Rechtspraak
Uitspraakdatum
16-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:52
Zaaknummer
25-390/DH/DH
Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 16 maart 2026 in de zaak 25-390/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 23 juli 2025 op de klacht van:
klager gemachtigde:
over:
verweerster gemachtigde: [kantoorgenoot]
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 22 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 13 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K099.2025 van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 13 augustus 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. 1.4 Op 2 september 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.5 Op 18 december 2025 heeft klager een aanvullend verzetschrift ingediend. 1.6 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 2 februari 2026. Klager heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerster was bij de zitting aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. 1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschriften.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in: a) Klager is het oneens dat zijn klachten gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk zijn verklaard op grond van het ne bis in idem-beginsel. De voorzitter miskent dat meerdere verwijten pas later helder zijn geworden door het verkrijgen van nieuw bewijs, een herinterpretatie van reeds beschikbare gegevens en een nadere reconstructie van het procesverloop; b) De voorzittersbeslissing berust op de blote kwalificatie dat sprake is van ‘herhaling’, zonder specifieke duiding per klachtonderdeel. Daardoor is sprake van een schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel zoals onder meer neergelegd in artikel 46j lid 2 Advocatenwet. 2.2 Klager heeft zijn verzet op 18 december 2025 aangevuld. Op grond van artikel 46h, eerste lid, van de Advocatenwet kan tegen een voorzittersbeslissing binnen dertig dagen na de dag van verzending schriftelijk gemotiveerd verzet worden gedaan. Een motivering die na afloop van deze termijn wordt ontvangen, kan niet worden meegenomen (vergelijk HvD 15 december 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:240 en HvD 10 juli 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:152, onder 4.2). Voor zover klager in deze aanvulling nieuwe verzetgronden naar voren heeft gebracht, zal de raad deze dus niet betrekken in zijn oordeel. 2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING 4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast ten aanzien van het ne bis in idem-beginsel uit artikel 47b lid 1 Advocatenwet en, onder verwijzing naar HvD 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111, de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde. De voorzitter heeft met juistheid geoordeeld dat de klacht raakt aan de twee eerdere klachten, omdat zij zien op hetzelfde feitencomplex als waar deze huidige klacht over gaat. Nieuwe of geherformuleerde klachtonderdelen over dat feitencomplex kunnen niet opnieuw aan de tuchtrechter worden voorgelegd (zie ook HvD 11 februari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:38). 4.3 Ter zitting is namens klager nog aan de orde gesteld dat geen sprake kan zijn van het ne bis in idem-beginsel, omdat de interne klachtprocedure bij het kantoor van verweerster niet als een tuchtrechtelijke berechting in de zin van artikel 47b lid 1 Advocatenwet kan worden gezien. De raad wijst er echter op dat de voorzitter heeft geoordeeld dat (deels) sprake is van het ne bis in idem-beginsel omdat de tuchtrechter (zijnde de raad van discipline en het hof van discipline) al eerder onherroepelijk heeft beslist op een klacht over ditzelfde feitencomplex, in de zaak 23-820/DH/DH. Voor de vraag of eerder op eenzelfde feitencomplex is beslist, wordt dus niet getoetst aan een interne klachtbehandeling. 4.4 De raad overweegt verder dat in artikel 46j lid 2 Advocatenwet is bepaald dat een voorzittersbeslissing met redenen wordt omkleed. Daaruit volgt geen vereiste dat de voorzitter ieder klachtonderdeel afzonderlijk dient te beoordelen. Niet is gebleken dat de voorzitter klachten inhoudelijk onbesproken heeft gelaten. 4.5 De raad is van oordeel dat in redelijkheid niet hoeft te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
