Rechtspraak
Uitspraakdatum
02-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:43
Zaaknummer
25-457/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Verweerster heeft de opdracht van klaagster geaccepteerd, zonder zorgvuldig na te gaan of klaagster hiertoe wilsbekwaam was. Diverse omstandigheden maakten dat verweerster reden had om aan de wilsbekwaamheid te twijfelen, zodat zij daarnaar onderzoek had moeten doen. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft alleen een gesprek met klaagster gevoerd in het bijzijn van zoon H. De raad is van oordeel dat verweerster onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarden onafhankelijkheid en deskundigheid heeft gehandeld. Voorwaardelijke schorsing van vier weken.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 2 maart 2026 in de zaak 25-457/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klaagster gemachtigden: 1. […] 2. […]
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 25 maart 2025 hebben de gemachtigden namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 10 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/068 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 januari 2026. Daarbij waren de gemachtigden van klaagster en verweerster aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20. Ook heeft de raad kennisgenomen van: - de e-mail met bijlagen van verweerster van 1 augustus 2025; - de e-mail met bijlagen van de gemachtigden van klaagster van 3 augustus 2025; - de e-mail met bijlagen van verweerster van 8 januari 2026.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klaagster is geboren in 1950. De gemachtigden van klaagster (hierna: de gemachtigden) zijn 1) haar dochter en 2) haar kleindochter. Klaagster heeft ook een zoon (H), de halfbroer van gemachtigde 1. De raad heeft begrepen dat H recent is overleden. 2.3 Het dossier bevat een brief van arts K van 29 mei 2024 betreffende ‘medische beoordeling wilsbekwaamheid’, waarin wordt geconcludeerd dat klaagster niet wilsbekwaam is. In de brief staat vermeld: “…dat [klaagster] (…) haar geestelijke toestand in aanmerking genomen, niet meer in staat is haar wensen naar behoren te bepalen en de reikwijdte van haar beslissingen te overzien ten aanzien van het opstellen van een algemene notariële volmacht cq. levenstestament. Mevrouw heeft lichamelijke problemen, echter psychogeriatrische stoornissen en beperkingen staan op de voorgrond. (…) Bij het ter sprake brengen van het opstellen van een algemene notariële volmacht, is mevrouw niet in staat adequaat van gedachten te wisselen. Zij is niet in staat zelfstandig haar wensen te bepalen en de reikwijdte te overzien. Gegeven de kwetsbare en afhankelijke situatie van mevrouw en het progressieve karakter van haar ziektebeeld, is het wel nodig dat de zakelijke en persoonlijke belangen zullen worden behartigd. (…) Vanwege haar geestelijke toestand is zij niet in staat adequaat van gedachten te wisselen en redelijkerwijs niet in staat bij een rechtbank te verschijnen.” 2.4 Op 15 juli 2024 hebben de gemachtigden de rechtbank verzocht om mentorschap en onderbewindstelling van (de goederen van) klaagster. 2.5 Op 23 december 2024 heeft de kantonrechter (buiten zitting) een mentorschap ingesteld over klaagster, waarbij de gemachtigden van klaagster zijn benoemd als mentor. Op diezelfde datum heeft de kantonrechter (eveneens buiten zitting) alle goederen die toebehoren aan klaagster onder bewind gesteld, met benoeming van de gemachtigden van klaagster tot bewindvoerders. 2.6 Bij brief van 10 maart 2025 heeft verweerster aan klaagster onder meer het volgende geschreven: “U hebt zich tot mij gewend met het verzoek om u bij te staan teneinde hoger beroep in te stellen tegen de beschikkingen waarin mentorschap respectievelijk bewindvoering is uitgesproken. [Gemachtigde 1], uw dochter had dat aangevraagd en nu zijn zij en haar dochter gezamenlijk mentor respectievelijk bewindvoerder. En dat terwijl er niet veel contact was en de financiën bovendien al werden geregeld. Uw zoon, [H], heeft met behulp van een advocaat bezwaar gemaakt maar uit de beschikking blijkt niet dat de rechtbank er kennis van heeft genomen. Ik zal daarom hoger beroep instellen. De hoger beroepstermijn bedraagt 3 maanden. Die verloopt dus op 23 maart 2025. Tijdens onze bespreking afgelopen vrijdag heb ik gevraagd om het medisch dossier bij de neuroloog op te vragen. U deelde mij mee dat er uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat er geen sprake is van Alzheimer. Dat dossier wens ik graag te ontvangen. En gelet op de termijn is het zaak dat ik het dossier (in ieder geval de uitslag van het Alzheimer-onderzoek) zo snel mogelijk doch uiterlijk eind deze week ontvang. Ook wens ik een brief naar [gemachtigde 1] te sturen met de volgende inhoud. Graag verneem ik of het akkoord is. (…) Overigens word ik geacht twee toevoegingen aan te vragen.” 2.7 Bij brief van 13 maart 2025 heeft verweerster zich tot gemachtigde 1 gewend en onder meer geschreven: “Tot mij wendde zich [klaagster], uw moeder. Zij heeft kennisgenomen van de twee beschikkingen waaruit blijkt dat u (als ook uw dochter) haar mentor respectievelijk bewindvoerder bent. Zij was hiervan niet op de hoogte en bovendien ontbreekt volgens haar de noodzaak. Alles was goed geregeld. Daar komt nog bij dat u uw moeder niet voorziet van geld. Zo ontvangt zij geen leefgeld en nu kan zij niet eens haar haar eigen pinpas gebruiken. Het is uw taak als bewindvoerder om daarvoor te zorgen. Het feit dat zij al zo lang geen leefgeld ontvangt, is klachtwaardig. Kunt u het daarheen leiden dat zij uiterlijk maandag om 12.00 uur EUR 150,00 ontvangt en daarna welke week, ook op maandag? En uiteraard met terugwerkende kracht vanaf de datum beschikking d.d. 23 december 2024? Dat zijn inclusief deze week totaal 12 weken. Ook verneem ik graag van u de reden waarom u haar niet van leefgeld hebt voorzien. Bij een onbevredigend antwoord of het uitblijven van een antwoord, zal ik namens cliënt een klacht indienen bij de rechtbank. Overigens zal ik sowieso hoger beroep instellen tegen de beschikking.” 2.8 Op 15 maart 2025 heeft H een WhatsApp-bericht aan gemachtigde 2 gestuurd (bestemd voor gemachtigde 1). In het WhatsApp-bericht staat onder meer: “Goedemorgen, [H] namens mijn moeder [klaagster] Jullie hebben inmiddels een brief ontvangen van [verweerster] advocatuur. In die brief zit ook een sommatie met een deadline. Het gaat over 12 weken x150 euro oftewel 1800 euro. In verband met het lopend hoger beroep en de komende rechtszaak loopt alle contact met mijn moeder via haar advocaat of via mij.” 2.9 Op 15 maart 2025 heeft gemachtigde 1 per e-mail gereageerd op de brief van verweerster van 13 maart 2025. Gemachtigde 1 heeft daarbij aan verweerster onder meer geschreven: “Aangezien mijn moeder door een onafhankelijk arts wilsonbekwaam is verklaard en de rechtbank mij daaropvolgend als haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen, wil ik graag duidelijkheid over de rechtsgrond waarop u namens haar optreedt. (…) Daarom verzoek ik u om mij uiterlijk binnen twee werkdagen te laten weten: 1. Of u daadwerkelijk door mijn moeder bent ingeschakeld, en zo ja, hoe dit juridisch mogelijk is gezien haar wilsonbekwaamheid. 2. Wie de opdracht tot vertegenwoordiging heeft gegeven.” 2.10 Op 17 maart 2025 is klaagster door de gemachtigden, met behulp van politie, uit het huis van H gehaald. Op 20 maart 2025 heeft gemachtigde 1, namens klaagster, aangifte gedaan bij de politie tegen H van (gekwalificeerde) diefstal, wederrechtelijke vrijheidsberoving en identiteitsfraude. 2.11 Op 17 maart 2025 heeft verweerster aan gemachtigde 1 onder meer geschreven: “Het is juist dat uw grootmoeder vertegenwoordig in het kader van het hoger beroep tegen zowel het mentorschap als de bewindvoering. Uw grootmoeder heeft het recht om hiertegen in beroep te gaan. Net als het indienen van een klacht tegen het functioneren van de mentor en/of de bewindvoerder. Voor mijn optreden heb ik twee toevoegingen aangevraagd. Normaliter heb ik hiervoor toestemming nodig van de bewindvoerder maar in dit geval mag ik die aanvragen zonder uw tussenkomst. Ik zal de nota’s van de eigen bijdrage wel naar u toesturen met het verzoek om die te voldoen. U kunt daarvoor wellicht bijzondere bijstand aanvragen. (…) U, althans uw moeder, hebt uw grootmoeder echter met behulp van de sterke arm bij uw oom laten ophalen zodat er geen zicht is op of u uw grootmoeder thans van leefgeld voorziet. Ik ga ervan uit dat u mij dat nog zal laten weten. En uiteraard zal ik deze week nog hoger beroep indienen.” 2.12 Op 19 maart 2025 heeft gemachtigde 1 aan verweerster nogmaals geschreven dat klaagster wilsonbekwaam is en haar gevraagd aan te tonen op welke rechtsgrond zij dit doet en wie hiertoe de opdracht heeft gegeven. Ook heeft gemachtigde 1 geschreven: “Van 7 februari tot en met 17 maart werd mijn moeder door mijn halfbroer, [H], vastgehouden op zijn woonadres. Op 17 maart is het met hulp van de politie gelukt haar uit zijn huis te bevrijden. (…) Voor het incident van 7 februari 2025, vóór de beschikking werd gegeven op 23 december 2024, heeft mijn halfbroer via het gebruik van haar mobiel, bankpas en pincode geld overgemaakt naar zijn eigen rekening, met een totaalbedrag van meer dan € 30.000. (…) Het overmaken van grote bedragen heeft plaatsgevonden toen zij al wilsonbekwaam was, wat duidt op ernstig financieel misbruik.” 2.13 Op 24 maart 2025 heeft verweerster aan gemachtigde 1 geschreven: “Ik leid uit uw schrijven af dat u van oordeel bent dat uw moeder geen juridische bijstand kan of mag hebben. Dat is echter in strijd met het recht. De door u genoemde wilsonbekwaamheid moet overigens per situatie worden beoordeeld. Bovendien kan het recht om in hoger beroep te gaan niet (zomaar) worden ontnomen. Wellicht is het een idee dat wij een afspraak maken bij mij op kantoor opdat u ik een en ander kan uitleggen?” 2.14 Verweerster heeft, namens klaagster, op 21 maart 2025 hoger beroep ingesteld tegen de beide beschikkingen van 23 december 2024. Zij heeft – samengevat – verzocht de verzoeken alsnog af te wijzen, althans H of Stichting X tot mentor c.q. bewindvoerder te benoemen. 2.15 Op 2 juli 2025 heeft verweerster een brief aan klaagster gestuurd, met het verzoek aan klaagster om verweerster te bellen. 2.16 Op 22 juli 2025 heeft verweerster een brief aan klaagster gestuurd, waarin is vermeld dat de zitting bij het gerechtshof op 9 september 2025 is gepland. Verweerster heeft het verzoek om contact met klaagster herhaald. 2.17 Op 31 juli 2025 heeft verweerster nogmaals een brief aan klaagster gestuurd, waarin zij schrijft dat klaagster geen contact heeft opgenomen en dat zij zonder contact geen goede rechtsbijstand kan verlenen. Verweerster schrijft in de brief dat zij zich zal moeten onttrekken in de zaak bij het gerechtshof als zij niet met klaagster in contact kan komen. Zij heeft klaagster verzocht uiterlijk 7 augustus 2025 met verweerster te bellen. 2.18 Klaagster heeft naar aanleiding van de brieven van verweerster geen contact met verweerster opgenomen. 2.19 Op 9 september 2025 zijn de zaken mondeling behandeld door het gerechtshof. Daarbij waren verweerster en de gemachtigden van klaagster aanwezig. 2.20 Bij (gelijkluidende) beschikkingen van 15 oktober 2025 heeft het gerechtshof overwogen dat op dit moment onduidelijk is wat de wens van klaagster is en wat in haar belang is. Het gerechtshof heeft daarom een nieuwe mondelinge behandeling bepaald om met klaagster in persoon te kunnen spreken. 2.21 Op 18 november 2025 heeft de voortzetting van de mondelinge behandeling bij het gerechtshof plaatsgevonden. Daarbij waren klaagster met verweerster als haar gemachtigde en als wederpartij de gemachtigden van klaagster aanwezig. Uit de beschikkingen van het gerechtshof van 10 december 2025 volgt dat verweerster op de zitting, na overleg met klaagster, de verzoeken in hoger beroep heeft ingetrokken. Het gerechtshof heeft klaagster daarom niet-ontvankelijk verklaart in de hoger beroepen.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende: a) Onbevoegde vertegenwoordiging van klaagster zonder volmacht of rechterlijke machtiging; b) Schending van de gedragsregels voor advocaten door te handelen zonder toestemming van de bewindvoerders. c) Mogelijk financieel misbruik door facturen te sturen voor juridische diensten die niet rechtmatig zijn verricht. 3.2 Ter toelichting hebben de gemachtigden van klaagster erop gewezen dat klaagster in mei 2024 door een onafhankelijk arts wilsonbekwaam is verklaard. Deze verklaring is met verweerster gedeeld. Bovendien waren de symptomen van dementie bij klaagster duidelijk zichtbaar. Op 23 december 2024 heeft de rechtbank de gemachtigden benoemd tot bewindvoerders en mentors. Dit betekent dat alleen zij bevoegd zijn om klaagsters financiële en juridische belangen en zorg te behartigen. Omdat klaagster geen zelfstandige beslissingen meer kan nemen en er geen volmacht aan verweerster is verleend, handelt zij zonder juridische bevoegdheid. Dit is in strijd met de gedragsregels voor advocaten en relevante wetgeving en een ernstige schending van de zorgvuldigheidsplicht. Op vragen van de gemachtigden aan verweerster op welke grond zij meende namens klaagster op te treden, heeft verweerster geen afdoende reactie gegeven. Ondanks herhaalde verzoeken van de gemachtigden van klaagster heeft verweerster zonder rechtsgeldige volmacht of rechterlijke machtiging gehandeld namens klaagster. Verweerster had zich voor het aannemen van klaagster als cliënt tot de gemachtigden (als wettelijk vertegenwoordigers) moeten wenden. Het achterwege laten van die stap is in strijd met de zorgvuldigheid die van een advocaat verwacht mag worden. 3.3 Kort na ontvangst van de eerste brief van verweerster ontving gemachtigde 2 een WhatsApp-bericht van H. Hij verwees naar de brief van verweerster en probeerde geld af te dwingen. Dit wijst op een samenwerking tussen H en verweerster. De gemachtigden hebben aangifte gedaan tegen H: in de periode van maart 2024 tot en met februari 2025 heeft hij toegang verkregen tot de bankrekening van klaagster en meer dan € 30.000,- naar zijn eigen rekening overgemaakt. Doordat het gesprek tussen klaagster en verweerster plaatsvond in aanwezigheid van H (tegen wie klaagster juist moest worden beschermd) hadden bij verweerster direct alarmbellen moeten gaan rinkelen. Uit de stukken blijkt ook dat verweerster de communicatie met klaagster volledig via H liet verlopen. Niet blijkt dat verweerster heeft geprobeerd onafhankelijke informatie over de situatie in te winnen. Deze procedure is bovendien gestart in de periode waarin klaagster feitelijk verbleef bij H en van de gemachtigden geïsoleerd was. Van een advocaat mag in een situatie als deze verwacht worden dat zij deze expliciet toetst op eventuele beïnvloeding. De inhoud van het hoger beroep weerspiegelt enkel en alleen de belangen van H. 3.4 Op 21 maart 2025 troffen de gemachtigden bij klaagster thuis post van verweerster (twee nota’s voor haar diensten) aan. Klaagster heeft echter nooit zelf een advocaat kunnen inschakelen en de gemachtigden hebben daarvoor geen toestemming gegeven. Verweerster maakt dus misbruik maakt van haar positie om op die manier juridische kosten te declareren. 3.5 De nalatigheid van verweerster heeft geleid tot een gerechtelijke beroepsprocedure die nooit gestart had mogen worden. De kosten die hiervoor gemaakt zijn, zijn tot nu € 1.800,- aan advocaat- en griffiegelden. Verdere declaraties van de advocaat moeten nog volgen, maar het moge duidelijk zijn dat er grote kosten zijn gemoeid met de nodeloze beroepsprocedure.
4 VERWEER 4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt dat sprake is van grove verdenkingen die zij ten zeerste betwist. Klaagster, haar cliënte, is samen met haar zoon H bij verweerster geweest. Klaagster heeft verweerster duidelijk kunnen maken dat zij graag over haar eigen geld wilde beschikken en zelf beslissingen over eventuele zorg wilde kunnen nemen. Wat klaagster duidelijk maakte, was voor verweerster voldoende om zich bevoegd te achten voor haar op te treden. Het is niet juist dat verweerster samenwerkt met H. Hij heeft verweerster wel van informatie voorzien om klaagster goed te kunnen vertegenwoordigen. 4.2 Verweerster stelt dat een ieder het recht heeft om in hoger beroep te gaan, zeker als het gaat om een dusdanig ingrijpende maatregel zoals mentorschap en bewindvoering. 4.3 De stelling dat verweerster misbruik zou maken van haar juridische positie om ten onrechte juridische kosten te declareren, begrijpt zij niet. De kosten die worden gedeclareerd, betreffen de eigen bijdragen zoals opgelegd door de Raad voor Rechtsbijstand en het griffierecht van het gerechtshof. Verweerster weet niets van geld dat H zou hebben verduisterd. Dat had verweerster de gemachtigden graag tijdens een gesprek willen uitleggen. Ook had zij dan kunnen uitleggen waarom ze voor klaagster optreedt. Verweerster stelt dat de termen wilsonbekwaam en handelingsonbevoegd door elkaar worden gehaald, terwijl het erop lijkt dat men de betekenis ervan niet goed kent. 4.4 Ter zitting heeft verweerster nader toegelicht dat klaagster met H bij haar is geweest en dat klaagster goed kon aangeven wat er was gebeurd. Ze had de beschikkingen bij zich en heeft verweerster verteld dat ze er van was geschrokken en niet bij de procedures betrokken was. Dat vond ze niet prettig. Ze wilde zelf beschikken over haar geld en zelf bepalen welke zorg ze zou krijgen. Klaagster heeft het recht om dat voor te leggen aan het gerechtshof. Verweerster wist niets van de situatie c.q. het wantrouwen jegens H. Zij stond daar buiten. Zij heeft één gesprek op kantoor gehad met klaagster, in aanwezigheid van H. H had het contact daarvoor gelegd. Klaagster heeft naar verweersters mening toen in vrijheid kunnen spreken. Er bestond dan ook geen aanleiding om klaagster alleen te spreken. De medische verklaring over klaagsters wilsbekwaamheid heeft zij pas na het gesprek gekregen. Verweerster heeft na het eerste gesprek geen contact meer met klaagster gehad. Zij heeft in haar herinnering per mail akkoord gekregen op de eerste conceptbrief. Zij heeft toen een aantal brieven gestuurd om met klaagster in contact te komen. Dat lukte niet. Verweerster stelt dat zij op basis van het eerste gesprek voldoende informatie had om de appelschriften op te stellen. Zij heeft deze niet voorafgaand aan de indiening ter beoordeling en goedkeuring aan klaagster voorgelegd. 4.5 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Uitgangspunt is dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Wils(on)bekwaamheid van klaagster – aannemen opdracht 5.2 Tot de zorg van een advocaat in de zin van artikel 46 Advocatenwet behoort bij twijfel over de wilsbekwaamheid van een cliënt ten minste dat hij daar onderzoek naar doet, bijvoorbeeld door het houden van een uitvoerig gesprek met de cliënt zonder aanwezigheid van derden, in welk gesprek – naast een onderzoek naar de voorgelegde vraag om juridische bijstand – begrip en beslisvaardigheid van de cliënt door open vragen worden onderzocht. Een advocaat die dat dan niet doet, handelt tuchtrechtelijk verwijtbaar wanneer hij die (mogelijk wilsonbekwame) cliënt bijstaat. (zie RvD Arnhem-Leeuwarden 21 mei 2024, ECLI:NL:TADRARL:2024:133 en HvD 31 januari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:17). 5.3 Omdat noch de Advocatenwet noch de bestaande verordeningen en richtlijnen van de Nederlandse Orde van Advocaten indicatoren bevat wanneer de wilsbekwaamheid van een cliënt moet worden betwijfeld, zoekt de raad in navolging van het Hof van Discipline (ECLI:NL:TAHVD:2014:148 en ECLI:TAHVD:2022:17) daarvoor aansluiting bij het door het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie vastgestelde (herziene) ‘Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening’ van 2021. 5.4 Gelet op de daarin opgenomen indicatoren is de raad van oordeel dat ten tijde van het gesprek tussen klaagster en verweerster (begin maart 2025) aanleiding was voor reële twijfel over de wilsbekwaamheid van klaagster. Klaagster was een oudere vrouw. Haar vermogen was onder bewind gesteld en er was een mentorschap ingesteld. Daar komt bij dat het initiatief voor het contact en het verzoek om bijstand niet van klaagster zelf kwam, maar van haar zoon H (de stiefbroer van gemachtigde 1). H heeft klaagster ook vergezeld naar de bespreking. Die feiten en omstandigheden hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn om te onderzoeken of klaagster, al toen zij de opdracht verstrekte, in staat was ten volle haar wil te bepalen. Verweerster had hiertoe tenminste een gesprek met klaagster alleen moeten voeren waarbij zij de wensen van klaagster kon bespreken en het begrip en de beslisvaardigheid van klaagster nader kon onderzoeken. Bij gebrek aan specifieke kennis daaromtrent, had verweerster zich daarover moeten laten informeren. Verweerster heeft nagelaten dergelijk onderzoek te doen en is daarmee tekortgeschoten in haar zorgplicht tegenover klaagster. 5.5 De raad stelt vast dat verweerster zich ook niet op een later moment ervan heeft vergewist of klaagster zelf haar wil had bepaald ten aanzien van de aan verweerster verstrekte opdracht. De feiten en omstandigheden gaven hiertoe wel aanleiding. Immers op enig moment vóór het indienen van de beroepschriften heeft verweerster kennis genomen van de medische verklaring van de arts uit mei 2024. Hierin staat aangegeven dat klaagster lijdt aan psychogeriatrische stoornissen en beperkingen en dat zij niet meer in staat is haar wensen naar behoren te bepalen, zodat zij ten behoeve van het opmaken van een levenstestament of het verlenen van notariële volmacht niet wilsbekwaam werd geacht. Dit had verweerster in ieder geval tot nader onderzoek moeten nopen. Ook de aan verweerster gezonden e-mails van de gemachtigden van klaagster in maart 2025 gaven hier aanleiding toe. Verweerster heeft echter na het eerste gesprek met klaagster en H op geen enkele manier meer contact gehad met klaagster. Zij heeft klaagster pas in juli 2025 proberen te bereiken door het sturen van enkele brieven. Hierop kwam geen reactie. Verweerster heeft verder geen pogingen gedaan om na te gaan of klaagster daadwerkelijk achter de opdracht stond. Dat had wel op haar weg gelegen en de raad oordeelt dan ook dat verweerster op dit punt nalatig in is geweest, hetgeen haar valt te verwijten. De opdracht(bevestiging) 5.6 Bij brief van 10 maart 2025 heeft verweerster de opdracht tot bijstand aan klaagster bevestigd en haar om akkoord gevraagd. Het dossier bevat geen reactie of bevestiging, waaruit blijkt dat klaagster haar akkoord heeft gegeven. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij vermoedelijk akkoord heeft gekregen van H. Ondanks het ontbreken van een akkoord van klaagster zelf heeft verweerster de brief aan de gemachtigden verstuurd. Ook heeft zij vervolgens de beroepschriften ingediend. Deze zijn overigens in het geheel niet aan klaagster voorgelegd. Contact tussen verweerster en de gemachtigden 5.7 Bij brief van 13 maart 2025 heeft verweerster de gemachtigden van klaagster aangeschreven over haar bijstand aan klaagster. Dit was het eerste contact tussen verweerster en de gemachtigde(n) van klaagster. De raad verbaast zich over de toon en inhoud van de brief: verweerster heeft het direct over klachtwaardig handelen van de gemachtigden en refereert aan het indienen van een klacht bij de rechtbank. Gemachtigden zijn hierdoor zeer geschrokken. Het lag voor de hand dat verweerster op neutralere wijze contact had gezocht met de gemachtigden, onder meer om relevantie informatie te verifiëren. Verweerster heeft dan ook naar het oordeel van de raad met deze brief niet gehandeld zoals van een redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Dat verweerster op enig moment alsnog heeft voorgesteld een afspraak bij haar op kantoor te maken, doet hier niet aan af. Conclusie klachtonderdelen a) en b) 5.8 Verweerster heeft op verschillende momenten in haar bijstand aan klaagster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Er was sprake van een kwetsbare oudere mevrouw, van wie zeer wel mogelijk misbruik werd gemaakt door haar zoon H. Zeker op het moment dat zij de medische verklaring van de arts uit mei 2024 onder ogen kreeg, hadden bij haar alarmbellen moeten gaan rinkelen over de wilsbekwaamheid van klaagster. De raad krijgt de indruk dat verweerster, op basis van informatie van H, een tunnelvisie heeft ontwikkeld waarin klaagster slachtoffer zou zijn van de gemachtigden. Vanuit die visie heeft zij haar bijstand ingericht en heeft zij een brief in te felle bewoordingen opgesteld naar gemachtigden. Uit niets blijkt dat zij oog heeft gehad voor de signalen van wilsonbekwaamheid van klaagster. De omstandigheid dat zij geen toestemming nodig had van de mentoren van klaagster om een beroepsprocedure te voeren, is hierbij niet relevant. Het gaat immers om de eigen verantwoordelijkheid van een advocaat. Verweerster heeft gelet op dit alles gehandeld in strijd met de kernwaarden deskundigheid en onafhankelijk en is onzorgvuldig te werk gegaan. Klachtonderdelen a) en b) zijn gegrond. Klachtonderdeel c) 5.9 De raad kan niet vaststellen dat H en verweerster hebben samengewerkt in het gestelde misbruik van klaagster. H heeft vermoedelijk akkoord gegeven op de conceptbrief van verweerster aan de gemachtigden en hij heeft verweerster van informatie voorzien. Zoals hiervoor overwogen had verweerster hier geen genoegen mee moeten nemen en een nader gesprek met klaagster moeten organiseren. Dat verweerster bewust zou hebben bijgedragen aan misbruik van klaagster door H. is echter daarmee niet vast komen te staan. Verweerster kan ook geen verwijt worden gemaakt van de gijzeling van klaagster door H of het door H toe-eigenen van geld van klaagster. Niet is komen vast te staan dat zij hiervan op de hoogte was. 5.10 De raad kan ook niet vaststellen dat verweerster klaagster financieel heeft misbruikt. Verweerster heeft, zoals gebruikelijk, twee toevoegingen aangevraagd voor haar bijstand in de twee hoger beroepsprocedures. Er is geen sprake van verrijking of anderszins financieel misbruik. Klachtonderdeel c) is daarmee ongegrond. Verzoek schadevergoeding 5.11 Klaagster heeft om een schadevergoeding verzocht. De mogelijkheden daarvoor zijn in het tuchtrecht in zijn algemeenheid beperkt. De raad wijst het verzoek in dit geval af, omdat het verzoek onvoldoende is geconcretiseerd en onderbouwd.
6 MAATREGEL 6.1 Verweerster heeft de opdracht van klaagster geaccepteerd, zonder zorgvuldig na te gaan of klaagster hiertoe wilsbekwaam was. Diverse omstandigheden maakten dat verweerster reden had om aan de wilsbekwaamheid te twijfelen, zodat zij daarnaar onderzoek had moeten doen. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft alleen een gesprek met klaagster gevoerd in het bijzijn van zoon H. 6.2 De raad is van oordeel dat verweerster onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarden onafhankelijkheid en deskundigheid heeft gehandeld. Het baart de raad zorgen dat verweerster ter zitting zich ter zitting op het standpunt is blijven stellen dat zij niet weet wat zij anders had moeten doen. Verweerster had zoals overwogen op diverse momenten anders kunnen en moeten handelen. 6.3 De raad is van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het handelen, waarbij er sprake is van schending van kernwaarden van de advocatuur, niet kan worden volstaan met een berisping en acht de oplegging van een voorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 25,- reiskosten van (de gemachtigden van) klaagster, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 7.3 Verweerster moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond; - verklaart klachtonderdeel c) ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken op; - bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster de navolgende algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging; - stelt de proeftijd op een periode van 2 (twee) jaren, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt. - veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; - veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 25,-aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; - veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4. - bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.
