Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:73
Zaaknummer
250047
Inhoudsindicatie
Klager heeft een klacht over verweerster ingediend, omdat hij verweerster verwijt niets gedaan te hebben in de dossiers die zij van mr. B, zijn voormalige advocaat, had overgenomen. De raad heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze naar het oordeel van de raad niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. Het hof verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover het ziet op handelen van verweerster waarmee klager al in 2017 bekend was, en verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van 13 maart 2026 in de zaak 250047
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft een klacht over verweerster ingediend, omdat hij verweerster verwijt niets gedaan te hebben in de dossiers die zij van mr. B, zijn voormalige advocaat, had overgenomen. De raad heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze naar het oordeel van de raad niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. Het hof verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover het ziet op handelen van verweerster waarmee klager al in 2017 bekend was, en verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de Raad van Discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna steeds: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (met zaaknummer: 22-870/DB/LI) een eindbeslissing gegeven op 13 januari 2025. In deze beslissing is de klacht van klager niet-ontvankelijk verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:4 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het Hof van Discipline
2.3 Het beroepschrift van klager, met bijlagen, tegen de beslissing is op 6 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerster van 31 maart 2025. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 januari 2026. Daar is verweerster verschenen. Klager is zonder bericht van verhindering niet verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Klager heeft zich (onder meer) bij brief van 27 december 2017 bij verweersters kantoor beklaagd over vermeend handelen en nalaten van verweerster.
3.3 Op 24 mei 2018 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. De deken heeft bij brief van 12 december 2018 (kenmerk K18-135) een dekenstandpunt geformuleerd en klager in de gelegenheid gesteld om het griffierecht te betalen. Klager heeft het griffierecht op 13 juli 2022, dus ruimschoots na afloop van de gestelde termijn van vier weken, betaald. De deken heeft het dossier op verzoek van klager doorgezonden aan de raad. Bij brief van 18 augustus 2022 heeft de griffier namens de raad aan partijen meegedeeld dat de klacht op grond van artikel 46e lid 3 Advocatenwet niet in behandeling wordt genomen.
3.4 Op 27 september 2022 heeft klager bij de deken opnieuw een klacht over verweerster ingediend. De deken heeft de klacht in behandeling genomen onder kenmerk K22-095. De deken heeft de klacht op 2 november 2022 doorgezonden aan de raad.
3.5 Bij tussenbeslissing van 6 maart 2023 heeft de raad de zaak naar de deken terugverwezen met het verzoek het onderzoek naar de klacht en de daarmee samenhangende feiten te hervatten en de raad vervolgens binnen twee maanden na verzending van de beslissing schriftelijk over de uitkomsten van het onderzoek te informeren. Daartoe heeft de raad overwogen dat op basis van het door de deken op 2 november 2022 aan de raad doorgezonden klachtdossier niet goed kon worden vastgesteld wat de relevante feiten en omstandigheden in deze klachtzaak waren, zodat de (ontvankelijkheid van) de klacht niet kon worden beoordeeld. De raad heeft er verder op gewezen dat verweerster in de door haar ter zitting van de raad voorgedragen pleitnota melding maakte van een regelmatige toestroom van brieven en e-mails van klager, die de raad in het door de deken op 2 november 2022 aan de raad doorgezonden klachtdossier niet had aangetroffen. Ten slotte heeft de raad opgemerkt dat verweerster heeft gesteld dat klager reeds in 2018 bij de deken een klacht over haar had ingediend en dat klager heeft gesteld dat hij in 2020 bij de deken een klacht had ingediend, terwijl uit het door de deken aan de raad doorgezonden klachtdossier enkel bleek van de op 27 september 2022 bij de deken ingediende klacht.
3.6 De deken heeft bij brief van 4 mei 2023, met bijlagen, op het verzoek van de raad gereageerd.
3.7 Bij tussenbeslissing van 28 augustus 2023 heeft de raad de zaak nogmaals naar de deken terugverwezen, met het verzoek om het onderzoek naar de klacht en de daarmee samenhangende feiten te hervatten en de raad vervolgens binnen twee maanden na verzending van de beslissing schriftelijk over de uitkomsten van het onderzoek te informeren, omdat de raad zich – kort gezegd – onvoldoende voorgelicht achtte. Daartoe heeft de raad overwogen dat op basis van het door de deken op 2 november 2022 aan de raad doorgezonden klachtdossier en de brief van de deken met bijlagen van 4 mei 2023, niet goed kon worden vastgesteld wat de relevante feiten en omstandigheden in deze klachtzaak waren zodat de (ontvankelijkheid van de) klacht niet kon worden beoordeeld. De raad heeft erop gewezen dat in de brief van 4 mei 2023 de deken melding maakt van een in 2018 door klager bij de deken ingediende klacht, bij de deken bekend onder het nummer K18-135. De raad heeft de in die klachtzaak gewisselde stukken echter niet in het door de deken op 2 november 2022 aan de raad doorgezonden klachtdossier, noch in de bij de brief van de deken van 4 mei 2023 gevoegde bijlagen aangetroffen. Ook is de deken niet ter zitting van 3 juli 2023 verschenen voor het geven van een nadere toelichting.
3.8 Bij brief van 5 oktober 2023, met bijlagen, heeft de deken op het verzoek van het hof gereageerd. De brief houdt onder meer in:
“Op 27 september 2022 is door de [klager] opnieuw een klacht ingediend tegen [verweerster]. [Klager] beklaagt zich wederom over "het tot op heden uitblijven van inspanning en resultaat" en verwijst naar "het incasseren van openstaande vorderingen zoals reeds eerder omschreven bij brief van 7 februari 2018". Naar deze brief van 7 februari 2018 en de daarin opgenomen vorderingen heeft [klager] ook verwezen in zijn eerdere klacht uit 2018 (…). De bijlagen die hij bij deze nieuwe klacht in 2022 overlegt (een zaak tegen [X] Advocaten B.V.), zien ook op een kwestie waarover [klager] zich in 2018 heeft beklaagd ten opzichte van [verweerster]. Alle correspondentie na 2018 waarnaar [verweerster] kennelijk heeft verwezen in haar pleitnota (overgelegd als bijlage 1 bij mijn reactie van 4 mei 2023), ziet eveneens op de kwestie tegen [X] Advocaten B.V. en/of zaken die [klager] noemt in de bijlagen bij zijn klacht uit 2018.
Gelet op het voorgaande heeft ondergetekende in zijn visie d.d. 29 september 2022 dan ook aangegeven op grond van zijn onderzoek tot de conclusie te zijn gekomen dat hetgeen [verweerster] wordt verweten dateert van (ruim) voor het jaar 2018, althans [klager] in ieder geval reeds bekend was op 7 februari 2018. Om deze reden is de klacht van [klager], gelet op het tijdsverloop genoemd in artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet alsmede nu mij niet van bijzondere omstandigheden is gebleken waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, in mijn visie kennelijk niet-ontvankelijk.”
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft niets gedaan in de dossiers die zij van mr. B had overgenomen.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft over de niet-ontvankelijkverklaring van de klacht het volgende overwogen.
5.2 De raad heeft vastgesteld dat de klacht ziet op vermeend handelen of nalaten van verweerster van (ruim) voor 2018. Daarop heeft de raad overwogen dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het klaagschrift wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het nalaten of handelen van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.
5.3 Klager heeft zich op 27 september 2022, derhalve na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Dat klager niet eerder heeft kunnen klagen is niet gebleken. Klager heeft zich immers (onder meer) bij brief van 27 december 2017 bij verweersters kantoor beklaagd, zodat vaststaat dat klager in ieder geval reeds op die datum bekend was met hetgeen waarover hij in de onderhavige klachtzaak klaagt. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is kortom naar het oordeel van de raad geen sprake.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager verwijst ter onderbouwing van zijn hoger beroep naar reeds eerder door hem weergegeven gronden, waaronder voor de laatste maal in zijn brief van 7 november 2024 aan de raad die als bijlage bij het beroepschrift is gevoegd. Volgens klager is het niet aan hem te wijten dat zijn klacht uit 2018 niet is behandeld. Het betalen van griffierecht was niet aan de orde, dan wel had de deken zijn beroep op betalingsonmacht moeten honoreren. Het niet betalen van het griffierecht was verschoonbaar. Verder is de klacht ontvankelijk omdat verweerster anno september 2022 nog steeds niks deed voor verweerder ondanks verzoek. Verweer verweerster
6.2 Verweerster geeft aan dat zij niet in staat is inhoudelijk op het beroepschrift van klager te reageren, omdat het beroepschrift geen gronden bevat en geen onderbouwing van de stelling van klager dat de raad een verkeerde beslissing heeft genomen. De gronden waar klager naar verwijst bevatten ook geen – doorslaggevende - argumenten die de stelling van klager ook maar enigszins onderbouwen, aldus verweerster. Verweerster is het met de raad eens dat de termijn waarbinnen klager de klacht had moeten indienen ruimschoots overschreden is, zodat de klacht niet-ontvankelijk is.
6.3 Voor het geval het hof de klacht van klager wel ontvankelijk mocht achten ondanks het tijdsverloop, voert verweerster aan dat klager dan nog steeds niet-ontvankelijk is, op grond van het volgende. Klager is op 28 oktober 2015 bij verweerster op kantoor geweest. Naar aanleiding van dat gesprek heeft verweerster per e-mail van 30 oktober 2015 bij klager aangegeven dat zij "deze zaak niet op kan pakken". Verweerster was van mening dat zij "niet voldoende toegerust' was om klager bij te staan. Deze e-mails bevinden zich in het dossier dat aan het hof is overgelegd. Met andere woorden, het ontbrak verweerster aan voldoende kennis en vaardigheden om klager naar behoren te kunnen adviseren en bijstaan. Klager is dan ook nooit cliënt van verweerster geweest. Verweerster heeft geen werkzaamheden voor klager verricht, noch de indruk gewekt dat zij werkzaamheden voor klager zou gaan verrichten, aldus verweerster.
7 BEOORDELING HOF Maatstaf
7.1 Het hof stelt, net als de raad, voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft, en dat bij indiening van een klacht na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring volgt.
Oordeel van het hof
7.2 Het hof is, met de raad, van oordeel dat de herhaalde klacht van klager van 27 september 2022 niet-ontvankelijk is, voor zover het betreft handelen dan wel nalaten van verweerster waarmee klager in december 2017 reeds bekend was, zoals (onder meer) blijkt uit genoemde brief van 27 december 2017 waarmee klager destijds bij verweersters kantoor heeft geklaagd. Het hof sluit zich in zoverre dan ook aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.
7.3 Het hof constateert dat de klacht van klager kennelijk mede betrekking heeft op handelen dan wel nalaten van verweerster in mei 2022, zoals blijkt uit het webformulier van 27 september 2022 waarmee klager deze klacht over verweerster heeft ingediend. Bij de stukken in het dossier bevindt zich een e-mail van klager van 20 mei 2022, waarin klager verweerster heeft verzocht een bedrag van € 4.947,39 aan hem over te maken, dat verweerster volgens klager voor hem had kunnen/moeten incasseren en dat (onder meer) verband zou houden met een proceskostenveroordeling van klager uit 2014, en waarvoor klaarblijkelijk in 2022 beslag op een voertuig van klager was gelegd. Voor zover klager tevens heeft bedoeld erover te klagen dat de dienstverlening van verweerster, als degene die de zaken na mr. B zou hebben voortgezet, naar aanleiding van klagers verzoek uit 2022 gebrekkig is geweest, overweegt het hof dat (ook) het sturen van die e-mail in 2022 niet een advocaat-cliënt relatie heeft doen ontstaan. Reeds bij e-mail van 30 oktober 2015 heeft verweerster aan klager meegedeeld dat zij tot de conclusie was gekomen dat zij de zaak van klager niet kon oppakken, omdat zij daarvoor onvoldoende toegerust was en niet over de benodigde expertise beschikte. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is het hof niet gebleken dat er (daarna) nog een opdrachtrelatie tussen klager en verweerster is ontstaan en/of verweerster als advocaat voor klager heeft opgetreden. Bij gebreke van een advocaat-client relatie tussen klager en verweerster faalt de klacht van klager.
Slotsom
7.4 De klacht is terecht niet-ontvankelijk verklaard voor zover het zag op handelen waar klager reeds in 2017 mee bekend was. De klacht is ongegrond voor zover klagers klacht ziet op het (niet) handelen van verweerster in 2022. In zoverre zal het hof de beslissing van de raad vernietigen en opnieuw rechtdoen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 vernietigt de beslissing van 13 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 22-870/DB/LI, voor zover de klacht in zijn geheel niet- ontvankelijk is verklaard en doet in zoverre opnieuw recht:
8.2 verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover het ziet op handelen van verweerster waarmee klager al in 2017 bekend was, en verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
8.3 bekrachtigt de beslissing van 13 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 22-870/DB/LI, voor het overige. Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026. griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 maart 2026.
