bezien of een minnelijke regeling afgesproken kon worden. Dit is door de wederpartij afgewezen, onder verwijzing naar het eerder gedane voorstel. 2.10    Op 12 april 2023 heeft verweerster een conceptbrief met een tegenvoorstel voorgelegd aan klager, met de mededeling dat zij het recht voorbehoudt om zich op elk moment te onttrekken bij het gerechtshof als klagers advocaat. 2.11    Op 10 mei 2023 heeft mr. B een ontvangen memorie van antwoord doorgezonden aan klager en hem medegedeeld over de vervolgstappen die hij kan nemen, waarbij is aangegeven dat als hij een zitting wil, klager zijn verhinderdagen en die van zijn toekomstige advocaat moet doorgeven. 2.12    Op 12 mei 2023 heeft mr. B klager verzocht om zijn verhinderdagen, die verweerster dan zal indienen waarna zij zich onttrekt als advocaat. Daarbij is klager erop gewezen dat hij een vervangende advocaat nodig heeft om aanvullende stukken bij het hof in te dienen, maar dat hij wel zonder advocaat naar de zitting kan gaan. 2.13    Op 18 mei 2023 heeft verweerster aan klager medegedeeld zich te zullen onttrekken van de procedure zodra de zittingsdatum bekend is. Op 8 juni 2023 heeft verweerster een vergelijkbaar bericht gestuurd. 2.14    Op 23 juni 2023 heeft het gerechtshof een zitting gepland. Verweerster heeft diezelfde dag aan klager medegedeeld zich te gaan onttrekken, hetgeen zij gedaan heeft. 2.15    Op 6 september 2023 heeft klager aan verweerster medegedeeld een nieuwe advocaat te hebben gevonden. Verweerster en de nieuwe advocaat hebben vervolgens op initiatief van de nieuwe advocaat een confraterneel overleg gevoerd over het dossier. De nieuwe advocaat heeft zich uiteindelijk niet gesteld bij het gerechtshof. 2.16    Op 11 oktober 2023 heeft verweerster aan klager, op diens verzoek, medegedeeld geen stukken namens hem in te dienen bij het gerechtshof en hem geadviseerd zo spoedig mogelijk een andere advocaat in te schakelen. 2.17    Op 2 oktober 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. a)    Verweerster heeft nagelaten een mondelinge behandeling in het hoger beroep aan te vragen; b)    Verweerster is na het indienen van de memorie van grieven niet bereid geweest om aanvullende stukken bij het hof in te dienen; c)    Verweerster heeft zonder klagers toestemming met de nieuwe advocaat gesproken over klager; d)    Verweerster heeft een kantoorgenoot ingeschakeld voor klagers zaak zonder klager daarover expliciet te informeren en daarvoor haar eigen partnertarief te rekenen.

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Klachtonderdeel a) 5.2    Klager kan er niet in worden gevolgd dat verweerster geen mondelinge behandeling heeft willen aanvragen. Ze heeft immers zijn verhinderdata doorgegeven en er is een zitting door het hof gepland. Voor zover klager hiermee bedoeld heeft dat verweerster klachtwaardig zou hebben gehandeld omdat zij niet met hem mee wilde naar de zitting, geldt dat verweerster vanaf het begin af aan helder heeft gemaakt dat zij weinig kansen in de procedure zag, enkel meewerkte om klager in een betere onderhandelingspositie te brengen en dat zij niet mee zou gaan naar een zitting. Dat zij de daad bij het woord heeft gevoegd en klager niet wilde vergezellen naar de zitting, is onder die omstandigheid dan ook niet klachtwaardig.  5.3    Wel heeft de raad zich afgevraagd of verweerster zich al op een eerder moment had moeten onttrekken aan de procedure, die zij weinig kansrijk achtte. Klager heeft daarover ook opgemerkt zich onder druk gezet te hebben gevoeld om verweerster als advocate te houden, terwijl zij hem steeds vertelde dat zijn zaak weinig kans van slagen had. De raad kan dat gevoel begrijpen, maar merkt wel op dat dat met name is ontstaan omdat klager zelf pas in een zeer laat stadium op zoek is gegaan naar een nieuwe advocaat ondanks de vele aansporingen van verweerster om dat (eerder) te doen. Verweerster heeft daartegenover ter zitting overtuigend toegelicht dat zij gelet op gedragsregel 14 lid 3 pas ruimte zag om zich daadwerkelijk te onttrekken op het moment dat er een zitting gepland zou worden, omdat steeds handelingen in het dossier verricht dienden te worden. Haar zorgplicht maakte dat zij klager in die periode niet alleen achter kon laten. De raad is dan ook van oordeel dat verweerster voldoende rekenschap heeft gegeven van de kernwaarden partijdigheid en onafhankelijkheid.  5.4    De raad verklaart klachtonderdeel a) ongegrond. Klachtonderdeel b) 5.5    Evenmin kan verweerster worden verweten dat zij geen aanvullende stukken meer bij het hof wilde indienen op het moment dat zij zich aan de procedure had onttrokken. Klager was ook voldoende gewaarschuwd dat hij daarvoor een nieuwe advocaat nodig had. Klachtonderdeel b) is ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.6    Het staat een advocaat tuchtrechtelijk gezien vrij om in gesprek te gaan met een opvolgend advocaat over een dossier dat overgedragen wordt. Daarmee kan geborgd worden dat de overdracht zorgvuldig verloopt en de opvolgend advocaat snel aan de slag kan. Daarvoor is geen toestemming van de cliënt nodig, temeer nu de potentieel opvolgend advocaat door klager is benaderd en daarom zelf contact heeft opgenomen met verweerster. Verweerster heeft in zoverre niet klachtwaardig gehandeld. Volgens klager zou de opvolgend advocaat door dit gesprek zijn beïnvloed om de zaak niet meer te willen behandelen, maar niet kan worden vastgesteld dat dit ook daadwerkelijk het geval is geweest. Klachtonderdeel c) is daarom ongegrond. Klachtonderdeel d)  5.7    De raad stelt op basis van het dossier vast dat tijdens de besprekingen op 3 oktober 2022 en 27 maart 2023 een kantoorgenoot van verweerster aanwezig is geweest. De raad acht dat niet klachtwaardig. Als klager bezwaar had tegen de aanwezigheid van die kantoorgenoten, dan kon hij dat toen bespreekbaar maken. Ook acht de raad het niet klachtwaardig dat verweerster twee niet-inhoudelijke e-mails op 10 maart 2023 en 12 maart 2023 door een kantoorgenoot (als praktijkwaarnemer) heeft laten versturen. Waarom dat laakbaar zou zijn, is door klager niet geconcretiseerd. 5.8    Klager heeft verder gesteld dat verweerster voor deze kantoorgenoten haar eigen partnertarief in rekening heeft gebracht. De raad stelt voorop dat een klachtprocedure bij de tuchtrechter niet bedoeld is om declaratiegeschillen tussen cliënten en hun advocaten te beslechten. Wel waakt de tuchtrechter voor excessief declareren. Omdat klager zijn klacht op dit punt niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld een factuur, kan de raad niet vaststellen of zijn stelling klopt en of daarmee sprake is van excessief declareren. Klachtonderdeel d) is daarom ongegrond. Conclusie 5.9    De klacht is in het geheel ongegrond.

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.