Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

16-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:77

Zaaknummer

250275D

Inhoudsindicatie

Het betreft hier een hoger beroep van de deken tegen de opgelegde maatregel (waarschuwing). Vaststaat dat verweerder de derdengeldenrekening heeft gebruikt voor een ander doel dan het beheer van derdengelden. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. In deze zaak ligt de vraag voor welke maatregel passend en geboden is. Het hof vernietigt de beslissing van de raad ten aanzien van de maatregel en legt verweerder de maatregel van een berisping op.

Uitspraak

Beslissing van 16 maart 2026  in de zaak 250275D

naar aanleiding van het hoger beroep van:

deken

tegen:

verweerder

gemachtigde: mrs. B en K

 

1    INLEIDING

1.1    Het betreft hier een hoger beroep van de deken tegen de opgelegde maatregel (waarschuwing). Vaststaat dat verweerder de derdengeldenrekening heeft gebruikt voor een ander doel dan het beheer van derdengelden. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. In deze zaak ligt de vraag voor welke maatregel passend en geboden is. Het hof vernietigt de beslissing van de raad ten aanzien van de maatregel en legt verweerder de maatregel van een berisping op. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom de deken in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de Raad van Discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen de deken en verweerder (zaaknummer: 25-088/AL/MN/D) een beslissing gewezen op 14 juli 2025. In deze beslissing is het dekenbezwaar gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:177 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

2.3    Het beroepschrift van de deken tegen de beslissing is op 7 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerder.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 19 januari 2026. Daar zijn de deken, mr. H (stafjurist bij de ordebureau van de Orde van Advocaten Midden-Nederland), verweerder en de gemachtigden van verweerder verschenen. Mr. B heeft het standpunt van verweerder toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Op 26 februari 2002 heeft verweerder de Stichting Beheer Derdengelden Advocatenpraktijk Mr. G opgericht (hierna: stichting derdengelden). Het bestuur van de stichting bestaat (vanaf de oprichtingsdatum) uit verweerder als voorzitter en mevrouw H als secretaris/penningmeester in Utrecht.

3.3    Tot en met mei 2020 heeft verweerder kantoor gehouden in het aan hem en zijn echtgenote toebehorende kantoorpand aan de [adres]. Dit kantoorpand is vervolgens verkocht en in juni 2020 geleverd. Na aftrek van de op het kantoorpand rustende lasten resteerde een overwaarde.

3.4    Op 12 maart 2024 en herhaald op 16 april 2024 is door de deken aan de unit FTA verzocht om een financieel onderzoek naar verweerder (en zijn kantoor) uit te voeren.

3.5    Op 29 juli 2024 heeft de unit FTA de definitieve rapportage afgerond inzake het onderzoek naar de financiële positie en derdengelden bij verweerder. 

3.6    Uit de rapportage van de unit FTA blijkt dat een gedeelte van de overwaarde van het kantoorpand, te weten een bedrag van € 200.000,-, op 22 december 2020 is overgemaakt op de derdengeldenrekening van de stichting derdengelden. Het geld is in de periode van 2021 tot 2023 in delen van de derdengeldenrekening overgeboekt naar de kantoorrekening van verweerder (een bedrag van € 114.849,-), naar de privérekening van verweerder (een bedrag van € 32.143,-) en een bedrag van € 5.420,- is betaald aan de heer mr. K. 

3.7    Uit de rapportage blijkt verder dat [naam] niet in het accountantsregister en in het Register Belastingadviseurs voorkomt.

4    BEOORDELING HOF

4.1    De grieven van de deken zijn uitsluitend gericht tegen de motivering van de opgelegde maatregel en de maatregel zelf. 

4.2    De raad heeft ten aanzien van de maatregel het navolgende overwogen: 

“6.1 De raad heeft vastgesteld dat verweerder een derdengeldrekening heeft gebruikt voor een ander doel dan het beheer van derdengelden. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. 

6.2 Bij de beoordeling van de ernst van dit handelen is echter ook van belang dat niet is gebleken dat verweerder dit heeft gedaan om het geld buiten het zicht van derden te houden. Niet is gebleken dat verweerder door dit handelen (financieel) voordeel heeft gehad of dat belangen van derden zijn geschaad. Verder neemt de raad in aanmerking dat verweerder het verwijtbare van zijn handelen heeft ingezien. Gelet op alle feiten en omstandigheden is de raad van oordeel dat met de oplegging van een waarschuwing kan worden volstaan.”

Beroepsgronden 

4.3    De deken komt op tegen de overweging van de raad dat  ‘bij de beoordeling van de ernst van dit handelen is echter niet gebleken dat verweerder door dit handelen (financieel) voordeel heeft gehad of dat belangen van derden zijn geschaad’ en dat ‘gelet op alle feiten en omstandigheden (…) de raad van oordeel (is) dat met oplegging van een waarschuwing kan worden volstaan”. Volgens de deken heeft verweerder het bedrag van € 200.000,- (dat voortvloeit uit de verkoop van het voormalige kantoorpand van verweerder (privébezit van verweerder) op 2 juni 2020) bewust op 22 december 2020 op de derdengeldenrekening geparkeerd om uit het zicht van de curator (in het faillissement van de apotheek van zijn echtgenote) te houden, waarmee verweerder een (andere) verhaalsmogelijkheid voor de curator heeft weggenomen of achtergehouden. Ter onderbouwing van deze stelling voert de deken aan dat de curator verweerder (in privé) in 2020 in rechte heeft betrokken in verband met bestuursaansprakelijkheid inzake het boedeltekort in het faillissement van de apotheek. De vordering is door de rechtbank afgewezen maar in hoger beroep is verweerder bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 3 oktober 2023 veroordeeld tot betaling van het nog nader vast te stellen tekort in de faillissementsboedel. De curator is volgens de deken pas bekend geworden met de verkoop van het voormalige kantoorpand van verweerder en de vrijgevallen overwaarde in deze hogerberoepsprocedure, waarin de nota van afrekening van de notaris voor het eerst is overgelegd. Gezien deze tijdsvolgorde kan geen sprake zijn van een administratieve vergissing van verweerder en moet het ervoor worden gehouden dat verweerder met zijn handelen heeft beoogd privégelden buiten het bereik/zicht van de curator te houden. Als al sprake zou zijn geweest van een vergissing, zoals door verweerder in eerste aanleg is gesteld, dan had het op de weg van verweerder gelegen het bedrag van € 200.000,- per ommegaande door te storten naar zijn privérekening. Dat heeft verweerder evenwel niet gedaan.   4.4    Gelet op de ernst van de gedragingen van verweerder, is de deken daarnaast van mening dat het opleggen van een zwaardere maatregel passend en geboden is. De deken denkt daarbij ten minste aan een berisping. 

Verweer in beroep 

4.5    Verweerder betwist in hoger beroep nogmaals dat hij het bedrag van € 200.000,- bewust op de derdengeldenrekening van zijn kantoor heeft geparkeerd. De stelling van de deken dat de curator voor het eerst bekend is geworden met de nota van afrekening van de notaris in de hogerberoepsprocedure tussen verweerder en de curator, ontbeert volgens verweerder feitelijke grondslag, omdat de nota van afrekening reeds is overgelegd in de procedure tussen de echtgenote van verweerder en de holding van de gefailleerde apotheek tegen de curator (in 2020). Verweerder erkent wel dat hij een fout heeft gemaakt door het bedrag van € 200.000,- op de derdengeldenrekening over te maken, maar verweerder heeft dat niet met opzet gedaan en er zijn ook geen derden door benadeeld. Het opleggen van een zwaardere maatregel acht verweerder dan ook disproportioneel. Verweerder wijst in dit verband op zijn lange staat van dienst als advocaat (meer dan veertig jaar), het ontbreken van concrete schade, alsmede het feit dat hij onder moeilijke en stressvolle persoonlijke omstandigheden heeft gehandeld. Ter gelegenheid van de behandeling in hoger beroep heeft verweerder aangegeven dat de betaling op de derdenrekening zaaksgebonden zou zijn geweest, omdat deze verband zou houden met de verdeling van de opbrengst van het kantoorpand.

Overwegingen van het hof 

4.6    Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat – zoals de raad onbestreden heeft geoordeeld –  verweerder in strijd heeft gehandeld met de artikelen 6.19 en 6.22 Voda omdat hij de derdengeldenrekening heeft gebruikt voor een ander doel dan het beheer van derdengelden. Daar komt nog bij dat verweerder (zoals hiervoor onder 3.6 van de feiten is vastgesteld) vervolgens is gaan bankieren met het op de derdengeldenrekening gestorte bedrag door daarmee verschillende betalingen te doen (zie 3.6 hierboven). 

4.7    Verweerder heeft wisselend verklaard over de reden van het parkeren van het bedrag van € 200.000,- op de derdengeldenrekening. Het hof is geen rechtvaardiging gebleken voor verweerder om het bedrag op zijn derdenrekening te ontvangen, aan te houden en aan te wenden voor de diverse betalingen die daarmee zijn gedaan. Naar het oordeel van het hof biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat verweerder met zijn handelen heeft beoogd het bedrag van € 200.000,- buiten het zicht van de curator te houden. Het hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

4.8    Vaststaat dat meer procedures zijn gevoerd naar aanleiding van het faillissement van de apotheek van de echtgenote van verweerder, waaronder een procedure tussen de echtgenote van verweerder en de holding van de gefailleerde apotheek versus de curator, in 2020. Ter zitting in hoger beroep heeft verweerder een kopie van het voorblad van de dagvaarding in die procedure getoond. Deze dagvaarding dateert van 31 augustus 2019. Daarbij heeft verweerder laten zien dat productie 16 bij die dagvaarding betrof, de desbetreffende nota van afrekening van de notaris, waar de deken zich op heeft beroepen. De deken heeft in reactie hierop ter zitting aangegeven dit niet te weerspreken. Daarmee is vast komen te staan dat de curator reeds vóór het in 2020 betrekken van verweerder in de procedure die heeft geleid tot voormeld arrest van 3 oktober 2023 – bekend was of kon zijn met de verkoop van het kantoorpand van verweerder op 2 juni 2020 en het vrijvallen van de overwaarde. De overwaarde is, zoals verweerder in zijn nadere toelichting onweersproken heeft verklaard, in juni 2020 door de notaris overgemaakt naar de rekening van de echtgenote van verweerder. Vervolgens heeft de echtgenote van verweerder een deel van dat bedrag, zijnde € 200.000,-, op 22 december 2020 overgeboekt naar de derdengeldenrekening van verweerder. Volgens verweerder heeft de curator, nadat bekend was geworden dat het kantoorpand van verweerder was verkocht, beslag gelegd op de woning van verweerder en zijn echtgenote, met een overwaarde van ruim één miljoen euro.

4.9     Het hof is, in het licht van het voorgaande bezien, van oordeel dat de juistheid van de stelling van de deken dat verweerder met zijn handelen bewust de belangen van derden heeft geschaad niet is komen vast te staan. De ter gelegenheid van de behandeling bij het hof door verweerder ingenomen stelling dat de storting op de derdengeldenrekening zaaksgebonden zou zijn acht het hof niet geloofwaardig, niet alleen omdat deze stelling niet eerder door verweerder is ingenomen maar ook gezien de lange duur tussen enerzijds het beschikbaar komen van de overwaarde van het kantoorpand (juni 2020) en de storting op de derdengeldenrekening (december 2020).  

4.10     Het hof heeft, evenals de raad, oog voor de moeilijke persoonlijke omstandigheden van verweerder ten tijde van het hem verweten handelen. Dat laat onverlet dat verweerder in strijd met de kernwaarde financiële integriteit heeft gehandeld. Het hof acht het positief dat verweerder zijn handelen en het verwijtbare daarvan inziet. Verweerder heeft voorts inmiddels zijn derdengeldenrekening opgeheven. Het hof is met de deken van oordeel dat het opleggen van een waarschuwing, als zakelijke terechtwijzing, onvoldoende recht doet aan de ernst van de aan verweerder te verwijten gedraging.

4.11     Het hof ziet op grond van de voormelde omstandigheden aanleiding om aan verweerder de maatregel op te leggen van een berisping. 

Slotsom

4.12     Het hof zal de beslissing van de raad vernietigen voor zover het de opgelegde maatregel betreft en, zoals hiervoor overwogen, de maatregel verzwaren.

5    PROCESKOSTEN

5.1     Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:    

a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; b) € 1.000,- kosten van de Staat.

5.2     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

6    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

6.1    vernietigt de beslissing van 14 juli 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-088/AL/MN/D, voor zover daarin aan verweerder de maatregel is opgelegd van een waarschuwing;

en doet in zoverre opnieuw recht:

6.2    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

6.3    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. J. Steenbrink, A.E.H. van der Voort Maarschalk, J.A. Huijgen en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 16 maart 2026.