Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:35
Zaaknummer
26-061/DB/LI
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Uitgangspunt is dat de advocaat dominus litis is in relatie tot zijn cliënt. In klagers zaak was verweerster van oordeel dat het instellen van verzet geen reële kans van slagen had en ook niet in klagers belang was. Verweerster heeft haar advies in diverse e-mailberichten gemotiveerd aan klager toegelicht. Verweerster mocht klager daarbij berichten dat zij geen verzet namens klager zou instellen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat verweerster is tekortgeschoten in haar advisering aan klager. Het stond het verweerster naar het oordeel van de voorzitter vrij om te spreken van een vertrouwensbreuk en om haar werkzaamheden op die grond neer te leggen, hetgeen zij op zorgvuldige wijze heeft gedaan. Niet is gebleken dat verweerster klager op onheuse en schofferende wijze heeft bejegend, noch dat zij valse beschuldigingen heeft geuit en daarmee de eer en goede naam van klager heeft aangetast. Alle klachtonderdelen over het handelen van verweerster zijn kennelijk ongegrond. De klacht over de wijze waarop de klachtenfunctionaris de klacht heeft behandeld is kennelijk niet-ontvankelijk.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2026
in de zaak 26-061/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 23 januari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) met kenmerk K-25-095, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5 en de nagekomen e-mail van klager van 30 januari 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster heeft klager bijgestaan in een geschil met de gemeente W over een besluit op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Klager is in deze kwestie aanvankelijk bijgestaan door mr. X. Verweerster heeft de behandeling van de zaak overgenomen van mr. X.
1.2 Verweerster heeft namens klager een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Bij beslissing van 16 juli 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Op 1 augustus 2025 heeft verweerster de beslissing van de rechtbank ontvangen.
1.3 Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft verweerster klager bij e-mail van 4 augustus 2025 om 13:04 uur als volgt bericht:
“De rechtbank heeft besloten om uw zaak vereenvoudigd (zonder zitting) te behandelen en heeft inmiddels een einduitspraak gedaan. Ik heb de uitspraak voor u bijgevoegd als bijlage bij deze mail.
Uw beroepschrift wordt helaas niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiertoe is dat de CRvB bij uitspraak van 23 januari 2025 de uitspraak van de rechtbank van 23 november 2023 heeft vernietigd en het beroep tegen het besluit op bezwaar van 30 augustus 2022 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zoals bekend, was de reden hiertoe was dat de periode waarover de indicatie was toegekend op het moment dat de rechtbank uitspraak deed al was verstreken. De rechtbank stelt dat doordat de uitspraak van 23 november 2023 werd vernietigd ook de voorlopige voorziening komt te vervallen die de bestuursrechter destijds ambtshalve heeft getroffen. Er is dan volgens de rechtbank geen grondslag meer voor de beslissing die thans in beroep voorligt. De rechtbank is zodoende van mening dat er geen procesbelang meer aanwezig is.
Zoals ik u eerder heb medegedeeld volg ik de redenatie niet. Dat de CRvB van oordeel is dat u niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in beroep, staat mijns inziens los van de voorlopige voorziening die de bestuursrechter ambtshalve heeft genomen en waarover betreffende procedure gaat. De rechtbank volgt mijn visie echter niet.
Hoe nu verder?
Hoewel er binnen zes weken verzet kan worden aangetekend bij de rechtbank (tot en met 27 augustus 2025), raad ik u dit uit juridisch en processueel oogpunt niet aan. Als wij in verzet gaan, zal de discussie enkel erover gaan of u nog procesbelang heeft bij onderhavige procedure. Mijns inziens wordt het tijd dat uw hulpvraag eens centraal komt te staan en wij niet blijven debatteren over juridische processuele stappen die al dan niet juist zijn gezet. Het meest pragmatische is dan ook dat u een melding doet en nieuwe aanvraag indient bij de gemeente W. Leidt hieruit opnieuw een besluit dat u niet zint, of heerst er opnieuw discussie over hoe het onderzoek moet plaatsvinden, dan kan ik u vanaf dat moment opnieuw helpen. Uiteindelijk zal er een nieuw appellabel besluit volgen en daartegen kan ik namens u – indien nodig – opnieuw bezwaar aantekenen. Eindelijk kunnen we dan de juridische discussie voeren die mijns inziens nu al gevoerd had moeten worden.
Ik begrijp uw grote teleurstelling en wellicht ook uw behoefte om hiermee verder te gaan. Uiteindelijk dienen we echter ook te bekijken waar u als cliënt en gelet op uw hulpvraag het meest mee geholpen bent. Doorprocederen werkt in dit geval enkel vertragend en tevens heerst en het risico dat u de toets van het procesbelang niet doorstaat. Een nieuwe aanvraag kan de tijd en energie die hierin gestopt moet worden derhalve sparen.”
1.4 Bij e-mail van diezelfde dag (16:03 uur) heeft klager verweerster bericht dat hij in weerwil van verweersters advies toch in verzet wilde gaan.
1.5 Bij e-mail van 4 augustus 2025 om 17:21 uur heeft verweerster haar advies, om niet in verzet te gaan, herhaald en als volgt nader gemotiveerd:
“Ik begrijp uw mening, maar ik ben bang dat wij de hobbel van het procesbelang niet kunnen nemen. Daarbij is de kans groot, dat als het ons al lukt, de rechtbank of uiteindelijk de CRvB opnieuw zal oordelen dat een medisch onderzoek zal moeten geschieden. Dat is namelijk ook al eerder geoordeeld door de rechtbank. Helaas is er medewerkingsverplichting in de Wmo waar de CRvB in vaste rechtspraak op wijst. Van deze medewerkingsverplichting kan alleen worden afgezien als bijvoorbeeld medisch kan worden vastgesteld dat iemand (om medische redenen) niet aan een dergelijk onderzoek kan deelnemen. Al met al denk ik dat wij een hele lange dans met elkaar, de rechtbank en de CRvB gaan maken zonder feitelijk enige stap vooruit te komen. Een nieuwe aanvraag is helaas in elk geval nodig omdat de voorgaande indicatie al lang verstreken is en er voor toekomstige indicaties dus een nieuwe aanvraag moet worden gedaan. Het college zal dat niet meer zelf oppakken omdat de CRvB de uitspraak van de rechtbank niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft vernietigd. Het college zal derhalve geen uitvoering meer gaan geven aan een nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Deze uitspraak van de CRvB staat helaas in rechte vast. Willen wij derhalve nog tot een indicatie voor de toekomst komen, dan zal mijns inziens een nieuwe aanvraag altijd noodzakelijk zijn. Mogelijk kunt u enkel voor het medisch onderzoek wel hulp krijgen van een ambulant begeleider of cliëntondersteuning vanuit bijvoorbeeld Stichting MEE. Uiteraard heeft u dan niet meteen de gewenste vertrouwensband, maar dit kan wel eraan bijdragen dat wij eindelijk stappen verder komen. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat een medisch onderzoek noodzakelijk is. Hierna kunnen wij uiteraard opnieuw de discussie aangaan over de ontheffing van de acceptatieplicht en welke aanbieder passend voor u is.
Ik raad u echt aan om vooruit te kijken om te bewerkstelligen dat er begeleiding gaat komen. De begeleiding is immers noodzakelijk. Verder procederen kan daarbij opnieuw jaren duren en u enkel alleen maar langer laten wachten op passende begeleiding.
Om deze reden raad ik u dan ook af om verzet te gaan. Uiteraard staat het u vrij, al dan niet met behulp van een andere advocaat, om in verzet te gaan.”
1.6 Bij e-mail van diezelfde dag (18:58 uur) heeft klager verweerster als volgt bericht:
“Een dergelijke onvriendelijke en intimiderende bejegening (slikken of stikken besluit) had ik niet van u verwacht. Ik reken erop dat dit alles op een misverstand berust en dat u zich hiervoor verontschuldigt. Graag wijs ik u op onze overeenkomst waarin geen bepaling is opgenomen om deze eenzijdig te beëindigen terwijl er nog rechtsmiddelen open staan.
Ik stel u eenmalig in de gelegenheid om uw beslissing te herzien en de verzet aan te tekenen. Uiterlijk 08 augustus a.s. ontvang ik graag uw reactie. De termijn is helaas begrensd vanwege de verzettermijn waarbij ik u ook uw late reactie verwijt. De uitspraak dateert immers al van 16 juli jl.
Indien u bij uw besluit blijft, ontvang ik graag tevens uw interne klachtenprocedure. Deze moet ik helaas doorlopen alvorens tot tuchtrechtelijke procedures over te kunnen gaan. Indien daaruit blijkt dat u inderdaad iets verweten kan worden, volgt uiteraard nog een aansprakelijkheidsprocedure wegens het verstrijken van de verzettermijn, mogelijk contractbreuk en schenden van mijn procesrecht.
Ik ga dus ook niet akkoord met een ander advocatenkantoor. Als ik er al één contacteer dan is dat om mij bij te staan in tuchtrechtelijke procedures tegen bovengenoemde gedraging. Hopelijk is dat niet nodig. Heb alle vertrouwen in u maar ben enorm teleurgesteld door uw reacties van vandaag. Ik hoef u er niet op te wijzen dat ik bekend ben met de rechtsmiddelen die hiertegen open staan.
Aan lange procedures gaan we dus helaas niet ontkomen. U bepaalt echter welke; tegen het besluit van de rechtbank en indirect tegen de gemeente of tegen uw persoon en indirect tegen uw kantoor?”
1.7 Bij e-mail van 5 augustus 2025 van 10:03 uur heeft verweerster als volgt gereageerd op het bericht van klager:
“Uw mail verbaast mij ten zeerste. Onderstaande mails van mijn zijde betreffen mijn professionele visie op uw zaak. Het advies is tevens volledig vanuit uw belangen ingegeven. Uiteraard kan en mag u het daar niet mee eens zijn en ga ik graag met u hier het gesprek over aan. Uw mail betreft echter een duidelijk dreigement, hetgeen allesbehalve een juiste basis vormt voor een constructieve samenwerking in de toekomst. Een dergelijk dreigement als reactie op een professioneel advies met de beste bedoelingen vanuit mijn zijde, levert in ieder geval een vertrouwensbreuk op reden waarom ik u in ieder geval niet in toekomstige zaken kan en zal bijstaan. (…) Dit betreft een advies. Het staat de cliënt vrij om dit advies niet ter harte te nemen en om in persoon verder te procederen (dit kan in het bestuursrecht) of een andere advocaat in de arm te nemen. Het staat mij als advocaat vrij om af te zien van het opstarten van een procedure waar ik onvoldoende kansen of belangen in zie.
Mocht u bij uw standpunt blijven dat u een klacht wilt indienen, dan verwijs ik u naar artikel 10 en 11 van de overeenkomst van opdracht, waarin de interne klachtenregeling staat beschreven.
Ik blijf bij mijn advies dat u beter uw kostbare tijd en energie kunt steken in het vinden van passende begeleiding. Dat is immers het doel waarvoor u aanvankelijk rechtshulp nodig had.
Indien gewenst, ga ik graag met u het gesprek aan om mijn advies u nader toe te lichten.”
1.8 Bij e-mail van diezelfde dag (12:50 uur) heeft klager verweerster als volgt bericht:
“Bespeur ik enige angst bij u? Uw kwalificatie van 'dreigement' voor regulier toegankelijke rechtsmiddelen, zijnde klachten- en tuchtrechtelijke procedures duiden daarop.
Ik heb u slechts een mogelijkheid geboden om hieraan te ontkomen en die mogelijkheid staat nog steeds open tot a.s. vrijdag (08 augustus) 12:00 uur.
Wie gaat u bijstaan bij de deken? Ervaring leert dat het onverstandig is om zelf verweer te voeren. Een gratis advies mijnerzijds als blijk van goede wil.”
1.9 Bij e-mail van 5 augustus 2025 van 16:06 uur heeft verweerster als volgt gereageerd op het bericht van klager:
“Na bestudering van uw mails blijf ik bij mijn eerdere advies en standpunt. Om onnodige herhaling te voorkomen verwijs ik u kortheidshalve na de eerdere correspondentie van gisteren en vandaag.
Concreet betekent dit dat ik voor u geen verzet zal aantekenen. U bent er derhalve zelf verantwoordelijk om de termijn veilig te stellen of hiervoor hulp in te schakelen, waarvoor u overigens nog ruimschoots de tijd hebt. Volledigheidshalve wijs ik erop dat wij de uitspraak pas op 1 augustus 2025 binnen hebben gekregen, dit ziet u aan de stempel met de dagtekening. Er was kennelijk veel vertraging met de post. Eén werkdag na ontvangst van de uitspraak heb ik u op de hoogte gesteld.(…)
Mocht u de klacht willen doorzetten, dan staat het u vrij om deze klacht te zenden aan vanbaar@kampsvanbaar.nl. Tevens handhaaf ik mijn eerdere aanbod om met u de kwestie nog mondeling te bespreken.”
1.10 Op 20 augustus 2025 heeft klager zich via de interne kantoorklachtenregeling over het optreden van verweerster beklaagd. Bij brief van 29 augustus 2025 heeft de klachtenfunctionaris van verweersters kantoor gemotiveerd aan klager toegelicht dat en waarom de klachten van klager in zijn visie ongegrond zijn.
1.11 Op 14 oktober 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
1. Verweerster heeft geweigerd om de zaak door te zetten door het voeren van een zogenoemd “slikken- of stikken beleid”. 2. Verweerster heeft klager misleid; 3. Verweerster heeft bewust onjuiste informatie verstrekt; 4. Verweerster heeft klager op onheuse en schofferende wijze bejegend; 5. Verweerster heeft valse beschuldigingen geuit en daarmee de eer en goede naam van klager aangetast; 6. Verweerster heeft onrechtmatig de content van klager op LinkedIn laten verwijderen; 7. Verweerster heeft niet gereageerd op klagers verzoek om een kopie van het volledige dossier aan hem toe te sturen; 8. De klachtenfunctionaris is niet onafhankelijk, niet onpartijdig, niet objectief en onvoldoende integer.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Toetsingskader Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2 Klachtonderdelen 1, 2 en 3 De klachtonderdelen 1, 2 en 3 zien alle drie op de advisering van verweerster in de e-mailberichten van 4 en 5 augustus 2025, hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerster dat zij heeft geweigerd om de zaak door te zetten door het voeren van een zogenoemd “slikken- of stikken beleid” (klachtonderdeel 1), dat zij klager heeft misleid (klachtonderdeel 2) en dat zij klager bewust onjuiste informatie heeft verstrekt. Verweerster heeft deze klachtonderdelen gemotiveerd weersproken. De voorzitter overweegt als volgt.
4.3 Duidelijk is dat klager zich niet kan vinden in het negatieve procesadvies van verweerster, noch in haar advies om een nieuwe aanvraag op grond van de Wmo in te dienen en medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek. Dat betekent echter niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uitgangspunt is dat de advocaat dominus litis is in relatie tot zijn cliënt, wat betekent dat hij de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de behandeling van de zaak. In het verlengde hiervan is het aan de advocaat om te bepalen of hij een rechtsmiddel wil aanwenden. Een advocaat is niet gehouden bijstand te verlenen in een zaak waarin hij geen kansen ziet. In klagers zaak was verweerster van oordeel dat het instellen van verzet geen reële kans van slagen had en ook niet in klagers belang was. Verweerster heeft haar advies in diverse e-mailberichten gemotiveerd aan klager toegelicht. Verweerster mocht klager daarbij berichten dat zij geen verzet namens klager zou instellen. De voorzitter is voorts van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat verweerster is tekortgeschoten in haar advisering aan klager.
4.4 Van het voeren van een “slikken- of stikken beleid”, misleiding van klager of het bewust verstrekken van onjuiste informatie is kortom naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken. De voorzitter zal de klachtonderdelen 1, 2 en 3 dan ook kennelijk ongegrond verklaren.
4.5 Klachtonderdelen 4 en 5 De klachtonderdelen 4 en 5 zien beiden op de wijze waarop verweerster klager heeft bejegend. De klachtonderdelen 4 en 5 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.6 Klager verwijt verweerster dat zij hem op onheuse en schofferende wijze heeft bejegend en dat zij valse beschuldigingen heeft geuit en daarmee de eer en goede naam van klager heeft aangetast. Volgens klager heeft verweerster dat gedaan door te spreken van een vertrouwensbreuk en te stellen dat klagers e-mail een dreigement bevatte. Verweerster heeft ook deze klachtonderdelen gemotiveerd weersproken. De voorzitter overweegt als volgt.
4.7 In gedragsregel 14 is bepaald dat indien tussen de advocaat en zijn cliënt verschil van mening bestaat over de wijze waarop de opdracht moet worden uitgevoerd en dit geschil niet in onderling overleg kan worden opgelost, de advocaat zich dient terug te trekken (lid 2). Wanneer de advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, dient hij dat op zorgvuldige wijze te doen en dient hij ervoor zorg te dragen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt (lid 3).
4.8 Vast staat dat klager heeft aangekondigd dat hij, als verweerster haar advies niet zou herzien, een klacht op grond van de interne klachtenregeling tegen haar zou indienen en (vervolgens) een tuchtrechtelijke procedure jegens haar aanhangig zou maken. Die berichtgeving van klager mocht verweerster kwalificeren als een dreigement. Gelet op het verschil van inzicht tussen klager en verweerster over de invulling van verweersters bijstand en tevens gelet op de inhoud en toonzetting van klagers e-mailberichten van 4 en 5 augustus 2025, stond het verweerster naar het oordeel van de voorzitter voorts vrij om te spreken van een vertrouwensbreuk en om haar werkzaamheden op die grond neer te leggen. Zoals voorgeschreven in gedragsregel 14 lid 3 heeft verweerster dat op zorgvuldige wijze gedaan en heeft zij er daarbij voor gezorgd dat klager daarvan zo min mogelijk nadeel ondervond. Ook in zoverre is er derhalve geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De voorzitter is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster klager op onheuse en schofferende wijze heeft bejegend, noch dat zij valse beschuldigingen heeft geuit en daarmee de eer en goede naam van klager heeft aangetast, zodat ook de klachtonderdelen 4 en 5 kennelijk ongegrond moeten worden verklaard.
4.9 Klachtonderdeel 6 Klager verwijt verweerster dat zij onrechtmatig de content van klager op LinkedIn heeft laten verwijderen. Verweerster heeft dit klachtonderdeel uitdrukkelijk weersproken en heeft gesteld dat zij daartoe helemaal niet in staat is. De voorzitter overweegt als volgt.
4.10 Nu verweerster uitdrukkelijk heeft weersproken dat zij (dan wel haar kantoor) content van klager op LinkedIn heeft verwijderd of laten verwijderen en de voorzitter in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de juistheid van dit verwijt, kan de voorzitter dit verwijt niet feitelijk vaststellen. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, is ook klachtonderdeel 6 kennelijk ongegrond.
4.11 Klachtonderdeel 7 Klager verwijt verweerster dat zij geen gevolg heeft gegeven aan klagers verzoek om een kopie van het volledige dossier aan hem toe te sturen. Verweerster heeft ook dit klachtonderdeel weersproken. Verweerster heeft gesteld dat het dossier zowel per aangetekende post als per aangetekende e-mail aan klager is toegestuurd. Dat klager de aangetekende post niet heeft afgehaald, moet voor zijn rekening komen, aldus verweerster.
4.12 De voorzitter is van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster niet is gebleken. Klager heeft gesteld de aangetekende post niet te hebben ontvangen, terwijl verweerster stelt dat klager de aangetekende post niet heeft afgehaald. Wat daar ook van zij, als door klager erkend staat vast dat het dossier in ieder geval met aangetekende e-mail is verzonden. Klager heeft erkend de aangetekende e-mail, waarbij gevoegd het digitale dossier, wel te hebben ontvangen, maar heeft gesteld dat dit digitale dossier niet compleet was, omdat de map “overige intern” leeg was. De voorzitter overweegt als volgt. Dat verweerster opzettelijk stukken zou hebben achtergehouden acht de voorzitter niet aannemelijk. Mogelijk heeft verweerster abusievelijk verzuimd om de stukken uit de map “overig intern” aan klager toe te sturen, maar voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster is dat onvoldoende. Ook klachtonderdeel 7 is op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond.
4.13 Klachtonderdeel 8 Klager verwijt de klachtenfunctionaris dat hij niet onafhankelijk, niet onpartijdig, niet objectief en onvoldoende integer is. De voorzitter overweegt dat een advocaat in beginsel enkel tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen handelen of nalaten. Verweerster kan niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de wijze waarop de klachtenfunctionaris de klacht van klager heeft behandeld. In de onderhavige tuchtzaak ligt enkel het handelen en nalaten van verweerster ter beoordeling voor. Om die reden zal de voorzitter dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: - klachtonderdeel 8, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk; - de klachtonderdelen 1 tot en met 7, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub c Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 maart 2026
