Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:38

Zaaknummer

25-276/DH/RO

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 9 maart 2026 in de zaak 25-276/DH/RO naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 16 juli 2025 op de klacht van:

klager

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 4 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 23 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/047 van de deken ontvangen.  1.3    Bij beslissing van 16 juli 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 16 juli 2025 verzonden aan partijen. 1.4    Op 9 augustus 2025 heeft klager een wrakingsverzoek tegen de voorzitter ingediend. De raad heeft dit wrakingsverzoek ter behandeling doorgestuurd aan de raad van discipline Amsterdam. De voorzitter van de raad van discipline Amsterdam heeft op 12 augustus 2025 aan klager bericht dat het wrakingsverzoek op grond van het bepaalde in artikel 2 lid c van het Wrakingsprotocol Raden van Discipline niet in behandeling wordt genomen. 1.5    Bij verzetschrift d.d. 9 augustus 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 10 augustus 2025 ontvangen. 1.6    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig.  1.7    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. 

2    VERZET 2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen omdat deze berust op onvolledige stukken.  2.2    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op. 

3    FEITEN EN KLACHT 3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING

4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2    De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen. Klager heeft zijn stelling dat de beslissing is gebaseerd op onvolledige stukken niet onderbouwd en heeft evenmin aangegeven van welke specifieke stukken kennisname in voorkomend geval tot een andere beslissing zou hebben geleid. Naar het oordeel van de raad heeft de voorzitter bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.  4.3    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.