Rechtspraak
Uitspraakdatum
09-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:66
Zaaknummer
26-080/AL/NN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat in hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Verweerder heeft met zijn optreden niet het vertrouwen in de advocatuur geschaad.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 9 maart 2026 in de zaak 26-080/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 30 januari 2026 met kenmerk 2025 KNN083 / 2512745.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klagers, een holding en privé persoon, zijn verwikkeld in een civiele procedure. Na onttrekking op 20 augustus 2024 van hun advocaat in eerste aanleg hebben klagers zich op 9 september 2024 tot mr. H gewend.
1.2 Mr. H is een kantoorgenoot van verweerder die tevens de klachtenfunctionaris van het kantoor is.
1.3 Op 13 september 2024 heeft mr. H de opdracht aan klagers bevestigd. Omdat haar voorganger zich had onttrokken zonder conclusie van antwoord te nemen, heeft mr. H geprobeerd om alsnog een conclusie van antwoord te mogen nemen. De rechtbank heeft dat niet toegestaan en heeft op 30 oktober 2024 vonnis gewezen. Het vonnis van 30 oktober 2024 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De wederpartij van klagers hebben daarna beslag gelegd op diverse banksaldi (zakelijk en privé), een auto en een deel van de AOW-uitkering van klager in privé (klager 2).
1.4 Mr. H heeft namens klagers tijdig hoger beroep ingesteld. Op 18 februari 2025 heeft haar kantoor het door klagers verschuldigde griffierecht van € 6.803,- aan het gerechtshof voorgeschoten. De zaak stond op de rol voor 27 mei 2025 voor een memorie van grieven.
1.5 Op 14 april 2025 heeft mr. H een declaratie (251266) aan klagers gestuurd voor een bedrag van € 8.137,03.
1.6 In een e-mail van 24 april 2025 hebben klagers aan mr. H. geschreven
Ik zwem nog rondjes en zie niet hoe ik moet beginnen. Ik begrijp de procedure. Mag ik voorstellen dat je de memorie van grieven opstelt en aangeeft welke ontbrekende feiten ik nog moet toevoegen. (…)
Ik kan je declaraties niet voldoen en ontvang op dit moment geen volledige AOW omdat op een deel daarvan beslag ligt (…) Met pijn en moeite heb ik je vorige declaraties nog kunnen voldoen. (…) Ik leeft sober maar de rek is eruit. Ik kan maandelijks € 1 nog wel missen ….
1.7 In reactie hierop heeft mr. H klagers gemeld haar werkzaamheden te zullen staken als de declaratie niet wordt betaald en gewezen op het kantoorbeleid bij wanbetaling.
1.8 Op zondag 11 mei 2025 hebben klagers bij verweerder als klachtenfunctionaris van het kantoor van mr. H over haar geklaagd. Verweerder heeft klagers uitgenodigd voor een gesprek om tot een oplossing te komen. Dit gesprek heeft op 14 mei 2025 plaatsgevonden in aanwezigheid van klager 2, mr. H en verweerder als klachtenfunctionaris van het kantoor.
1.9 In de e-mail van 15 mei 2025:
- om 10:52 uur: heeft verweerder aan klager 2 de op 14 mei 2025 gemaakte afspraken als volgt bevestigd:
Ik heb toegelicht dat in de eerste plaats de vraag voorligt of mr [H] als uw belangenbehartiger nog uw vertrouwen geniet. Dat is immers een randvoorwaarde voor enige vervolgwerkzaamheid. U heeft aangegeven en toegelicht dat de aanleiding tot een klacht als zodanig uitsluitend ziet op de huidige, in uw ogen acute en ook tijdelijke onmogelijkheid om te betalen. Oorzaak is de gelegde beslagen, en dientengevolge uw beperkte resterende inkomsten op dit moment. Met mr [H] heeft u altijd een goed en constructief contact gehad.(…)
3. Ik heb toegelicht dat mr [H] inderdaad te maken heeft met een kantoor beleid dat – kort gezegd – inhoudt dat werkzaamheden dienen te worden opgeschort c.q. gestaakt indien nota’s niet voldaan worden en dat een feitelijke – acute – onmogelijkheid aan uw zijde als zodanig niet “voor rekening van kantoor” dient of hoeft te komen. Tegelijk hebben we gezamenlijk vastgesteld dat u eerdere nota’s wel steeds prompt voldeed, tot aan de beslaglegging. (…)
4. Het voorgaande was aanleiding om “vooruit te kijken”. Mr. [H] hervat haar werkzaamheden waar het het opstellen van de memorie van grieven betreft. Een voorzichtige raming brengt mee dat daar circa 10 uur (€ 2.500,= exclusief btw) aan honorarium mee gemoeid zal zijn. Onvoorziene bijkomende werkzaamheden daarvan uitgezonderd. U noemde dat "geen enkel probleem" en uiteraard dienen ook volgens u de griffierechten ad circa € 6.800,= - welke kantoor heeft voorgeschoten - spoedig/zo spoedig mogelijk te worden voldaan. Overige werkzaamheden worden tot een noodzakelijk minimum beperkt. (…)
7. Kortom: qua indiening van de memorie van grieven op de rolzitting van 27 mei a.s. zijn heldere afspraken gemaakt. De – acute – termijn is daar mee “gedekt”. Ook is helder dat vervolgens sprake moet zijn van volledige betaling van openstaande nota’s alvorens opnieuw werkzaamheden van enige omvang worden verricht. Daarbij is besproken dat dit in het uiterste geval kan inhouden dat mr [H] alsnog haar werkzaamheden staakt tijdens het verdere verloop van het hoger beroep indien betaling uitblijft. (…)
- om 10:59 uur: heeft klager aan verweerder bericht dat hij snel antwoord krijgt.
- om 19:19 uur: heeft verweerder klager gevraagd om uiterlijk de ochtend erna te reageren vanwege de termijnen.
- om 19:20 uur: heeft klager 2 aan verweerder laten weten dat hij uiterlijk de dag erna voor 12:00 uur zijn reactie tegemoet kan zien.
- om 21:00 uur: heeft klager 2 aan verweerder, met mr. H in de CC, bericht:
Het ziet er niet naar uit dat ik U nu nader kan informeren. De inhoud van Uw e-mail van heden om 10:52 uur bevestig ik hierbij en ga akkoord.
1.10 Mr. H heeft haar werkzaamheden hervat en op 27 mei 2025 de memorie van grieven genomen.
1.11 Op 18 juli 2025:
- om 15:20 uur: heeft mr. H aan klagers, met verweerder in de CC, het verzoek tot uitstel van de wederpartij doorgestuurd en in haar begeleidende e-mail geschreven:
Dit uitstelverzoek van de wederpartij is in mijn vakantie binnengekomen. De datum voor de memorie van antwoord is nu 5 augustus 2025. Hoogstwaarschijnlijk wordt daarna een mondelinge behandeling gepland.
Afgesproken is dat ik geen nieuwe werkzaamheden van omvang zal verrichten voordat de openstaande bedragen zijn voldaan, onverminderd de afspraak dat jij zo snel mogelijk een substantiële betaling zou verrichten. Ik ontvang daarom van jou graag opnieuw een update en wijs er volledigheidshalve op dat indien betaling uitblijft ik zoals afgesproken alsnog mijn werkzaamheden neer moet leggen.
- om 15:27 uur: heeft klager 2 aan mr. H of verweerder [voorzitter: ontvanger van de e-mail ontbreekt] het volgende geschreven:
Dag [voornaam mr. H], Bedankt voor je e-mail. M.b.t. de betaling is er niets veranderd d.w.z. dat ik niet betalen kan alvorens mijn geld vrijkomt. Eveneens een fijn weekend gewenst.
- om 17:13 uur: heeft verweerder op de e-mail van mr. H van 15:20 uur gereageerd vanaf zijn iPhone en deze e-mail (abusievelijk) ook aan klager 2 gestuurd:
Helemaal goed [voornaam mr. H], vriendelijk duidelijk. Waterdicht zo [lachende emoticon met zonnebril].
- om 17:36 uur: heeft klager 2 aan verweerder, met mr. H in de CC, geschreven:
Voor mij is het allerminst duidelijk en zeker niet waterdicht. Ik stel voor om tot een nieuwe afspraak te komen omdat ik mij niet kan voorstellen dat de akte van grieven wél werd opgesteld en dat nu alsnog de stekker eruit dreigt te gaan. Ik heb beloofd dat ik mijn uiterste best zou doen om het geld bijeen te krijgen en dat heb ik (bewijsbaar) gedaan. Het is echter niet gelukt.
Prettige vakantie
- om 22:11 uur: heeft verweerder aan klager 2, met mr. H in de CC, geschreven:
Zoals je zult hebben gezien (out of office) geniet ik vandaag mijn eerste vakantiedag en ben ik onderweg. Dat verklaart ook mijn wellicht wat “jolige” stemming en mail.
Gezien jouw reactie vind ik het eens te meer goed dat [voornaam mr. H] – tussentijds- de destijds gemaakte afspraken memoreert. Vriendelijk en duidelijk, zoals ik schreef.
Wat [voornaam mr. H] vanmiddag heeft verwoord, is naar mijn overtuiging hetgeen we destijds uitgebreid besproken, afgesproken en ook bevestigd hebben.
Mocht jij menen dat er in haar mail van zojuist iets anders staat dan wij wlkaar over weer destijds bevestigd hebben dan verzoek ik je dat per mail aan mij te verhelderen.
Ik op mijn beurt krijg namelijk de indruk dat je op die afspraken wilt terugkomen, en dat is uiteraard niet de bedoeling. Zo geef je aan dat je een nieuwe afspraak wil maken, terwijl dat met de bestaande afspraak juist niet aan de orde is.
In mijn bekende hoedanigheid heb ik – toen en voor de toekomst, voor jou en voor kantoor – helderheid willen creëren en dat ook bewust gedaan. Ik doe dat nu opnieuw.
Als ik een mail van je krijg zal ik daar na mijn vakantie op reageren.
- om 22:50 uur: heeft klager 2 aan verweerder, met mr. H in de CC, geschreven:
Als je per auto onderweg bent is het uitgesloten dat er alcohol of drugs in het spel waren.
Je “jolige stemming’’ is bij mij volkomen verkeerd gevallen en ik weet nog niet wat ik er mee moet. Beledigend en onwaardig waren de eerste woorden die bij mij opkwamen.
Ik kom zeker niet terug op onze afspraken en stel voor om na je vakantie elkaar opnieuw te ontmoeten omdat ik van mening ben dat jij je niet aan de afspraak houdt.
1.12 Op 20 augustus 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten Gelderland een klacht ingediend over verweerder. Omdat verweerder een kantoorgenoot van de deken van de Orde van Advocaten Gelderland is, is de klacht van klagers, met instemming van klagers, onderzocht door de deken van de Orde van Advocaten Noord-Nederland.
1.13 Op 17 september 2025 heeft mr. H haar werkzaamheden voor klagers beëindigd en zich op 1 oktober 2025 onttrokken aan de procedure in hoger beroep.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) klagers op 18 juli 2025 om 17:13 uur een onbehoorlijke e-mail te sturen;
b) het niet voortzetten van de werkzaamheden van mr. H in het lopende hoger beroep en de rol die verweerder hierbij als klachtenfunctionaris heeft gespeeld.
3 VERWEER
De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris van een advocatenkantoor.
4.2 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals klachtenfunctionaris, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
4.3 De voorzitter zal de klachtonderdelen aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a); onbehoorlijke e-mail van 18 juli 2025 om 17:13 uur
4.4 Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat genoemde e-mail van verweerder bedoeld was voor kantoorgenoot mr. H en abusievelijk door hem vanaf zijn mobiele telefoon ook aan klager 2 is gestuurd. Volgens verweerder is dit onderweg naar zijn vakantiebestemming misgegaan. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat verweerder meteen na de ontdekking van zijn vergissing zijn verontschuldigingen aan klagers heeft aangeboden. Alhoewel deze vergissing van verweerder slordig was, was de inhoud van zijn reactie naar het oordeel van de voorzitter niet dusdanig ernstig dat verweerder daardoor het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De voorzitter kan verweerder daarvan tuchtrechtelijk dan ook geen verwijt maken. Klachtonderdeel a) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b); onzorgvuldig optreden verweerder als klachtenfunctionaris
4.5 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder zijn taak als klachtenfunctionaris zorgvuldig uitgevoerd met veel aandacht voor de wensen en zorgen van klagers vanwege hun betalingsonmacht na gelegde beslagen. Uit de stukken volgt dat klagers op 15 mei 2025 hun akkoord hebben gegeven op de e-mail van verweerder van 15 mei 2025 om 10:52 uur. Daarin stonden de op 14 mei 2025 tussen klagers, mr. H en verweerder als klachtenfunctionaris gemaakte (financiële) afspraken. In vervolg hierop heeft mr. H haar werkzaamheden voor klagers weer opgepakt en de memorie van grieven opgesteld en tijdig ingediend.
4.6 Dat klagers het daarna opnieuw niet eens waren met het kantoorbeleid over (wan)betaling en de stopzetting van werkzaamheden door mr. H, kan verweerder in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris niet worden aangerekend. Hij heeft zich ten volste ingespannen om met klagers tot een oplossing te komen. Van een klachtenfunctionaris kan echter niet worden verwacht toezeggingen namens het kantoor te (kunnen) doen dat cliënten door liquiditeitsproblemen kosteloos moeten worden bijgestaan.
4.7 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder met zijn optreden als klachtenfunctionaris het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschaad en tuchtrechtelijk dus niet verwijtbaar heeft gehandeld. Ook klachtonderdeel b) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 9 maart 2026
