Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

16-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:64

Zaaknummer

26-026/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.  

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 16 maart 2026 in de zaak 26-026/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster  gemachtigde:[naam]

over

verweerder

 

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 13 januari 2026 met kenmerk K 25/11.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klaagster en de heer V (hierna: V) hadden van september 2023 tot en met februari 2024 een relatie. 

1.2    Op 21 november 2023 hebben klaagster en V een auto gekocht. 

1.3    Nadat klaagster en V uit elkaar zijn gegaan, is er een geschil ontstaan over de eigendom van de auto. 

1.4    In het geschil is V bijgestaan door verweerder. Klaagster is bijgestaan door de gemachtigde van klaagster. 

1.5    Verweerder heeft namens V op 14 augustus 2024 een dagvaarding ingediend bij de Rechtbank Amsterdam. Vanaf dat moment is klaagster bijgestaan door een advocaat, mr. J.

1.6    Ter onderbouwing van de dagvaarding heeft verweerder onder andere een e-mail van V aan klaagster van 27 maart 2024 (hierna: de overlegde e-mail) ingediend. Dit betreft productie 3 van de dagvaarding. 

1.7    Tijdens de mondelinge behandeling van 12 december 2024 is de overgelegde e-mail ter sprake gekomen. 

1.8    Op 3 januari 2025 heeft de advocaat van klaagster de rechtbank als reactie op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling onder andere het volgende bericht:   

Omdat cliënte en ik ook na de zitting nog hebben stil gestaan bij de email van 27 maart van V aan cliënte, heb ik behoefte u te wijzen op pagina 3 van het proces-verbaal. Het gaat mij om de cursieve tekst halverwege de pagina. Wij hebben tijdens de zitting enkel een "doorgezonden mail" gezien vanuit een gmail.com account. Wij hebben niet de oorspronkelijke mail gezien. Na de zitting heeft [naam gemachtigde] mij getoond dat er vanuit een gmail.com account ook geklikt kan worden op de doorgezonden mail om bevestigd te krijgen wat de oorspronkelijke verzenddatum is. Dat is ter zitting niet gebeurd. Mevrouw M betwist derhalve nog steeds dat zij daadwerkelijk op 27 maart 2024 een e-mail heeft gekregen met de tekst conform productie 3 bij dagvaarding.” 

1.9    Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij e-mail van 7 januari 2025 een afschrift van de overgelegde e-mail met een toelichting aan de advocaat van klaagster gestuurd. 

1.10    De rechter heeft op 29 januari 2025 een tussenvonnis gewezen waarin aan V een bewijsopdracht is gegeven. 

1.11    Verweerder heeft telefonisch contact gezocht met een aantal (potentiële) getuigen en hen vervolgens op  13 februari 2025 een e-mail gestuurd.

1.12    In een e-mail van 14 februari 2025 heeft de heer B gereageerd op het verzoek van verweerder. 

1.13    In een e-mail van 20 februari 2025 heeft de heer D gereageerd op het verzoek van verweerder. Deze e-mail is gedateerd op 1 januari 2015. 

1.14    Op 24 januari 2025 heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster een klacht ingediend tegen verweerder bij de deken. 

 

2   KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    willens en wetens de overlegde e-mail bij de dagvaarding in te brengen waarvan verweerder wist dan wel had moeten weten dat de e-mail valslijk is opgemaakt;

b)    mogelijk een getuige te beïnvloeden door vooraf contact op te nemen met de getuige. 

 

3    VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Maatstaf

4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij van klaagster. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a)

4.2    Klaagster stelt dat verweerder een e-mail in de procedure heeft gebracht, waarvan verweerder wist, dan wel had moeten weten, dat deze valselijk is opgemaakt.

4.3    Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder zonder nader onderzoek uitgaan van de juistheid van deze van zijn cliënt ontvangen informatie. Niet is gebleken dat verweerder wist of behoorde te weten dat deze e-mail valselijk zou zijn opgemaakt. Bovendien heeft klaagster, bijgestaan door haar advocaat, tegen de vermeende onjuistheid van dit stuk in de procedure verweer kunnen voeren. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van feiten en standpunten in een geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de behandelend rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.4    Klaagster stelt ook dat verweerder een getuige mogelijk heeft beïnvloed door vooraf met die getuige contact op te nemen. Klaagster is van mening dat verweerder niet alleen het (schriftelijke) antwoord van deze getuige had moeten delen, maar ook verweerders e-mail aan die getuige. 

4.5    De raad volgt klaagster niet in dit verwijt. Het stond verweerder vrij om - na de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht - deze persoon te benaderen. Uit de omstandigheid dat verweerder zijn e-mail aan deze getuige niet heeft meegestuurd, kan niet worden afgeleid dat verweerder deze getuige heeft beïnvloed. Ook het feit dat de datering van deze getuigenverklaring niet juist lijkt te zijn, is geen bewijs voor de gestelde beïnvloeding. Omdat ook uit andere stukken in het klachtdossier niet blijkt van ontoelaatbare communicatie door verweerder in de richting van deze getuige, wordt ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond verklaard.  

BESLISSING

De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.   Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.

Griffier         Voorzitter

 

Verzonden op : 16 maart 2026