Rechtspraak
Uitspraakdatum
02-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:42
Zaaknummer
25-827/DH/DH/D
Zaaknummer
25-828/DH/DH/TUL
Inhoudsindicatie
Dekenbezwaar en verzoek tenuitvoerlegging. Verweerder heeft in strijd gehandeld met de aan hem opgelegde schorsing in de uitoefening van de praktijk, door tijdens de schorsingsperiode met cliënt en in toga op een zitting te verschijnen. Gelet op de ernst van het verwijt en verweerders tuchtrechtelijk verleden wordt een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken opgelegd.
Inhoudsindicatie
Verweerder liep in de proeftijd van een voorwaardelijke schorsing. Tijdens deze proeftijd heeft hij de schorsingsvoorwaarden overtreden. Het verzoek tot tenuitvoerlegging komt daarmee voor toewijzing in aanmerking. De raad acht volledige tenuitvoerlegging niet proportioneel gelet op de omstandigheden in deze zaak. De raad gelast daarom gedeeltelijke tenuitvoerlegging.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 2 maart 2026 in de zaken 25-827/DH/DH/D en 25-828/DH/DH/TUL naar aanleiding van het bezwaar van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 26 november 2025 heeft de deken een dekenbezwaar (25-827/DH/DH/D) alsmede een verzoek tot tenuitvoerlegging (25-828/DH/DH/TUL) ingediend bij de raad. 1.2 Het bezwaar en het verzoek zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van de raad van 19 januari 2026. Daarbij waren de deken, vergezeld van twee stafjuristen, en verweerder aanwezig. 1.3 De raad heeft kennisgenomen van het onder 1.1 genoemde bezwaar (met negen bijlagen) en verzoek. Ook heeft de raad kennisgenomen van het verweerschrift van verweerder van 5 januari 2026.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van het bezwaar en het verzoek gaat de raad, gelet op het dossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Op 14 juli 2025 heeft de raad de klacht van klaagster G (hierna: klaagster) gegrond verklaard en aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing opgelegd van twee weken (zie de beslissing van 14 juli 2025, zaaknummer 25-006/DH/DH, ECLI:NL:TADRSGR:2025:140). Daarbij is bepaald dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van de beslissing. 2.3 Op eveneens 14 juli 2025 heeft de raad het door de deken ingediende dekenbezwaar gegrond verklaard en aan verweerder een voorwaardelijke schorsing van acht weken opgelegd (zie de beslissing van 14 juli 2025, zaaknummer 25-045/DH/DH/D, ECLI:NL:TADRSGR:2025:142). Het dictum van deze beslissing luidt als volgt: “De raad van discipline: (…) - legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van acht weken op; - bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging; - stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerder een coachingstraject zal doorlopen, waarop de deken toezicht zal houden. Hierbij geldt het volgende: * Verweerder zoekt in samenspraak met de deken een coach en meldt zich binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan bij deze, door de deken goedgekeurde, coach; * Verweerder legt, binnen een met de deken afgesproken termijn, een plan van aanpak van deze coach ter goedkeuring voor aan de deken. Uit dat plan van aanpak blijken in ieder geval de doelen waaraan verweerder gaat werken. Daarnaast stemt verweerder met de deken af op welke wijze en met welke frequentie hij het coachingstraject met de deken evalueert en verweerder houdt zich vervolgens aan de met de deken gemaakte afspraken; * Verweerder doorloopt het coachingstraject volledig en legt aan het eind van het traject aan de deken een verklaring van de coach over waaruit het resultaat van het traject blijkt; - stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;” 2.4 De deken heeft verweerder naar aanleiding van de beslissingen van de raad uitgenodigd voor een gesprek op 20 augustus 2025. Tijdens het gesprek zijn onder meer de gevolgen van de (onvoorwaardelijke) schorsing besproken. In een brief (van 20 augustus 2025) heeft de deken verweerder geïnformeerd over de schorsingsvoorwaarden. In die brief is onder meer vermeld: “Ik heb van u begrepen dat u geen hoger beroep hebt ingesteld tegen de beslissing van 14 juli 2025 zodat deze onherroepelijk is geworden. De schorsing gaat in op 10 september 2025. Voor de goede orde merk ik op dat [klaagster] wel appel heeft ingesteld. Zoals met u is besproken kan [klaagster] geen hoger beroep instellen tegen de beslissing. Ik heb met u afgesproken dat u uw advocatenpas op 9 september a.s. bij mij (bureau van de Orde van Advocaten (…)) inlevert. (…) Om misverstanden te voorkomen over hetgeen tijdens uw schorsing al dan niet is geoorloofd, informeer ik u als volgt: 1. U mag gedurende uw schorsing de titel van advocaat niet voeren 2. U mag gedurende uw schorsing op geen enkele wijze de rechtspraktijk uitoefenen, niet procederend en niet adviserend, en mag ook overigens geen werkzaamheden verrichten die tot de advocatenpraktijk worden gerekend, en mag (dus) ook niet optreden als curator, mediator, jurist of gemachtigde. (…) 4. U mag er geen enkel misverstand over laten bestaan dat u in de uitoefening van de praktijk bent geschorst. (…) 10. U mag gedurende uw schorsing geen gebruik maken van uw advocatenpas. 11. U dient tijdig adequate maatregelen te nemen om uw praktijk gedurende uw schorsing te laten waarnemen. 12. U dient uw cliënten in lopende zaken waarin handelingen moeten worden verricht gedurende de schorsingsperiode te informeren over uw schorsing en over de persoon van de waarnemer. (…) 14. U dient zich voor de duur van de schorsing terug te trekken als advocaat in alle lopende procedures en de daarop betrekking hebbende toevoegingen te muteren, behalve voor zover ik ten aanzien van specifieke procedures van oordeel ben dat gelet op de (vermoedelijk) benodigde proceshandelingen tijdens uw schorsing sprake kan zijn van tijdelijke waarneming.” 2.5 Op 17 september 2025 heeft de deken aan verweerder geschreven: “Naar aanleiding van de beslissing van de Raad van Discipline ’s-Gravenhage d.d. 14 juli jl. in de klachtzaak van [klaagster] verkeerde u en ik in de veronderstelling dat uw schorsing op 10 september jl. in zou gaan. Dit omdat u geen hoger beroep had ingesteld tegen de beslissing. Wij hebben daarover op 20 augustus jl. een gesprek gehad en bij brief d.d. 27 augustus jl. heb ik u de schorsingsvoorwaarden nog eens bevestigd en u hebt op 9 september jl. uw advocatenpas bij mij ingeleverd. Mij is echter gebleken dat uw schorsing (nog) niet op het tableau is verwerkt, hetgeen zou betekenen dat uw schorsing nog niet is ingegaan. Hoewel er voor [klaagster] geen rechtsmiddel openstond heeft zij toch hoger beroep ingesteld bij het Hof van Discipline. Dit is de reden dat uw schorsing nog niet is verwerkt op het tableau, nu het Hof van Discipline eerst een beslissing zal dienen te nemen over het door [klaagster] ingediende hoger beroep. (…) De uitspraak staat gepland voor 10 oktober 2025, zodat uw schorsing op zijn vroegst dan pas zal ingaan. Nu uw schorsing nog niet is ingegaan kunt u uw advocatenpas weer komen ophalen, zodat u uw praktijk kunt hervatten. Ik zal de instanties die reeds door mij waren geïnformeerd over uw schorsing berichten dat uw schorsing nog geen aanvang heeft genomen. Na de uitspraak van het Hof van Discipline zal ik weer contact met u opnemen.” 2.6 Op 10 oktober 2025 heeft het Hof van Discipline klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, welke beslissing aan verweerder is toegezonden. De beslissing in zaak 25-006/DH/DH is daarmee op die dag onherroepelijk geworden. 2.7 Op 4 november 2025 heeft de deken verweerder gewezen op de beslissing van het Hof van Discipline en hem laten weten dat de schorsing op 7 november 2025 ingaat. Zij heeft verweerder daarbij eveneens gewezen op de schorsingsvoorwaarden zoals opgenomen in haar brief van 20 augustus 2025. Zij heeft hem verzocht zijn advocatenpas op 7 november 2025 in te leveren op het bureau van de Haagse Orde van Advocaten. 2.8 Verweerder heeft zijn advocatenpas niet ingeleverd op 7 november 2025. Op donderdagmiddag 13 november 2025 heeft de (stafjurist van de) deken verweerder hierop gewezen en hem verzocht de advocatenpas op maandag 17 november 2025 in te leveren. 2.9 Op 17 november 2025 om 12.30 uur heeft verweerder per e-mail aan de stafjurist laten weten dat hij een paar dagen weg is geweest, dat hij de volgende dag terug komt en dan in de ochtend langs zal komen. 2.10 Op 18 november 2025 heeft verweerder zijn advocatenpas ingeleverd bij de deken. 2.11 Op 21 november 2025 heeft de deken aan verweerder onder meer geschreven: “Van de Rechtbank Rotterdam ontving ik een signaal dat u op 17 november jl. ter zitting hebt opgetreden voor een cliënt bij de politierechter, dit terwijl u in de periode van 7 november jl. tot vandaag geschorst was in de uitoefening van de praktijk. De zaak is in het belang van uw client aangehouden Zoals u bekend was het niet toegestaan om gedurende uw schorsing de rechtspraktijk uit te oefenen: niet procederend en niet adviserend. U mocht ook overigens geen werkzaamheden verrichten die tot de advocatenpraktijk worden gerekend, en (dus) ook niet optreden als curator, mediator, jurist of gemachtigde. Ik constateer dan ook dat u de schorsingsvoorwaarden hebt overtreden. Om die reden heb ik besloten een dekenbezwaar tegen u in te dienen, alsmede zal ik de Raad van Discipline vragen om een tenuitvoerlegging van de maatregel zoals door de Raad opgelegd in de beslissing d.d. 14 juli 2025 met kenmerk 25-045/DH/DH.” 2.12 Op 25 november 2025 heeft verweerder gereageerd en aan de deken onder meer geschreven: “Het klopt dat ik ter zitting was verschenen bij de politierechter. Dit was omdat ik zo snel geen vervanging kon vinden voor de zitting. Ik wilde de rechter ook om aanhouding verzoeken. Dit had ik ook al met cliënt besproken. Omtrent de klacht ben nu voor tweede keer gestraft, zowel financieel als in mijn eer en reputatie. Ik wil u eerbiedig verzoeken om uw beslissing te heroverwegen. Een nieuwe dekenbezwaar betekend waarschijnlijk eind van mijn carrière.”
3 BEZWAAR EN VERZOEK Bezwaar 3.1 Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoel in artikel 46 Advocatenwet door de schorsingsvoorwaarden niet na te leven en moedwillig te overtreden. 3.2 De deken wijst op het signaal van de rechtbank, waaruit blijkt dat verweerder tijdens zijn schorsing voor een cliënt ter zitting is opgetreden. Dit terwijl hem duidelijk te kennen is gegeven dat hij gedurende zijn schorsing op geen enkele wijze de rechtspraktijk mocht uitoefenen. De schorsingsvoorwaarden moeten voor verweerder volstrekt helder zijn geweest. 3.3 De deken kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verweerder er bewust voor heeft gekozen om zijn advocatenpas pas bij de deken in te leveren na afloop van de zitting op 17 november 2025. Dat hij een paar dagen weg is geweest, zoals verweerder in zijn e-mail van 17 november 2025 heeft bericht, lijkt gelet op de inhoud van het ontvangen signaal van de rechtbank bezijden de waarheid. De deken ziet verweerders handelwijze als het moedwillig overtreden van de schorsingsvoorwaarden. Dit volgt ook uit het feit dat verweerder, zo heeft de deken uit het signaal van de rechtbank Rotterdam begrepen, pas op een daarop gerichte vraag van de behandelend rechter heeft gezegd dat hij was geschorst. Verzoek tenuitvoerlegging 3.4 De deken heeft verzocht om tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke schorsing van acht weken, die bij beslissing van 14 juli 2025 (in zaak 25-045/DH/DH) is opgelegd, omdat verweerder zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de algemene voorwaarde.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen het bezwaar en het verzoek tenuitvoerlegging verweer gevoerd. Hij heeft toegelicht dat de deken aanvankelijk aan hem had meegedeeld dat de schorsing op 10 september 2025 zou ingaan. Verweerder had alle noodzakelijke maatregelen getroffen om de schorsingsperiode te kunnen overbruggen en had al zijn zaken overgedragen aan andere advocaten. De periode van twee weken schorsing verliep bijzonder moeizaam, zowel persoonlijk als financieel. Persoonlijk voelde verweerder zich gedupeerd door de klacht van klaagster en tevens gekwetst in zijn eer en geweten. Financieel was de impact groot, omdat hij, naast het stilvallen van zaken, ook de waarnemende advocaten moest betalen. Verweerder heeft ervoor gekozen de schorsing als een reflectiemoment te gebruiken. 4.2 Verweerder ontving vervolgens na enige tijd bericht van de deken dat de schorsingsperiode pas later in zou gaan. Pas op 4 november 2025, derhalve drie dagen voor de ingangsdatum van de schorsing, heeft de deken aan verweerder meegedeeld dat de nieuwe schorsingsperiode zou ingaan op 7 november 2025. Verweerder heeft toen opnieuw alles in het werk moeten stellen om deze nieuwe schorsingsperiode te kunnen overbruggen. Verweerder stelt dat hij contact heeft opgenomen met het kantoor van de deken om te bespreken dat hij nu feitelijk voor de tweede keer werd bestraft en dat dit niet de bedoeling kan zijn. Het antwoord luidde dat verweerder gehoor diende te geven aan de opgelegde maatregel. 4.3 De zitting bij de rechtbank, waar hij heen is gegaan, stond reeds geruime tijd gepland op 17 november 2025 (einde van de middag). Verweerder had een collega verzocht de zitting bij te wonen. Echter deze collega heeft verweerder enkele uren voor de zitting gebeld dat zij wegens persoonlijke omstandigheden moest afzeggen. Verweerder heeft toen niet geprobeerd nog vervanging te zoeken; daar was geen tijd meer voor. Verweerder heeft de cliënt gebeld dat hij toch zelf zou komen en om aanhouding zou vragen. Het was dom om bij de rechtbank te verschijnen, dat had verweerder niet moeten doen. 4.4 Anders dan de deken stelt, spreekt verweerder hierover de waarheid. Het steekt hem dat er aan zijn integriteit wordt getwijfeld. Op het moment dat hij de e-mail aan de deken stuurde over zijn advocatenpas, was hij niet aanwezig. Hij zou pas op 18 november terugkomen. Het is ook niet zo dat verweerder zijn advocatenpas nodig had om toegang te krijgen tot de rechtbank. Verweerder heeft met de cliënt besproken dat hij de rechter om aanhouding zou verzoeken. Na de voordracht van de officier van justitie, nog voordat verweerder het woord kon voeren, vroeg de rechter of verweerder geschorst was. Verweerder heeft daarop bevestigend geantwoord. Verweerder heeft niets inhoudelijks gezegd. Hij had wel zijn toga aan. De cliënt heeft aan de rechter gezegd dat hij geen andere advocaat wenste. De zaak is daarom aangehouden tot een datum na de schorsingsperiode van verweerder. 4.5 Verweerder stelt dat de gehele gang van zaken niet is verlopen zoals het hoort. Hij is tweemaal gestraft voor hetzelfde feit en thans dreigt hij voor de derde maal te worden gestraft voor de gevolgen daarvan. Dit zou een onevenredige straf zijn. Verweerder meent dat het dekenbezwaar en het verzoek tenuitvoerlegging dienen te worden afgewezen.
5 BEOORDELING DEKENBEZWAAR Toetsingskader 5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Beoordeling 5.2 De deken verwijt verweerder in de kern dat hij de schorsingsvoorwaarden niet heeft nageleefd, door op 17 november 2025 als advocaat ter zitting te verschijnen. De raad vindt dit verwijt terecht. Verweerder was vanaf 7 november 2025 voor twee weken geschorst, dus tot en met 20 november 2025. Verweerder was daarvan op de hoogte en hij wist dat hij in die periode niet mocht optreden als advocaat. Verweerder heeft dat wel gedaan; hij is als advocaat, in toga, met zijn cliënt op een zitting verschenen. Hij heeft bovendien zijn schorsing pas bekend gemaakt na de voordracht van de officier en na een daarop gerichte vraag van de rechter. 5.3 Dat verweerder door een misverstand over de ingangsdatum van de schorsing per 10 september 2025 al een week zijn advocatenpraktijk had opgeschort, heeft geen invloed op de gegrondheid van het verwijt. De raad begrijpt dat verweerder in dit verband een soort verrekening had gewild. Voor zover dit al mogelijk is, had het in ieder geval op de weg van verweerder gelegen om hierover in contact te treden met de deken en het overleg daarover op te zoeken. Dat hij dat heeft gedaan, blijkt nergens uit. 5.4 De raad concludeert dat verweerder de hem door de raad op 14 juli 2025 opgelegde schorsingsvoorwaarden niet (geheel) heeft nageleefd. Verweerder heeft zich daarmee niet gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Het bezwaar van de deken is dan ook gegrond.
6 MAATREGEL 6.1 Verweerder heeft in strijd gehandeld met de aan hem opgelegde schorsing in de praktijkuitoefening, door tijdens de schorsingsperiode met cliënt en in toga op een zitting te verschijnen. De deken is hierop gewezen door de president van de rechtbank en zij heeft verweerder hiermee vervolgens geconfronteerd. De raad vindt het gedrag van verweerder beschamend. Verweerder heeft ernstig inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat anderen moeten kunnen hebben in de professionaliteit van de beroepsgroep van de advocatuur. De raad rekent dit verweerder zeer aan. 6.2 De deken heeft voor wat betreft de ernst van het verwijt benadrukt dat zij sterk de indruk heeft dat verweerder planmatig te werk is gegaan in die zin dat hij al langer van plan was om zelf de zitting van 17 november 2025 te doen en dat hij haar in dat verband bewust heeft proberen te misleiden door zijn advocatenpas pas na de zitting te willen inleveren. Gezien de gang van zaken rondom het inleveren van de advocatenpas, is die indruk voorstelbaar. De raad kan dat evenwel niet vaststellen en de raad zal dit dan ook niet in verzwarende zin meenemen bij het bepalen van de hoogte van de maatregel. Het is de raad gebleken dat verweerder op 17 november 2025 om 12.30 uur naar de deken heeft gemaild dat hij een paar dagen weg was, de volgende dag terug zou komen en dan zijn pas zou inleveren. Dat past bij wat verweerder daarover ter zitting van de raad heeft verklaard, namelijk dat de door hem ingeschakelde vervangend advocaat pas enkele uren voor de zitting liet weten dat zij toch niet kon komen en dat hij toen (kennelijk vanaf zijn vakantieadres in België) zijn toga heeft gehaald en naar de rechtbank is gegaan voor de zitting aan het einde van de middag. 6.3 Gelet op de ernst van het verwijt en rekening houdend met verweerders tuchtrechtelijk verleden (waaronder met name de onder 2.2. en 2.3 genoemde beslissingen), is de raad van oordeel dat een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden is.
7 KOSTENVEROORDELING 7.1 Nu de raad (inzake het dekenbezwaar) een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
8 BEOORDELING VERZOEK TENUITVOERLEGGING Toetsingskader 8.1 Op grond van artikel 48a lid 1 van de Advocatenwet kan de raad, in het geval een schorsing in de uitoefening van de praktijk wordt opgelegd, bepalen dat deze maatregel geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de raad later anders mocht bepalen op de grond dat de betrokken advocaat zich vóór het einde van een in de beslissing aan te geven proeftijd aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging schuldig heeft gemaakt, of een bijzondere voorwaarde die in de beslissing mocht zijn gesteld, niet heeft nageleefd. Lid 2 van artikel 48a Advocatenwet bepaalt dat de proeftijd ten hoogste twee jaren bedraagt en ingaat zodra de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. 8.2 Artikel 48c Advocatenwet bepaalt dat de deken toeziet op de nakoming van de voorwaarden. In het geval de betrokken advocaat de voorwaarden gedurende de proeftijd niet nakomt, kan de deken de raad daarvan in kennis stellen met zodanige vordering als hij nodig acht. 8.3 De raad die de voorwaardelijke schorsing heeft opgelegd, kan de last geven dat alsnog tot tenuitvoerlegging zal worden overgegaan. Dat kan gelet op artikel 48e Advocatenwet op vordering van degene die op grond van artikel 48c lid 1 Advocatenwet, toeziet op de nakoming van de voorwaarden (de deken), maar ook ambtshalve. Beoordeling 8.4 Aan verweerder is, bij beslissing van 14 juli 2025 (in zaak 25-045/DH/DH/D), door de raad een voorwaardelijke schorsing van acht weken opgelegd, met als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de proeftijd van twee jaren niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld, zodat de proeftijd is gaan lopen op 14 augustus 2025 (de dag na het onherroepelijk worden van de beslissing). Tijdens deze proeftijd heeft verweerder, zoals hiervoor overwogen, zijn schorsingsvoorwaarden overtreden. Het verzoek tot tenuitvoerlegging komt daarmee voor toewijzing in aanmerking. 8.5 De raad acht volledige tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke schorsing echter niet proportioneel. Verweerder verkeerde, door een misverstand bij hem en de deken, in de veronderstelling dat zijn schorsing eerder inging en heeft vervolgens de benodigde stappen ondernomen om zijn advocatenpraktijk tijdelijk neer te leggen. In ieder geval heeft hij dit, naar later bleek dus ten onrechte, gedurende één week in september 2025 gedaan. De raad ziet hierin aanleiding om nu niet de gehele tenuitvoerlegging te gelasten, maar over te gaan tot een gedeeltelijke tenuitvoerlegging voor de duur van twee weken. Dit betekent dat een gedeelte van zes weken voorwaardelijke schorsing in stand blijft. De raad acht dat ook van belang nu alsdan de hieraan verbonden schorsende voorwaarden (waaronder het coachingstraject) in stand blijven.
BESLISSING De raad van discipline:
In zaak 25-827/DH/DH/D - verklaart het dekenbezwaar gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken op; - bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat: - de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen, - verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat - de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.
In zaak 25-828/DH/DH/TUL - gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de door de raad bij beslissing van 14 juli 2025 (zaak 25-045/DH/DH/D) opgelegde schorsing in de uitoefening van de praktijk, te weten tenuitvoerlegging voor de duur van twee weken; - bepaalt dat deze schorsing ingaat aansluitend op de in 25-827/DH/DH/D opgelegde (onvoorwaardelijke) schorsing met dien verstande dat: a. de schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen; b. verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar ten uitvoer worden gelegd; c. de huidige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven.
