Rechtspraak
Uitspraakdatum
16-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:65
Zaaknummer
25-864/AL/MN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart de klacht grotendeels niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de klachttermijn. De rest van de klacht is kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond verklaard.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 16 maart 2026 in de zaak 25-864/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 16 december 2025 met kenmerk 2362925.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster heeft klaagster bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. In een brief van 18 oktober 2018 heeft verweerster de opdracht aan klaagster bevestigd.
1.2 Op 16 april 2021 heeft verweerster aan klaagster per e-mail gevraagd of het dossier gesloten kan worden.
1.3 Verweerster heeft voor verrichte werkzaamheden voor het eerst op 18 oktober 2018 en voor het laatst op 7 mei 2021 een declaratie aan klaagster gestuurd.
1.4 Op 12 mei 2021 heeft klaagster aan verweerster aangegeven dat mr. B. een second opinion voor haar zou doen. Klaagster heeft verweerster daarom verzocht om toezending van het dossier aan mr. B..
1.5 Op 21 juni 2021 zijn door het kantoor van verweerster de processtukken aan mr. B. gestuurd.
1.6 In een brief van 24 augustus 2023 heeft mr. B. een aansprakelijkstelling voor onzorgvuldige advisering aangekondigd en de prijsafspraak tussen klaagster en het kantoor van verweerster vernietigd.
1.7 In een brief van 2 april 2024 heeft klaagster verweerster per brief aansprakelijk gesteld Deze brief is op 3 april 2024 doorgestuurd aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
1.8 In een brief van 25 februari 2025 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar iedere aansprakelijkheid afgewezen.
1.9 Op 6 augustus 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
1.10 Klaagster heeft eerder op 21 september 2021 een klacht ingediend tegen verweerster. De raad heeft op deze klacht ( met als kenmerk 23-232/AL/MN) op 18 december 2023 een beslissing genomen.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) excessief te declareren, althans geen -alle omstandigheden in aanmerking genomen- redelijk honorarium in rekening te brengen;
b) niet met haar te overleggen of er termen aanwezig zijn om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen;
c) haar zaak niet voortvarend en zorgvuldig te behandelen door onder meer stukken te laat in te dienen, (ongevraagd) zittingen uit te stellen, dubbel werk te doen, een mogelijke schikking ter zitting niet met haar voor te bereiden;
d) haar niet op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken, waaronder haar afwezigheid wegens zwangerschapsverlof, de inhoud van de contacten met de advocaat van de wederpartij, de omvang en gevolgen van de ter zitting getroffen schikking en van de latere vaststellingsovereenkomst;
e) de door haar ter zitting gemaakte onvolledige afspraken over de pensioenverevening op haar af te schuiven en haar tegen haar wil een vaststellingsovereenkomst te laten tekenen zonder daarover overleg met de bewindvoerder te voeren;
f) geen voorlopige voorziening aan te vragen voor vaststelling van partneralimentatie en het uitsluitend gebruik van de woning;
g) geen antwoord op haar vragen van begin dit jaar (2024) te geven;
h) niet te reageren op haar aansprakelijkstelling en deze niet te melden bij haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdelen a), b), c), d) en f)
4.2 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
4.3 Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat verweerster klaagster tot april 2021 heeft bijgestaan en dat verweerster op 7 mei 2021 voor het laatst een declaratie aan klaagster heeft gestuurd. Dat betekent dat ten aanzien van deze klachtonderdelen - die zien op de declaraties en op de inhoudelijke bijstand door verweerster - de in artikel 46g lid 1 sub a Advocaten genoemde termijn in ieder geval in mei 2021 is aangevangen. De klacht is pas op 6 augustus 2024 door klaagster bij de deken ingediend en daarmee buiten de genoemde termijn van drie jaar.
4.4 De voorzitters is van oordeel dat de stelling van klaagster dat zij vanwege haar psychische gesteldheid pas recent (binnen de eenjaarstermijn als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet) bekend is geworden met de gevolgen van het handelen en nalaten van verweerster, niet aannemelijk is geworden. De voorzitter acht daarbij mede van belang dat klaagster vanaf april/mei 2021 werd bijgestaan door een andere advocaat en een jurist, die juist tot taak hadden om het handelen van verweerster te beoordelen.
4.5 De voorzitter komt op ten aanzien van deze klachtonderdelen tot de conclusie dat klaagster te laat heeft geklaagd. Dat betekent dat deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de voorzitter dan ook niet meer toe.
Klachtonderdeel e)
4.6 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde ne bis in idem-beginsel, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
4.7 De voorzitter stelt vast dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op - zakelijk weergegeven - de betrokkenheid van verweerster bij het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst. Klaagster heeft verweerster hierover eerder beklaagd en de raad heeft in die eerdere procedure in een beslissing van 18 december 2023 - onder klachtonderdeel b.) - een oordeel over dat gestelde handelen en nalaten gegeven. Het ne bis in idem beginsel staat eraan in de weg dat opnieuw wordt geklaagd over dit onderwerp. Dat klaagster dit verwijt in de nieuwe klacht enigszins anders heeft geformuleerd, maakt dat niet anders. In essentie gaat het om hetzelfde. Gelet hierop worden dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
4.8 Voor zover klaagster heeft willen klagen over gedragingen door verweerster die te maken hebben met deze vaststellingsovereenkomst, maar waarover de raad in de eerdere beslissing nog geen oordeel heeft gegeven, stelt de voorzitter op grond van de stukken vast dat dit handelen en nalaten door verweerster moet hebben plaatsgevonden in december 2020 en januari 2021. Dat betekent dat ook dit onderdeel van de klacht niet binnen de driejaarstermijn is ingediend en daarom - net als de klachtonderdelen a) tot en met d) en f) - niet-ontvankelijk is .
Klachtonderdelen g) en h)
4.9 Klaagster stelt ten slotte dat verweerster geen antwoord op haar vragen in 2024 heeft gegeven, niet heeft gereageerd op haar aansprakelijkheidstelling en deze niet te melden bij haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
4.10 De raad volgt klaagster niet in deze verwijten. Uit de door verweerster overgelegde stukken blijkt dat de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerster meermaals tijdig en op een correcte wijze op de vragen van klaagster heeft gereageerd. Verder heeft de klachtfunctionaris ook gereageerd op de aansprakelijkheidsstelling en heeft het kantoor van verweerster de aansprakelijkstelling van klaagster direct gemeld bij en doorgestuurd aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Gelet op deze gang van zaken is niet gebleken dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Deze klachtonderdelen worden daarom kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
klachtonderdelen a), b), c), d) en f) met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk;
klachtonderdeel e), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
klachtonderdelen g) en h), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. G. F. van den Berg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 16 maart 2026
