Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:72
Zaaknummer
250178
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging. Waarschuwing. Verweerder is de advocaat van klagers wederpartij in een civiele kwestie. Daarin gaat het - kort gezegd - om de vraag of de donorovereenkomst die klager en zijn wederpartij hebben gesloten op een rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen. Op een bepaald moment heeft verweerder klager in die kwestie gedagvaard. Verweerder heeft de zaak uiteindelijk niet voor de rechter gebracht. Klager vindt dat verweerder door hem te dagvaarden, en vanwege de inhoud van de dagvaarding en de gang van zaken daarna, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht bestaat uit vijf onderdelen. De Raad van Discipline heeft de klacht op één onderdeel, ten aanzien van het rauwelijks dagvaarden van klager door verweerder, gegrond verklaard. De andere vier klachtonderdelen heeft de raad ongegrond verklaard.
Uitspraak
Beslissing van 13 maart 2026 in de zaak 250178
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Verweerder is de advocaat van klagers wederpartij, mevrouw M, in een civiele kwestie. Daarin gaat het - kort gezegd - om de vraag of de donorovereenkomst die klager en mevrouw M hebben gesloten op een rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen. Op een bepaald moment heeft verweerder klager in die kwestie gedagvaard. Verweerder heeft de zaak uiteindelijk niet voor de rechter gebracht. Klager vindt dat verweerder door hem te dagvaarden, en vanwege de inhoud van de dagvaarding en de gang van zaken daarna, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht bestaat uit vijf onderdelen. De Raad van Discipline heeft de klacht op één onderdeel gegrond verklaard en daarvoor heeft verweerder een waarschuwing gekregen. De andere vier klachtonderdelen heeft de raad ongegrond verklaard. Klager is het met die ongegrondverklaring niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de Raad van Discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (met zaaknummer: 24-848/A/NH) een beslissing gewezen op 14 april 2025. In deze beslissing is klachtonderdeel a) gegrond verklaard en zijn de klachtonderdelen b), c), d) en e) ongegrond verklaard. Aan verweerder is voor klachtonderdeel a) de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:70 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het Hof van Discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 12 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 januari 2025. Daar is verweerder verschenen. Hij heeft mondeling verweer gevoerd. Klager is zonder bericht niet ter zitting verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 Op 23 oktober 2017 hebben klager en mevrouw M een donorovereenkomst gesloten.
3.3 In de donorovereenkomst is - samengevat en voor zover relevant - opgenomen dat klager (de donor) bereid is om zonder dat daar enige geldelijke vergoeding tegenover staat aan de ontvanger (mevrouw M) sperma te doneren ten behoeve van kunstmatige inseminatie. Ten aanzien van deze donorovereenkomst hebben klager en mevrouw M geen relatie, anders dan een zakelijke relatie. Er zullen geen familieleven en/of familierechtelijke betrekkingen ontstaan tussen klager en het kind dat uit de spermadonaties wordt geboren. Mevrouw M en klager zien af van alle rechten op legaal en financieel gebied die normaal gesproken zouden ontstaan tussen de donor en het kind. Mevrouw M zal nooit financiële ondersteuning vragen voor de opvoeding van het uit deze overeenkomst geboren kind.
3.4 Mevrouw M is in 2019 bevallen van een kind.
3.5 Op 8 juli 2019 heeft mevrouw M een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend waarin de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van klager wordt verzocht en een bijdrage in de kosten en verzorging van het kind. Mevrouw M stelt dat klager de verwekker is van het kind, dan wel als levensgezel van mevrouw M heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. Zij voert aan dat zij en klager een affectieve relatie hebben gehad, dat zij een kinderwens hadden en dat het kind vervolgens - via IVF - is verwekt en geboren. Verder stelt mevrouw M dat zij de donorovereenkomst onder druk heeft getekend en verzoekt zij te bepalen dat klager met ingang van de datum waarop het vaderschap gerechtelijk zal zijn vastgesteld aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind dient te betalen.
3.6 Bij beschikking van 8 januari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat mevrouw M onvoldoende heeft aangetoond dat zij onder druk dan wel een ander wilsgebrek de donorovereenkomst heeft ondertekend en dat klager wel als de biologische vader van het kind kan worden beschouwd, maar dat hij niet is aan te merken als de verwekker in juridische zin.
3.7 Klager is bij vonnis van 17 maart 2021 verboden om contact op te nemen met de werkgever van mevrouw M.
3.8 Bij vonnis van 23 augustus 2022 heeft de politierechter mevrouw M veroordeeld voor belaging van klager in de periode september 2017 tot juni 2019 en is aan haar een contactverbod opgelegd.
3.9 Mevrouw M heeft zich op enig moment tot verweerder gewend voor bijstand.
3.10 Op 12 maart 2024 heeft verweerder klager namens mevrouw M gedagvaard om op 20 maart 2024 ter zitting te verschijnen. In de dagvaarding wordt gesteld dat klager en mevrouw M een affectieve relatie hebben gehad en dat tijdens die relatie sprake was van een kinderwens, waarvoor diverse IVF-pogingen zijn ondernomen. Voorafgaand aan de laatste IVF-poging zijn klager en mevrouw M op 23 oktober 2017 een donorovereenkomst aangegaan, waarin klager afstand heeft gedaan van de familierechtelijke betrekkingen tot het kind en in financiële zin geen verplichtingen had ten opzichte van het kind. Vanwege de emotioneel zware periode en de gebrekkige kennis van de Nederlandse taal heeft mevrouw M, aldus de dagvaarding, de overeenkomst ondertekend. De inhoud daarvan kon zij evenwel niet overzien. Daarom is (onder meer) ontbinding van de donorovereenkomst wegens dwaling verzocht. Ook heeft mevrouw M een vergoeding van de door haar geleden schade ter hoogte van in totaal € 306.420,- verzocht. De schadevergoeding bestaat onder andere uit immateriële schadevergoeding (€ 25.000,-) en schadevergoeding wegens gederfde inkomsten, aangezien mevrouw M naar haar zeggen ontslagen is omdat klager ondanks het opgelegde verbod contact bleef opnemen met haar voormalige werkgever. Tot slot staat in de dagvaarding dat klager zich tegenover de huidige werkgever en vrienden/kennissen van mevrouw M negatief over haar heeft uitgelaten en wordt (als provisionele voorziening) een verbod gevorderd verdere uitlatingen te doen.
3.11 Bij brief van 18 maart 2024 (met onderwerp: Schikkingsvoorstel inzake dagvaarding M) heeft klager gereageerd op de dagvaarding en verweerder voorgesteld de dagvaarding in te trekken. Hij schrijft voor zover relevant:
“1. Ik heb vorderingen op uw cliënt, maar ik wil liever geen procedures voeren, en ben geen rechtszaak gestart. Maar als uw client voor de zoveelste keer een procedure begint, zal ik ze wel indienen.
2.De eisen van uw client zijn kansarm, en/of er is al eerder over gevonnist, zie hierna.
3.De wijze waarop deze dagvaarding is ingediend, en de inhoud, is klachtwaardig (…) Ik ben bereid af te zien van mijn eisen in reconventie, als uw cliënt ook afziet van haar eisen. Deze beslissing neem ik niet omdat ik denk dat de eisen van uw cliënt kansrijk zijn, want dat zijn ze niet, maar omdat ik de voorkeur geef aan een einde aan deze procedures. Dat bespaart uw cliënt en mij € 2.626 aan griffiegeld, plus advocaatkosten, plus vermoedelijk mijn kosten waar ze zoals te doen gebruikelijk waarschijnlijk in veroordeeld zal worden. Als uw cliënt besluit de procedure voort te zetten, zal ik de daadwerkelijke advocaatkosten vorderen. Naar mijn mening is er in dat geval sprake van misbruik van procesrecht.”
3.12 Bij e-mail van 19 maart 2024 heeft klager verweerder (en zijn voormalige advocaat, mr. F, in cc) verder geschreven:
“Ik heb afgelopen vrijdag een dagvaarding van u ontvangen met roldatum komende woensdag 10.00 uur. Ik weet niet of ik voor die [datum] een advocaat heb, daarom nu nog even mijn vorige advocaat mr. F(…) in de cc, die mij overigens niet gaat vertegenwoordigen in deze zaak.
Deze procedure bestaat grotendeels uit herhalingen van vorige zaken, dan wel extreme en kansarme vorderingen, en is voor een groot deel klachtwaardig.
U wilt bijvoorbeeld het donorcontract ontbinden, want er zou sprake zijn van dwaling en dwang. Over exact hetzelfde heeft de rechtbank Haarlem in januari echter al onherroepelijk het tegendeel gevonnist (zie beschikking als bijlage bij de bij deze e-mail gevoegde brief):
“De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de moeder tegenover de gemotiveerde weerlegging door de man onvoldoende heeft aangetoond dat zij de donorovereenkomst onder druk dan wel een wilsgebrek heeft ondertekend.”
Niet alleen had ze geen bewijs, ik had zeer veel bewijs van het tegendeel, dat juist zij mij onder druk zette om te tekenen. Zie daarvoor de WhatsApp berichten in het vonnis, waarvan ik overigens nog meer heb, die niet zijn opgenomen. Ook de overige eisen zijn ongegrond, extreem, niet onderbouwd, en/of een herhaling van zetten.
Ik neem aan dat u misleid bent door uw cliënt, maar deze procedure is mijns inziens wel misbruik van procesrecht, en om diverse andere redenen klachtwaardig. In mijn bijgevoegde brief heb ik dat toegelicht.
Daarnaast heb ik diverse vorderingen op uw cliënt. Ik wil liever geen procedures voeren, maar als ik er toch weer in wordt betrokken, zal ik die tegeneisen alsnog stellen.
Mijn schikkingsvoorstel is als volgt: Ik verzoek echter vriendelijk de hele dagvaarding in te trekken, dan zal ik geen eisen in reconventie stellen, en handelt u niet klachtwaardig.
Ik hoop dat uw client zich met meer positieve en productievere dingen gaat bezig houden, dan mij voortdurend betrekken in onnodige procedures.”
3.13 Bij e-mail van 20 maart 2024 heeft klager verweerder (met mr. F in cc) verzocht uiterlijk 22 maart 2024 om 17.00 uur te antwoorden op het schikkingsvoorstel. Ook heeft hij gevraagd om hem diezelfde middag voor 17:00 uur de producties bij de dagvaarding toe te zenden, aangezien verweerder die niet had bijgevoegd.
3.14 Bij e-mail van 21 maart 2024, om 11:11 uur heeft verweerder klager geantwoord dat hij klagers e-mails in goede orde had ontvangen en op korte termijn van een reactie zou voorzien.
3.15 Bij e-mail van 22 maart 2024, om 16:48 uur, heeft klager verweerder (met mr. F in cc) als volgt geantwoord:
“Bedankt voor uw mededeling dat u “op korte termijn” gaat reageren, maar ik had verzocht uiterlijk voor vandaag 17.00 uur te reageren, en uiterlijk gisteren voor 17.00 uur de producties te mailen. Het is ook vreemd en ongebruikelijk om een dagvaarding zonder producties te sturen. Als dat niet tijdig ontvang dan moet ik op een gegeven moment onwil aannemen, en dan wordt mijn voornemen om klachten in te dienen op de eerder genoemde punten, plus een paar andere, ook steeds concreter. Ik hoop alleen dat dat niet hoeft.”
3.16 Bij e-mail van 25 maart 2024 om 12:18 uur heeft verweerder klager (en mr. F in cc) laten weten dat de zaak niet is aangebracht en dat hij klager na beraad nader zou berichten.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder:
a) (…)
b) te dagvaarden voor een kwestie waarop al uitspraak door de rechter was gedaan;
c) de dagvaarding toe te zenden zonder producties;
d) klager pas vier dagen na het verstrijken van de roldatum te informeren dat de dagvaarding niet is aangebracht;
e) (…).
4.2 In het beroepschrift zijn door klager geen beroepsgronden gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel e). Dat klachtonderdeel zag op het instellen van een onrealistische en disproportionele claim. Omdat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep op grond van artikel 56 lid 3 Advocatenwet wordt bepaald door de beroepsgronden die tegen de beslissing van de raad binnen de beroepstermijn zijn aangedragen, is klachtonderdeel e) in hoger beroep dan ook niet meer aan de orde.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft over de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b) tot en met d) het volgende overwogen.
Ten aanzien van klachtonderdeel b)
5.2 Aan verweerder komt een grote mate van vrijheid toe in de wijze waarop hij invulling geeft aan zijn rol als advocaat van mevrouw M. Anders dan klager stelt, is het de raad niet gebleken dat verweerder de grenzen van die vrijheid heeft overschreden door ten koste van de belangen van klager in strijd met gedragsregel 6 lid 1 (doelmatigheidsvereiste) onnodig een procedure tegen hem te starten. Voorop staat dat het aan de civiele rechter is om een beslissing te nemen over de haalbaarheid van een dagvaardingsprocedure, welk uitgangspunt wordt begrensd doordat een advocaat niet mag meewerken aan het (voortdurend) voeren van kansloze en/of nutteloze procedures (vgl. Hof van Discipline 26 juni 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:126, rov. 5.4). Verweerder heeft onderbouwd betwist dat de dagvaardingsprocedure een herhaling was van de eerder door mevrouw M ingestelde vordering; anders dan in de eerste procedure betrof het verzoek om vernietiging van de donorovereenkomst slechts een onderdeel van de dagvaarding waarin klager aansprakelijk werd gesteld voor door mevrouw M gestelde geleden immateriële en financiële schade vanwege baanverlies. Daarnaast is naar het oordeel van de raad niet komen vast te staan dat verweerder in strijd met gedragsregel 8 bewust onjuiste informatie in zijn dagvaarding heeft opgenomen. Verweerder heeft genoegzaam aangevoerd dat hij op het moment van dagvaarden niet bekend was met de eerste procedure die was gevoerd over de ontbinding van de donorovereenkomst en de (volledige) voorgeschiedenis tussen klager en mevrouw M. Verweerder kwam hier pas achter toen klager hem op 19 maart 2024 op dit vonnis wees, waarna verweerder in overleg met zijn cliënte de procedure on hold had gezet en de dagvaarding niet heeft aangebracht. Voor zover klager verweerder tot slot heeft verweten de veroordeling van zijn cliënte (voor belaging) slechts in zijn dagvaarding te benoemen, maar het vonnis daarover niet over te leggen, geldt dat het verweerder als partijdig raadsman vrijstaat slechts die stukken over te leggen die in het belang van zijn cliënte zijn. De raad heeft dan ook geoordeeld dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken en dat klachtonderdeel b) ongegrond is.
Ten aanzien van klachtonderdeel c)
5.3 Het is niet ongebruikelijk dat de producties niet direct met de dagvaarding worden meegestuurd en verweerder heeft daarmee niet klachtwaardig gehandeld. Anders dan in de door klager naar voren gebrachte beslissing van de raad van discipline Den Haag van 18 november 2013, ECLI:NL:TADRSGR:2013:167, gaat het in onderhavig geval niet om de situatie dat verweerder bij de rechtbank de indruk heeft gewekt dat de producties wel waren meebetekend. Verder geldt dat verweerder als advocaat van de wederpartij niet verplicht was om op verzoeken van klager te reageren. Daarbij valt te begrijpen dat verweerder de relevantie van het toezenden van de producties niet meer zag, omdat de dagvaarding niet was aangebracht. De raad heeft dan ook geoordeeld dat klachtonderdeel c) ongegrond is.
Ten aanzien van klachtonderdeel d)
5.4 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder gehandeld zoals van hem als partijdig belangenbehartiger verwacht mocht worden door eerst met zijn eigen cliënte overleg te plegen voordat hij klager informeerde over het niet aanbrengen van de dagvaarding. De raad acht in de gegeven omstandigheden de termijn van vier dagen waarbinnen verweerder klager uiteindelijk had geïnformeerd niet verwijtbaar lang. Daarbij heeft de raad overwogen dat klager ondertussen via andere kanalen al had vernomen dat de dagvaarding niet was aangebracht. De raad heeft geoordeeld dat van verwijtbaar handelen geen sprake is geweest en heeft klachtonderdeel d) ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager (zakelijk samengevat)
Met betrekking tot klachtonderdeel b) 6.1 Het standpunt van klager is dat de redenering van de raad onjuist is, omdat verweerder als dominus litis verantwoordelijk is en blijft voor de herhaalde procedure, ondanks de al dan niet door zijn cliënte aan hem verstrekte informatie. Klager kan zich evenmin vinden in de overweging van de raad dat het verweerder als partijdig raadsman vrijstaat slechts die stukken over te leggen die in het belang van zijn cliënte zijn, en daarmee het vonnis van 23 augustus 2022 niet bij de stukken te voegen. Volgens klager heeft verweerder daarmee in strijd met gedragsregel 8 gehandeld, omdat voor verweerder duidelijk moest zijn dat de informatie uit het vonnis wezenlijk was voor de oordeelsvorming van de rechter.
Met betrekking tot klachtonderdeel c) 6.2 Klager voert aan dat het over het algemeen wel gebruikelijk is om producties meteen met de dagvaarding mee te sturen, en dat verweerder had behoren te reageren op zijn verzoek om de producties alsnog op te sturen. In elk geval had verweerder de producties waarover hij reeds beschikte bij de dagvaarding moeten voegen, aldus klager, en had hij daarbij moeten vermelden welke producties nog zouden worden nagestuurd. Door zonder toelichting alle producties weg te laten en niet op klagers verzoek te reageren, heeft verweerder volgens klager niet gehandeld zoals een goed advocaat betaamt.
Ten aanzien van klachtonderdeel d) 6.3 Klager vindt dat de raad ten aanzien van dit klachtonderdeel een verkeerde afweging heeft gemaakt, omdat door het verstrijken van de roldatum helemaal geen overleg meer mogelijk was tussen verweerder en mevrouw M over het wel of niet aanbrengen van de dagvaarding. Ook gelet op het bedrag waar het om ging en het onderwerp van de procedure, meent klager dat verweerder onredelijk en verwijtbaar heeft gehandeld door hem daarover pas vier dagen later te informeren.
Verweer verweerder
6.4 Verweerder heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Verweerder verzoekt het hof het hoger beroep te verwerpen. Waar dat relevant is, bespreekt het hof het verweer nader bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Oordeel van het hof
7.3 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden, die aansluiten bij de in eerste aanleg door klager ingenomen standpunten, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt het hoger beroep van klager en zal de beslissing van de raad – voor zover in hoger beroep nog aan de orde - daarmee bekrachtigen.
Proceskosten
7.4 Omdat het hof geen maatregel oplegt voor de klachtonderdelen die in hoger beroep nog aan de orde zijn, bestaat geen aanleiding voor het opleggen van een proceskostenveroordeling aan verweerder.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt - voor zover in hoger beroep aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van 14 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-848/A/NH.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026. griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 maart 2026.
