Rechtspraak
Uitspraakdatum
16-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:75
Zaaknummer
250210
Inhoudsindicatie
Klacht over de eigen advocaat. Het hof is, op andere gronden dan de raad, van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit. Niet is gebleken dat aan de werkzaamheden in verband waarmee hij factureerde een opdracht van klager ten grondslag heeft gelegen. Ook waren de werkzaamheden zinloos omdat hoger beroep niet mogelijk was. Desondanks heeft verweerder volhard in het betaald krijgen van zijn factuur en zelfs getracht deze te verrekenen met een tegenvordering van klager. Voorts heeft verweerder niet-tijdig en met een onterecht voorbehoud voldaan aan de kostenveroordeling van het hof (in een andere zaak). Gelet op het voorgaande is verweerders hoger beroep ongegrond en bekrachtigt het hof de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Uitspraak
Belissing van 16 maart 2026 in de zaak 250210
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
klager
1 INLEIDING
1.1 Klacht over de eigen advocaat. Het hof is, op andere gronden dan de raad, van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit. Niet is gebleken dat aan de werkzaamheden in verband waarmee hij factureerde een opdracht van klager ten grondslag heeft gelegen. Ook waren de werkzaamheden zinloos omdat hoger beroep niet mogelijk was. Desondanks heeft verweerder volhard in het betaald krijgen van zijn factuur en zelfs getracht deze te verrekenen met een tegenvordering van klager. Voorts heeft verweerder niet-tijdig en met een onterecht voorbehoud voldaan aan de kostenveroordeling van het hof (in een andere zaak). Gelet op het voorgaande is verweerders hoger beroep ongegrond en bekrachtigt het hof de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-808/DB/LI) een beslissing genomen op 19 mei 2025. In deze beslissing is zijn de klachtonderdelen a) en b) niet-ontvankelijk verklaard, is klachtonderdeel d) ongegrond verklaard en zijn de klachtonderdelen c) en e) gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:77 op tuchtrecht.nl gepubliceerd
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder is op 17 juni 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van klager; - een e-mail van klager van 29 december 2025, met bijlagen. 2.5 Bij e-mail van 13 januari 2026 heeft de griffie van dit hof, op verzoek van het hof, aan verweerder verzocht een bankafschrift of ander bewijs van de betaling van de € 50,- aan proceskosten naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Discipline van 12 januari 2024 over te leggen. Verweerder heeft bij e-mail van 15 januari 2026 aan dat verzoek voldaan.
2.6 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 19 januari 2026. Daar zijn verweerder en klager verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Verweerder heeft klager bijgestaan in een huurgeschil. Dat deed verweerder op basis van gefinancierde rechtsbijstand. Dit heeft onder meer geleid tot een uitspraak van de Huurcommissie en vervolgens een vonnis van de kantonrechter van 6 oktober 2021.
3.3 Op 28 december 2021 heeft verweerder een factuur van € 490,- verstuurd aan klager, bestaande uit een eigen bijdrage (€ 151,-) en het griffierecht (€ 339,-) voor een hogerberoepsprocedure tegen het vonnis van de kantonrechter.
3.4 Op 3 januari 2022 heeft verweerder zich teruggetrokken als advocaat van klager.
3.5 Op 4 januari 2022 heeft verweerder aan klager geschreven:
“In bovengenoemde zaak zend ik u een afschrift van de door mij namens u aan de deurwaarder toegezonden hoger beroepsdagvaarding tegen het vonnis van de Kantonrechter Maastricht van 6 oktober 2021. De beroepstermijn loopt tot en met 6 januari a.s. Hoewel ik mij inmiddels als advocaat in de dossiers heb teruggetrokken, acht ik het, uit het oogpunt van zorgvuldigheid, noodzakelijk dat ik ervoor zorg dat de hoger beroepsdagvaarding tijdig wordt betekend en wel uiterlijk op januari a.s. Ook die procedure gaat lopen bij het Hof in Den Bosch. Ik heb er bewust voor gekozen om ook pas een eerste roldatum bij het Hof in te laten vullen in de maand februari a.s. Daardoor heeft u voldoende tijd en gelegenheid om een nieuwe advocaat in te schakelen om deze procedure namens u voort te zetten. Ook ik zal mij allereerst moeten onttrekken.
Mij mag namelijk niet het verwijt worden gemaakt dat ik, ondanks mijn inmiddels genomen onttrekkingsbeslissing, deze beroepstermijn niet heb bewaakt en geen verdere actie heb ondernomen, waardoor de hoger beroepstermijn ongebruikt zou verstrijken en dit vonnis onherroepelijk wordt.”
3.6 Op 4 januari 2022 bericht klager in reactie daarop per mail aan verweerder hem geen opdracht gegeven te hebben tot het instellen van appel en dat hij niet met verweerder als zijn advocaat in hoger beroep zou gaan als hij hoger beroep zou hebben willen instellen. Op 5 januari 2022 heeft verweerder daarop gereageerd:
“(…) We hadden reeds eerder afgesproken om hoger beroep in te stellen tegen de betreffende uitspraak van de Kantonrechter van 6 oktober 2021. Dat komt dus niet uit het niets. Juist in verband met mijn zorgplicht, ook na mijn onttrekking als advocaat, heb ik deze werkzaamheden verricht, dus niet om te frustreren of te dwarsbomen, zoals u schrijft. (…) Een en ander werkt ook niet kostenverhogend voor u. Er is immers een toevoeging en de deurwaarderskosten vallen daaronder. Als u het hoger beroep niet aanbrengt, bent u ook geen griffierecht verschuldigd. In dat geval zal ik dat gedeelte van de factuur van 28 december 2021 crediteren. Dat geldt niet voor de eigen bijdrage. Als u het hoger beroep wel aanbrengt, bent u het griffierecht verschuldigd aan uw nieuwe advocaat op het moment dat de appeldagvaarding wordt aangebracht en ingeschreven bij het Hof in Den Bosch.”
3.7 Op 7 januari 2022 heeft verweerder aan klager geschreven:
“(…) Hoewel u aan mij heeft medegedeeld, dat u mij daartoe geen opdracht heeft gegeven, heb ik het in de gegeven omstandigheden, wegens mijn onttrekking, noodzakelijk geacht om dit appel binnen de appeltermijn en dus tijdig in te stellen.
Nog steeds geldt dat dit geen extra kosten voor u tot gevolg heeft gehad.
U kunt er zelf voor kiezen om met behulp van deze dagvaarding de beroepsprocedure bij het Hof Den Bosch vanaf 8 februari 2022 op te starten of om dat niet te doen. Als u dat niet doet dan is er ook geen griffierecht verschuldigd. (…)”
3.8 Op 5 april 2022 heeft verweerder een aanmaning gestuurd voor de factuur van 28 december 2021. Daarop heeft klager diezelfde dag gereageerd verweerder geen opdracht te hebben gegeven tot het instellen van het hoger beroep.
3.9 Klager heeft over de bijstand van verweerder in de huurrechtelijke procedure(s) eerder een klacht ingediend. Bij beslissing van 30 januari 2023 (ECLI:NL:TADRSHE:2023:15) heeft de raad daarop beslist, de klacht gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van één week opgelegd. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.
3.10 Bij beslissing van 12 januari 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:4) heeft het hof van discipline de beslissing van de raad bekrachtigd, met dien verstande dat de maatregel is beperkt tot een berisping. Ook heeft het hof van discipline verweerder veroordeeld tot betaling van € 50,- aan klager wegens kosten in de procedure.
3.11 Op 22 februari 2024 heeft verweerder klager medegedeeld de € 50,- te verrekenen met de openstaande factuur van 28 december 2021.
3.12 Op 22 februari 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
3.13 Op 5 maart 2024 heeft de advocaat van klager aan verweerder geschreven:
“(…) De klachten die cliënt tegen u heeft ingesteld zijn gegrond verklaard en u dient aan cliënt een bedrag van € 50,00 te vergoeden. Tot op heden heeft u nagelaten dit bedrag aan cliënt te betalen. Cliënt toonde mij een mail van uw secretaresse waarbij zij aangeeft dat u zich beroept op een verrekeningsbevoegdheid. Uw reactie stelt cliënt ernstig teleur. Allereerst stelt cliënt uitdrukkelijk dat er geen opdracht vanuit hem is gegaan om dat appel in te stellen. Daarbij kon dat niet eens omdat het bedrag de appelgrens niet overtreft. Appel was dus helemaal niet mogelijk. Ook is appel niet mogelijk, na een procedure bij de Huurcommissie en de rechtbank
Cliënt leidt uit uw houding ten opzichte van hem af dat u zich weinig gelegen laat liggen aan de uitspraak van de Raad en het Hof van Discipline. Cliënt overweegt wederom een klacht tegen u op dit punt in te dienen. (…)”
3.14 Op 6 maart 2024 heeft verweerder aan de advocaat van klager geschreven:
“(…) Omtrent de € 50,- die uw cliënt toekomt en waarbij ik me op een verrekeningsbevoegdheid heb beroepen, dreigt uw cliënt direct weer met een nieuwe klacht. Zeer teleurstellend.
Tegen het factuurbedrag is nooit eerder geprotesteerd. De betreffende kwestie heeft weliswaar geen doorgang gevonden, maar ik heb wel werkzaamheden verricht.
Niettemin, doch uitdrukkelijk onder protest, zal ik overgaan tot betaling aan uw cliënt van die € 50,-. (…)”
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
a) Verweerder heeft documenten uit de procedure bij de rechtbank niet aan klager verstrekt; b) Verweerder heeft de wederpartij rechtstreeks aangeschreven; c) Verweerder heeft een factuur opgesteld nadat hij zich als advocaat heeft teruggetrokken en voor werkzaamheden waarvoor klager geen opdracht heeft gegeven; d) Verweerder heeft klager weggezet als een slecht huurder en leugenaar; e) Verweerder heeft geweigerd de proceskostenveroordeling van het Hof van Discipline te betalen aan klager.
5 FORMELE VERZOEKEN/OMVANG HOGER BEROEP/ONTVANKELIJKHEIDSKWESTIES 5.1 Het hoger beroep van verweerder is gericht tegen de beslissing van de raad op de klachtonderdelen c) en e) en de maatregel.
5.2 Voor zover klager in zijn reactie op het beroepschrift heeft beoogd de klachtonderdelen a), b) en d) in hoger beroep opnieuw aan de orde te stellen, slaagt hij daarin niet. Beroepsgronden moeten immers binnen 30 dagen na verzending van de beslissing door de raad zijn ontvangen (artikel 56 Advocatenwet). Het hoger beroep van klager is ruim na het verstrijken van de beroepstermijn ontvangen en daarom is dit beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft aan de gegrondverklaring van de klachtonderdelen c) en e) het navolgende ten grondslag gelegd.
Klachtonderdeel c) – Factuur voor de hoger beroepsprocedure
Verweerder heeft klager een factuur gestuurd voor het griffierecht van de door hem ingestelde hogerberoepsprocedure. Ook heeft hij een eigen bijdrage gefactureerd, omdat hij – zoals ter zitting door hem is verklaard – al enkele advieswerkzaamheden voor klager had verricht om na te gaan of hoger beroep mogelijk was. Nadat gebleken was dat het hoger beroep niet was doorgezet, heeft verweerder zijn factuur integraal gehandhaafd en klager daarop ook een aanmaning verstuurd. Tot op heden heeft verweerder niets van de factuur gecrediteerd. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Allereerst had verweerder geen nieuwe toevoeging mogen aanvragen voor zijn advieswerkzaamheden aangaande het al dan niet instellen van hoger beroep omdat deze vielen onder het bereik van de al verstrekte toevoeging. De in die ten onrechte aangevraagde toevoeging vastgestelde eigen bijdrage had verweerder dus niet in rekening mogen brengen aan klager. Vervolgens had verweerder de factuur voor wat betreft het griffierecht moeten crediteren. Niet alleen was het hoger beroep door klager niet doorgezet zodat er geen griffierecht verschuldigd was, maar ook had het verweerder duidelijk moeten zijn dat tegen het vonnis van de kantonrechter geen hoger beroep mogelijk was. Het in geschil zijnde bedrag van circa € 500,- lag niet alleen ver beneden de appelgrens (artikel 332 lid 1 Rv), maar er stond hoe dan ook geen hoger beroep open tegen het vonnis (artikel 7:262 lid 2 BW). Tot die conclusie was verweerder kennelijk ook gekomen na afloop van de beroepstermijn, maar dit heeft er niet toe geleid dat hij zijn factuur heeft gecrediteerd of gematigd. Verweerder heeft daarentegen zelfs een aanmaning verstuurd in 2022 en heeft zelfs in 2024 nog gesteld dat klager daartegen nooit had geprotesteerd, hetgeen onjuist is. Verweerder heeft daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit.
Klachtonderdeel e) – Kostenveroordeling van het Hof van Discipline
Verweerder heeft nagelaten om tijdig over te gaan tot betaling van de kostenveroordeling van het Hof. Zoals onder klachtonderdeel c) al uiteen is gezet, is de raad van oordeel dat deze factuur onterecht is. Het daarmee verrekenen van een door de tuchtrechter opgelegde kostenveroordeling acht de raad in het verlengde daarvan evenmin integer. Daar komt bij dat klager geen toestemming heeft gegeven voor de verrekening. Klager had zelfs zijn bezwaren geuit tegen de factuur. Ook hiermee heeft verweerder in strijd gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit. Dat verweerder uiteindelijk het bedrag van € 50,- wel, onder protest, heeft overgemaakt aan klager verandert daar niets aan, al is het maar omdat er op dat moment al een klacht over dit onderwerp bij de deken was ingediend.
Ten aanzien van de maatregel heeft de raad het navolgende overwogen.
De raad acht het kwalijk dat verweerder financieel niet integer heeft gehandeld door klager een rekening te sturen – en te handhaven – voor een door hemzelf erkende beroepsfout. Verweerder heeft er daarmee geen blijk van gegeven dat het hem inzichtelijk is geworden dat hij ondeskundig heeft gehandeld bij het instellen van het hoger beroep. Nog ernstiger is dat verweerder een door de tuchtrechter opgelegde kostenveroordeling niet heeft willen voldoen en vervolgens heeft willen omzeilen door deze, zonder toestemming van klager, te verrekenen met deze onterechte factuur. Gelet op de ernst van het handelen, waardoor de kernwaarde (financiële) integriteit meerdere malen en zonder enige terughoudendheid is overschreden, en de eerder aan verweerder opgelegde tuchtrechtelijke maatregelen, waaronder de berisping van het Hof, acht de raad het noodzakelijk om een schorsing op te leggen. De raad acht daarvoor een voorwaardelijke schorsing van twee weken passend en geboden.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
7.1 Verweerder betwist dat hij in strijd heeft gehandeld met de financiële kernwaarde integriteit.
Klachtonderdeel c)
7.2 Ten onrechte heeft de raad overwogen dat de door verweerder verrichte werkzaamheden vallen onder het bereik van de eerdere toevoeging.
Toelichting Voortschrijdend inzicht heeft verweerder geleerd dat het hoger beroep niet mogelijk was. Daarom heeft hij de door hem opgestelde dagvaarding ook niet aangebracht. Verweerder heeft klager daar ook op gewezen. Dit laat echter onverlet dat verweerder werkzaamheden heeft verricht en ook terecht voor die werkzaamheden een nieuwe toevoeging heeft aangevraagd.
7.3 Overigens merkt verweerder op dat klager verweerder geen verwijt heeft gemaakt van het aanvragen van een nieuwe toevoeging. De raad is met dit oordeel dan ook buiten de rechtsstrijd getreden.
Klachtonderdeel e)
7.4 Ten onrechte heeft de raad overwogen dat de betaling van het bedrag van € 50,- aan klager pas plaatsvond nadat klager een klacht over dit onderwerp bij de deken had ingediend (op 2 oktober 2024).
Toelichting Verweerder heeft het bedrag van € 50,- reeds op 5 maart 2024 aan klager voldaan.
Maatregel
7.5 Verweerder betwist dat sprake is van zodanig handelen dat een voorwaardelijke schorsing op zijn plaats is. Daarbij heeft de raad ten onrechte het tuchtrechtelijk verleden van verweerder ten grondslag gelegd aan de motivering van de maatregel.
Toelichting Verweerder wijst erop dat hij jegens klager (waar het hier om gaat) niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.
Verweer klager
7.6 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
8.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Overwegingen hof
klachtonderdeel c) – Factuur voor de hoger beroepsprocedure
8.3 Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de raad dat klachtonderdeel c) gegrond is. Verweerder heeft zich op 3 januari 2022 onttrokken als advocaat van klager. De volgende dag, 4 januari 2022 heeft hij klager bericht namens hem een hogerberoepdagvaarding te hebben opgesteld en deze te hebben toegezonden aan de deurwaarder. Klager heeft hierop dezelfde dag laten weten voor het opstellen van die dagvaarding geen opdracht te hebben gegeven. Als hij in hoger beroep zou wíllen hebben gaan, zou hij dit niet met verweerder als zijn advocaat hebben gedaan, zo schrijft hij. Verweerder heeft ter zitting bij het hof erkend dat een schriftelijke vastlegging van de door hem gestelde opdracht en de hieromtrent gemaakte afspraken ontbreekt. De gevolgen van het niet vastleggen dienen voor rekening en risico van verweerder te komen. Bij gebreke van zo’n vastlegging en nu de opdracht tot het instellen van hoger beroep door klager wordt betwist kan niet ervan worden uitgegaan dat deze opdracht aan verweerder is gegeven. Weliswaar kunnen zich omstandigheden voordoen die ertoe nopen dat een advocaat ook zonder uitdrukkelijke opdracht hoger beroep instelt, maar dergelijke omstandigheden doen zich hier niet voor. Tegen het vonnis van de kantonrechter was immers geen hoger beroep mogelijk, zoals verweerder behoorde te weten. Het feit dat hij voor de kantonfase van het spelende huurgeschil aan klager is toegevoegd betekent immers dat hij bij de raad voor rechtsbijstand als specialist op het gebied van huurrecht geregistreerd staat. Van een huurrechtspecialist mag verwacht worden dat hij over basale kennis zoals aangaande beroepsmogelijkheden op de hoogte is. De door hem gestelde werkzaamheden waren dus niet alleen zonder opdracht, maar ook zinloos. Hiervoor factureren kan dan ook niet door de beugel.
8.4 Toen verweerder na het verstrijken van de beroepstermijn (daarop gewezen door de advocaat van de verhuurder) inzag dat hij door toch hoger beroep in te stellen een beroepsfout had gemaakt, heeft hij volhard in het betaald krijgen van zijn factuur en kennelijk geen aanleiding gezien die factuur te crediteren of te matigen. Dat is niet alleen onbehoorlijk omdat hij op dat moment wist dat zijn werkzaamheden nodeloos waren geweest maar ook niet in overeenstemming met verweerders mededeling in zijn e-mail van 4 januari 2022 aan klager dat het instellen van hoger beroep niet kostenverhogend zou zijn voor klager.
8.5 Ook toen verweerder duidelijk was geworden dat klager het hoger beroep niet had doorgezet – met een andere advocaat nu verweerder zich had onttrokken – heeft hij volhard in het betaald krijgen van zijn factuur. Verweerder had notabene zelf in zijn e-mail aan klager van 4 januari 2022 aangegeven dat hij het griffierecht zou crediteren als klager het hoger beroep niet zou aanbrengen, maar is die toezegging niet nagekomen. De omstandigheid dat, zoals verweerder heeft aangevoerd, na het beëindiging van zijn werkzaamheden voor klager en alle verwikkelingen nadien het dossier is blijven liggen zonder enige kwade bedoeling, maakt dit nalaten door verweerder niet minder verwijtbaar.
8.6 Verweerder heeft zelfs twee jaar na het versturen van zijn factuur nog gepoogd die factuur (voor een deel) te verrekenen met de door het hof opgelegde veroordeling in de kosten van klager van € 50,- waarmee klager, begrijpelijkerwijs, niet akkoord is gegaan. Daarna heeft verweerder weliswaar aan klager de verschuldigde € 50,- betaald, maar met een voorbehoud (‘onder protest’).
8.7 Verweerder heeft door te handelen zoals hij heeft gedaan in strijd gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit.
Klachtonderdeel e): Kostenveroordeling van het Hof van Discipline
8.8 Het hof oordeelt ten aanzien van klachtonderdeel e) als volgt.
8.9 Klager heeft de klacht via een webformulier ingediend op (anders dan verweerder in zijn beroepsschrift vermeldt) 22 februari 2024. In hoger beroep is vast komen te staan dat verweerder de kostenveroordeling ten bedrage van € 50,- op 6 maart 2024 aan klager heeft voldaan. De stelling van verweerder dat hij klager vóór indiening van de klacht heeft betaald mist dan ook feitelijke grondslag. Het hof overweegt verder dat verweerder met de betaling op 6 maart 2024 (verweerder vermeldt in zijn beroepsschrift 5 maart 2024 maar uit het door hem toegestuurde betaalbewijs blijkt anders) niet tijdig heeft betaald – de betalingstermijn van de uitspraak van het Hof van Discipline van 12 januari 2024 verstreek immers vier weken na 12 januari 2024, derhalve op 11 februari 2024. Ná het verstrijken van de betalingstermijn heeft verweerder aanvankelijk, op 22 februari 2024, aan klager medegedeeld het bedrag van € 50,- te verrekenen met de openstaande factuur van 28 december 2021. Nadat klager daartegen op 5 maart 2024 bezwaar had gemaakt, heeft verweerder op 6 maart 2024, ‘doch onder uitdrukkelijk protest’ zoals volgt uit zijn e-mail aan klager van 6 maart 2024 (hiervoor onder 3.14 van de feiten weergegeven), de kostenveroordeling aan klager overgemaakt.
8.10 Ook vanwege het niet-tijdig en vervolgens met een onterecht voorbehoud voldoen aan de kostenveroordeling heeft verweerder in strijd gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit.
8.11 Terecht heeft verweerder aangevoerd dat de klacht niet behelsde dat hij ten onrechte een nieuwe toevoeging had aangevraagd en dat de raad dit dan ook ten onrechte tot uitgangspunt neemt. Dit heeft echter geen gevolgen voor wat betreft de gegrondverklaring van de klachtonderdelen c) en e), die blijkens het vorengaande op goede gronden is uitgesproken.
Slotsom
8.12 Op grond van het voorgaande wordt de beslissing van de raad tot gegrondverklaring van klachtonderdelen c) en e) bekrachtigd.
9 MAATREGEL
9.1 Het hof is van oordeel dat de raad, gelet op de ernst van het handelen van verweerder alsmede het uitvoerige tuchtrechtelijke verleden van verweerder, verweerder terecht de maatregel van voorwaardelijke schorsing van twee weken met een proeftijd van twee jaar heeft opgelegd.
10 PROCESKOSTEN
10.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021: a) € 50,- kosten van klager (forfaitair); b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; c) € 1.000,- kosten van de Staat.
10.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
10.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
11 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
11.1 verklaart klager in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk;
11.2 bekrachtigt de beslissing van 19 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-808/DB/LI, voor zover daarin de klachtonderdelen c) en e) gegrond zijn verklaard en ten aanzien van de maatregel;
11.3 veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
11.4 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
11.5 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. J. Steenbrink, A.E.H. van der Voort Maarschalk, J.A. Huijgen en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 16 maart 2026.
