Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:74

Zaaknummer

240343

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging. Verweerder was de advocaat van klager in een strafzaak in hoger beroep. Klager heeft een klacht over verweerder ingediend, omdat hij vindt dat verweerder zijn belangen tijdens de strafzaak niet goed heeft behartigd. De raad heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat verweerder op enige wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Weliswaar dient een advocaat de belangen van zijn cliënt, maar hij is daarbij wel ‘dominus litis’. Verweerder heeft toegelicht welke keuzes hij bij de behandeling van de zaak van klager heeft gemaakt en het is de raad niet gebleken dat verweerder in verband daarmee op enige wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld. De klacht is dan ook ongegrond verklaard. Klager is het daar niet mee eens, en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. 

Uitspraak

Beslissing van 13 maart 2025  in de zaak 240343

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

tegen:

verweerder

 

1    INLEIDING

1.1    Verweerder was de advocaat van klager in een strafzaak in hoger beroep. Klager heeft een klacht over verweerder ingediend, omdat hij vindt dat verweerder zijn belangen tijdens de strafzaak niet goed heeft behartigd. De raad heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat verweerder op enige wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is dan ook ongegrond verklaard. Klager is het daar niet mee eens, en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de Raad van Discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna steeds: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (met zaaknummer: 24-063/A/A) een beslissing gewezen op 28 oktober 2024. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2024:183 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 28 november 2024 door de griffie van het hof ontvangen.

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerder van 26 januari 2025; -    een brief van klager van 15 december 2025; -    een brief van klager van 5 januari 2026, met als bijlagen een brief van klager van 2 januari 2026 en aanvullende bewijsstukken, bij het hof ingekomen op 8 januari 2026.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 januari 2026. Klager heeft vanuit de penitentiaire inrichting (hierna: de PI) via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder is niet ter zitting verschenen, zoals op voorhand in het verweerschrift aangekondigd. 

3    FEITEN

3.1    Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2    Verweerder heeft klager bijgestaan in een strafzaak in hoger beroep.

3.3    Op 15 augustus 2022 heeft de pro-forma zitting van de strafzaak bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden plaatsgevonden. Een kantoorgenoot van verweerder, mr. H, heeft op deze zitting voor verweerder waargenomen. Mr. H heeft de zitting digitaal bijgewoond. Op de zitting is om een schorsing van de voorlopige hechtenis van klager verzocht. In het proces-verbaal van de zitting staat, voor zover relevant, dat mr. H hierover heeft verklaard: 

“(…) Ik heb met cliënt afgesproken dat hij een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gaat doen vandaag en dat hij dat zelf zal toelichten. (…) Mijn cliënt verzoekt schorsing omdat hij meent dat zijn persoonlijke omstandigheden prevaleren boven de strafvorderlijke belangen. (…)”

3.4    Op 23 november 2022 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden. Verweerder heeft klager toen bijgestaan.  

3.5    Op 1 juli 2023 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de deken.

4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder nalatig te zijn geweest in de behartiging van de belangen van klager en er onvoldoende op te hebben toegezien dat er een correcte rechtsgang werd nageleefd.

5    ONTVANKELIJKHEID EN OMVANG VAN HET HOGER BEROEP

5.1 Art. 56 lid 1 Advocatenwet bepaalt dat hoger beroep moet worden ingesteld binnen dertig dagen na verzending van de beslissing van de raad. Het belang van rechtszekerheid brengt mee dat geen onzekerheid kan bestaan over het eindtijdstip van de appeltermijn. Deze termijn is van openbare orde en wordt door het hof ambtshalve toegepast. Het beroepschrift moet aldus, zoals ook in artikel 2.3 van het procesreglement van het hof is vermeld, uiterlijk door het hof zijn ontvangen op de dertigste kalenderdag na de datum waarop de raad de beslissing heeft verzonden.

5.2  De beslissing van de raad is op 28 oktober 2024 naar partijen verzonden. De dertigste kalenderdag na verzending was 27 november 2024. Het beroepschrift van klager is gedateerd 21 november 2024, maar is door het hof op 28 november 2024 per post ontvangen. Daarmee is het hoger beroep door klager formeel een dag te laat ingesteld. Uit het beroepschrift is daarnaast lastig af te leiden wat de concrete beroepsgronden van klager tegen de beslissing van de raad zijn. Verweerder heeft daar in zijn verweerschrift ook op gewezen. Op grond van artikel 56 lid 3 Advocatenwet moet hoger beroep wordt ingesteld bij met redenen omklede memorie. De vraag is of wat klager in het beroepschrift naar voren heeft gebracht gelet daarop toereikend is.

5.3 Op de mondelinge behandeling bij het hof is het bovenstaande besproken. Klager heeft meegedeeld dat hij in november 2024 in het ziekenhuis was opgenomen, nadat hij in september 2024 in hongerstaking was gegaan. In het ziekenhuis had hij niet de beschikking over het strafdossier. Volgens klager heeft hij het beroepschrift op de dag dat hij het schreef ook ter verzending afgegeven in de instelling waar hij verbleef. Voor de redenen van het hoger beroep verwijst klager naar zijn brieven van 2 en 5 januari 2026. Klager heeft meegedeeld dat hij niet in staat was concrete beroepsgronden aan te geven, omdat hij na zijn verblijf in het ziekenhuis nog enige tijd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) te Scheveningen heeft verbleven en hij al die tijd niet over het dossier beschikte.

5.4 Op grond van deze gang van zaken is het hof van oordeel dat buiten de schuld van klager vertraging in de ontvangst van het beroepschrift is ontstaan, zodat de overschrijding van de beroepstermijn niet aan klager kan worden toegerekend. De termijnoverschrijding is verschoonbaar. Het hof beslist dan ook dat klager ontvankelijk is in zijn hoger beroep. In aansluiting daarop beschouwt het hof de brieven van klager van 2 en 5 januari 2026 als een voldoende toelichting op de beroepsgronden. Het hof begrijpt daaruit dat klager het niet eens met de beslissing van de raad en dat hij erbij blijft dat verweerder zijn belangen niet voldoende heeft behartigd. 

5.6 Verder overweegt het hof dat voor zover klager erover klaagt dat op de zitting bij het hof Arnhem-Leeuwarden van 15 augustus 2022 door zijn advocaat namens hem geen schorsingsverzoek is gedaan, klager op die zitting werd bijgestaan door een kantoorgenoot van verweerder en niet door verweerder zelf. Klager heeft zijn klacht echter gericht tegen verweerder, zodat het handelen dan wel nalaten van mr. H in deze procedure niet ter beoordeling voorligt.

 

6    BEOORDELING RAAD

Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in reactie op de klacht van klager voldoende aannemelijk gemaakt dat hij heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Dat verweerder niet aan alle wensen en verzoeken van klager heeft voldaan, betekent niet dat verweerders bijstand daarmee ondermaats is geweest. Verweerder heeft als advocaat volledige verantwoordelijkheid voor de behandeling van een zaak. Weliswaar dient een advocaat de belangen van zijn cliënt, maar hij is daarbij wel ‘dominus litis’. Dat houdt in dat de advocaat de vrijheid heeft een zaak te behandelen op een wijze die hem goeddunkt en hij niet verplicht is gevolg te geven aan verzoeken van zijn cliënt die hij kansloos acht of waarvan de advocaat meent dat deze de zaak niet ten goede komen. Verweerder heeft toegelicht welke keuzes hij bij de behandeling van de zaak van klager heeft gemaakt en het is de raad niet gebleken dat verweerder in verband daarmee op enige wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.

7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

7.1    Uit het beroepschrift van klager van 21 november 2025 begrijpt het hof dat klager vindt dat een tweetal stukken die hij als bijlage bij het beroepschrift heeft gevoegd in het dossier van verweerder hadden moeten zitten. Het betreft een Whatsapp bericht en een tekstgedeelte dat volgens klager uit de voortgangsrapportage van de PI afkomstig is. Bij de stukken heeft klager ook nog een e-mail van 2 december 2020 gevoegd. Verder schrijft klager in het beroepschrift dat er meerdere zaken niet goed zijn gegaan, wat volgens klager onder meer blijkt uit de omstandigheid dat de zaak voor de tweede keer voor cassatie wordt ingediend. Klager verwijst daarbij naar een brief over een hooivork, welke brief niet bij het beroepschrift is gevoegd. Daarnaast heeft klager in het beroepschrift het volgende opgemerkt: “Is het niet aan de Deken om een controlerende en toezichthoudende functie uit te oefenen op de werkzaamheden die de betreffende advocaat uitoefent.”     

7.2    In de brief van 2 januari 2026 heeft klager nader uiteengezet waarom verweerder volgens hem nalatig is geweest in de behartiging van de belangen van klager. Volgens klager heeft verweerder niet adequaat gehandeld door tegenstrijdige en niet kloppende verklaringen, processen-verbaal en rapportages niet op te vragen en/of niet ter zitting ter sprake te brengen. Verder had verweerder volgens klager onjuistheden in het rapport van het Pieter Baan Centrum aan de orde moeten stellen. Bij de mondelinge behandeling door het hof is klager daar eveneens nader op ingegaan, en heeft klager naar voren gebracht dat hij in een brief van 3 juli 2022 gerichte vragen aan het Openbaar Ministerie heeft gesteld, die echter nooit zijn beantwoord, hetgeen verweerder ook niet ter sprake heeft gebracht. 

Verweer verweerder

7.3    Verweerder heeft gepersisteerd bij hetgeen hij bij de raad naar voren heeft gebracht. In reactie op het beroepschrift heeft verweerder aangegeven daar geen beroepsgronden uit te kunnen afleiden. Het standpunt van verweerder is dat de raad een juiste beslissing heeft genomen en hij verzoekt het hof die beslissing te bekrachtigen.

8    BEOORDELING HOF 

Maatstaf

8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

8.2 Klager beklaagt zich over de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Het oordeel van het hof

8.3 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de raad. Wat klager in hoger beroep heeft aangevoerd sluit aan bij de klacht zoals klager die ook in eerste aanleg heeft onderbouwd. In hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten en omstandigheden die naar het oordeel van het hof tot een ander oordeel nopen. Het hof acht de beslissing van de raad voldoende gemotiveerd en sluit zich hierbij aan. Het hof is dan ook met de raad van oordeel dat de klacht van klager ongegrond is. 

Slotsom

8.4 Het hof verwerpt het hoger beroep van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.

 

9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 28 oktober 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-063/A/A.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.            

griffier                                        voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 13 maart 2026.