Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:56

Zaaknummer

26-027/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerster op enigerlei wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld ten opzichte van klagers. Verweerster is als advocaat per definitie partijdig en zij behartigt in het geschil over de erfgrenskwestie uitsluitend de belangen van haar cliënten. Daarbij heeft zij een grote mate van vrijheid om die belangen te behartigen op een wijze die zij in overleg met haar cliënten nodig acht. Het stond verweerster vrij om aan te kondigen dat een handhavingsverzoek zal worden ingediend en dat een gerechtelijke procedure zal worden gestart. Van een ontoelaatbare toon van verweerster is niet gebleken. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline  in het ressort Den Haag van 18 maart 2026 in de zaak 26-027/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

1. klaagster 2. klager hierna samen ook: klagers

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 13 januari 2026 met kenmerk K191 2025 ia/ak, van de op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 03 tot en met 07 en van de op de inventarislijst procedureel genoemde bijlagen 1 tot en met 12. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klagers hebben een geschil met hun buren (hierna: de buren) over een aanbouw van klagers. Volgens de buren staat deze aanbouw gedeeltelijk op hun perceel. Verweerster staat de buren hierin bij. 1.2    Op 13 juni 2025 heeft verweerster namens haar cliënten een brief aan klagers gestuurd waarin is vermeld dat haar cliënten bereid zijn in overleg te treden over het treffen van een regeling voor de overschrijding van de erfgrens, ‘waaronder het vaststellen van een redelijke schadevergoeding of een vergoeding voor gebruik van het betreffende perceelsdeel.’ Verweerster heeft klagers in haar brief gevraagd om binnen zeven dagen na dagtekening van haar brief te laten weten of zij bereid zijn tot overleg. 1.3    Op 16 juni 2025 hebben klagers verweerster bericht dat zij met verbazing kennis hebben genomen van haar brief van 13 juni 2025, omdat de erfgrenskwestie volgens klagers al op 10 juli 2023 tot tevredenheid van beide partijen is opgelost. 1.4    Op 20 juni 2025 heeft verweerster klagers bericht dat haar cliënten geen afstand hebben gedaan van hun rechten ten aanzien van het perceel. Ook heeft verweerster vermeld dat haar cliënten klagers een laatste gelegenheid geven om tot een regeling te komen, bij gebreke waarvan haar cliënten zullen ‘overgaan tot formele stappen, waaronder indiening van een handhavingsverzoek en een gerechtelijke procedure.’   1.5    Op 26 juni 2025 hebben klagers verweerster bericht dat zij bezig zijn met het inwinnen van juridisch advies en dat zij zo snel mogelijk met een reactie komen. 1.6    Op 1 juli 2025 heeft mr. Van de W. namens klagers een brief gestuurd aan verweerster waarin is vermeld dat klagers bereid zijn om in gesprek te gaan over een minnelijke regeling. 1.7    Op 3 juli 2025 heeft verweerster mr. Van de W. bericht dat haar cliënten al eerder hebben geprobeerd om de situatie in der minne te regelen, maar dat de buren die gelegenheid voorbij hebben laten gaan. Verder heeft verweerster vermeld dat haar cliënten ‘thans bereid zijn tot overleg onder duidelijke voorwaarden en binnen een beperkt tijdsbestek’ vanwege het vertrek van klager voor zakenreizen en het feit dat klagers hun woning inmiddels hebben verkocht. 1.8    Op 7 juli 2025 hebben verweerster en mr. Van de W. met elkaar gebeld. Dezelfde dag heeft verweerster aan mr. Van de W. een e-mail gestuurd waarin zij heeft vermeld dat haar cliënten bereid zijn het strookje grond over te dragen aan de cliënten van mr. van der W. of de opende partij. Ook heeft verweerster vermeld dat als klagers alsnog kiezen voor een grensreconstructie haar ‘cliënten zullen overgaan tot het opstarten van een bodemprocedure en verdere schikking niet meer aan de orde is.’ 1.9    Op 9 juli 2025 heeft mr. Van de W. verweerster gemaild dat de cliënten van verweerster niets gaan bereiken met hun strategie en dat klagers openstaan voor een gesprek.  1.10    Op 1 augustus 2025 hebben klagers bij de deken een klacht over verweerster ingediend. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerster het volgende:  a)    verweerster heeft niet onafhankelijk gehandeld, zij heeft zich laten leiden door haar cliënten. Daarmee heeft verweerster in strijd gehandeld met gedragsregel 2; b)    verweerster heeft niet voor ogen gehouden dat een regeling in der minne de voorkeur verdient boven een proces. Daarmee heeft verweerster in strijd gehandeld met gedragsregel 5; c)    verweerster heeft niet gestreefd naar een doelmatige behandeling van de zaak, omdat een voorgestelde grensreconstructie is tegengehouden en met een procedure is gedreigd. Daarmee heeft verweerster in strijd gehandeld met gedragsregel 6 lid 1; d)    verweerster heeft feitelijke informatie verstrekt waarvan zij weet althans behoort te weten dat die onjuist is.  2.2    De voorzitter zal hierna op de klacht ingaan.3    VERWEER 3.1    Verweerster voert verweer tegen de klacht. In dat verband doet verweerster allereerst een beroep op de niet-ontvankelijkheid, omdat klagers geen direct persoonlijk belang hebben bij de klacht en het klachtrecht niet is bedoeld als instrument om onvrede te uiten over de proceshouding van een advocaat die een tegenovergesteld belang dient. 3.2    Ten aanzien van het inhoudelijke verweer tegen de klacht betwist verweerster dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerster aan dat zij haar taak op professionele en onafhankelijke wijze heeft uitgevoerd. Volgens verweerster is het volgen van het standpunt van haar cliënten niet strijdig met de onafhankelijkheidsplicht maar juist kenmerkend voor het werk van een advocaat. Verder merkt verweerster op dat zij herhaaldelijk heeft geprobeerd om tot een oplossing te komen, maar dat zij daarbij is gebonden aan de wensen van haar cliënten. Volgens verweerster is het uiteindelijk aan haar cliënten om te beslissen of een regeling wordt getroffen. Daarnaast voert verweerster aan dat op basis van de door haar cliënten verstrekte gegevens en standpunten de keuze is gemaakt om de mogelijkheid van een gerechtelijke procedure aan te kondigen. Daarbij was van een dreigende, onprofessionele of denigrerende toon in haar correspondentie volgens verweerster geen sprake. Tot slot merkt verweerster op dat de klacht over het verstekken van onjuiste informatie volledig is gebaseerd op vermoedens van klagers en daarom niet kan slagen. Volgens verweerster heeft zij zich gebaseerd op de informatie die haar cliënten hebben verstrekt, maar betekent dat niet automatisch dat zij onwaarheden verkondigt.  3.3    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Ontvankelijkheid 4.1    De voorzitter stelt voorop dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. 4.2    De voorzitter oordeelt dat klagers een rechtstreeks eigen belang hebben bij de verwijten die zij verweerster maken. Verweerster staat de wederpartij van klagers bij in een geschil over de erfgrens en in dat kader heeft verweerster contact met klagers gehad voordat zij werden bijgestaan door een advocaat. Daarmee worden klagers door het handelen dat zij verweerster verwijten rechtstreeks in hun belang getroffen. De klacht is dan ook ontvankelijk en de voorzitter zal deze hierna inhoudelijk beoordelen.

Toetsingskader 4.3    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het handelen van de advocaat waarover wordt geklaagd aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Daarbij is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels. De gedragsregels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke normen, wel van belang zijn voor de invulling van de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt echter steeds af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter van geval tot geval beoordeeld. 4.4    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Klachtonderdelen a) tot en met d) zijn kennelijk ongegrond  4.5    De onderdelen van de klacht gaan in de kern over het handelen van verweerster als advocaat van de wederpartij van klagers. De voorzitter zal deze onderdelen daarom gezamenlijk beoordelen. 4.6    De voorzitter stelt voorop dat een inhoudelijke beoordeling van de standpunten die klagers en de cliënten van verweerster hebben ingenomen over de erfgrenskwestie is voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter heeft daar in het kader van een klachtprocedure geen ruimte voor. In deze klachtprocedure gaat het alleen om de verwijten die klagers verweerster maken. 4.7    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerster op enigerlei wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld ten opzichte van klagers. Verweerster is als advocaat per definitie partijdig en zij behartigt in het geschil over de erfgrenskwestie uitsluitend de belangen van haar cliënten. Daarbij heeft zij een grote mate van vrijheid om die belangen te behartigen op een wijze die zij in overleg met haar cliënten nodig acht. Het stond verweerster dan ook vrij om namens haar cliënten niet akkoord te gaan met een grensreconstructie en om aan te kondigen dat een handhavingsverzoek zal worden ingediend en een gerechtelijke procedure zal worden gestart toen na heen en weer mailen met klagers, en later met hun advocaat, bleek dat partijen hun geschil toch niet op minnelijke wijze konden oplossen. Van een ontoelaatbare toon in de e-mails van verweerster is daarbij niet gebleken. Verweerster heeft zich in haar e-mails aan klager in het belang van haar cliënten mogen uitlaten zoals zij heeft gedaan. De omstandigheid dat klagers de toon van de e-mails van verweerster als dreigend of onprofessioneel hebben ervaren, betekent niet dat verweerster klachtwaardig heeft gehandeld.   4.8    Daarnaast is het de voorzitter niet gebleken dat verweerster feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan zij weet of behoort te weten dat die onjuist is. Klagers hebben dit slechts met vermoedens onderbouwd en verweerster heeft betwist dat hiervan sprake is. Voor zover het klagers hierbij gaat om een naam van een ambtenaar die verweerster niet met hen wilde delen, merkt de voorzitter op dat de omstandigheid dat verweerster deze naam niet met klagers heeft gedeeld niet meteen betekent dat verweerster bewust informatie heeft verstrekt waarvan zij weet dat die onjuist is.   Conclusie 4.9    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.