Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

16-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:53

Zaaknummer

25-596/DH/RO

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 16 maart 2026 in de zaak 25-596/DH/RO naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 5 november 2025 op de klacht van:

klager gemachtigde

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 18 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 2 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K062 2025 van de deken ontvangen.  1.3    Bij beslissing van 5 november 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. 1.4    Op 4 december 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.5    Op 29 december 2025 heeft verweerster gereageerd op het verzetschrift. 1.6    Partijen hebben afgezien van een behandeling ter zitting.  1.7    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd, het verzetschrift en van de reactie van verweerster van 29 december 2025.

2    VERZET 2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in: 2.2    Enkele wezenlijke documenten bevonden zich ten tijde van de voorzittersbeslissing niet in het dossier, waardoor deze niet zijn meegenomen in de beoordeling. Klager wijst op een brief van advocaat mr. F van 5 september 2025 en een GVM-beschikking van 15 juli 2025. Klager heeft daarnaast een transcriptie ingebracht van het telefoongesprek van 19 december 2024 en verduidelijkt waarom verweerster volgens hem tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 2.3    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.

3    FEITEN EN KLACHT 3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING 4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2    De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De documenten die klager bij zijn verzet heeft ingebracht had hij, mede gelet op artikel 2.4.1 van het Procesreglement, al in een eerder stadium moeten en kunnen inbrengen. Hij was er bovendien ook al door de deken op gewezen dat hij een beroep deed op bewijsstukken die hij nog niet had ingediend, zodat klager bekend was met de noodzaak tot het alsnog (tijdig) overleggen van de stukken. Dat de voorzitter deze documenten niet heeft betrokken bij haar oordeel, komt dan ook voor rekening en risico van klager. De voorzitter hoefde dus geen rekening te houden met deze documenten. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.  4.3    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.