Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:71

Zaaknummer

250213

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging. Klacht niet-ontvankelijk. Verweerster heeft de ex-echtgenote van klager bijgestaan in de echtscheidingsprocedure tussen klager en zijn ex-echtgenote. Klager kan zich niet vinden in de manier waarop verweerster de echtscheidingszaak heeft behandeld, omdat zij volgens klager niet bereid was om tot een minnelijke oplossing te komen. Daarover heeft klager een klacht ingediend (klachtonderdeel a). De klacht houdt verder in dat declaraties van verweerster voor de door haar verleende rechtsbijstand vanuit één of meerdere B.V.’s zijn betaald. De raad heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De raad heeft overwogen dat klachtonderdeel a niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend, en dat klager door klachtonderdeel b, voor zover de klacht al juist zou zijn, niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

Uitspraak

Beslissing van 13 maart 2026 in de zaak 250213

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

tegen:

verweerster

 

1    INLEIDING

1.1    Verweerster heeft de ex-echtgenote van klager bijgestaan in de echtscheidingsprocedure tussen klager en zijn ex-echtgenote. Klager kan zich niet vinden in de manier waarop verweerster de echtscheidingszaak heeft behandeld, omdat zij volgens klager niet bereid was om tot een minnelijke oplossing te komen. Daarover heeft klager een klacht ingediend (klachtonderdeel a). De klacht houdt verder in dat declaraties van verweerster voor de door haar verleende rechtsbijstand vanuit één of meerdere B.V.’s zijn betaald. Dat is volgens klager niet toegestaan (klachtonderdeel b). De raad heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De raad heeft overwogen dat klachtonderdeel a niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend, en dat klager door klachtonderdeel b, voor zover de klacht al juist zou zijn, niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen. Klager is het met die beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de Raad van Discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna steeds: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (met zaaknummer: 24-877/DH/DH) een beslissing gewezen op 19 mei 2025. In deze beslissing is de klacht van klager niet-ontvankelijk verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:102 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 18 juni 2025 ontvangen door de griffie van het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerster van 5 augustus 2025; -    een e-mail van klager van 5 januari 2026, met als bijlage een aanvullend beroepschrift.

2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 januari 2026. Verweerster is ter zitting verschenen. Klager heeft op de ochtend van de mondelinge behandeling aan de griffie van het hof laten weten dat hij door ziekte niet in staat was ter zitting te verschijnen en evenmin in staat was via een videoverbinding deel te nemen. Verweerster heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.  

3    OMVANG VAN HET HOGER BEROEP

Het hof laat het aanvullend beroepschrift van 5 januari 2026 van klager buiten beschouwing. Op grond van artikel 56 lid 3 van de Advocatenwet wordt hoger beroep tegen een beslissing van de raad ingesteld bij met redenen omkleed beroepschrift. Dit betekent dat een appellant alle beroepsgronden die hij tegen de beslissing van de raad wil aanvoeren binnen de beroepstermijn ter kennis van het hof moet brengen en dat het hof van nadien aangevoerde beroepsgronden geen kennis zal kunnen nemen. Het aanvullend beroepschrift is buiten de beroepstermijn binnengekomen, zodat de daarin vermelde gronden buiten behandeling moeten blijven.

4    FEITEN

4.1    Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

4.2    Verweerster heeft de ex-echtgenote van klager bijgestaan in de echtscheidingsprocedure in eerste aanleg en hoger beroep.

4.3    Bij beschikking van 6 januari 2020 heeft de rechtbank Den Haag over het door verweerster ingediende echtscheidingsverzoek met nevenverzoeken van 25 april 2018 beslist en daarbij onder meer de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld.

4.4    Tegen deze beschikking is door verweerster hoger beroep ingesteld. Lopende deze procedure hebben zowel de advocaat van klager als verweerster beslag doen leggen op de verkoopopbrengst van de echtelijke woning.

4.5    Bij beschikking van 23 december 2020 heeft het gerechtshof Den Haag op het ingestelde hoger beroep beslist.

5    KLACHT

5.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat zij:

a) gedurende de procedures bij de rechtbank en het gerechtshof geen bereidheid heeft gehad om een minnelijke oplossing te beproeven;

b) de advocaatkosten geheel of gedeeltelijk heeft gefinancierd vanuit één of meerdere B.V.’s, hetgeen niet is toegestaan “althans niet zonder dat uit de declaraties blijkt wie de cliënte is, welke werkzaamheden voor de cliënt zijn verricht en op welke grond aan de derde wordt gedeclareerd.”

6    BEOORDELING RAAD

6.1    De raad heeft over de niet-ontvankelijkverklaring van de klacht het volgende overwogen.

Ten aanzien van klachtonderdeel a

6.2    De raad heeft vastgesteld dat het in klachtonderdeel a) gemaakte verwijt betrekking heeft op de periode dat klager met zijn ex-echtgenote in de echtscheidingsprocedure was verwikkeld, te weten van 25 april 2018 tot 23 december 2020. De klacht is ingediend op 22 januari 2024. Daarmee heeft klager de termijn van drie jaar als neergelegd in artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet overschreden. Bijzondere omstandigheden om deze termijnoverschrijding ten aanzien van dit klachtonderdeel verschoonbaar te achten, zijn de raad niet gebleken. Dat klager pas recent op de hoogte raakte van het feit dat de facturen van verweerster niet door zijn ex-echtgenote maar door een B.V. zouden zijn betaald, wat volgens klager een verklaring geeft voor het nodeloos procederen door verweerster zonder een minnelijke regeling te beproeven, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. Indien klager van mening was dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar handelde door nodeloos te procederen zonder een minnelijke regeling te beproeven, had hij daar destijds een klacht over kunnen indienen. Hiervoor is de eventuele omstandigheid dat facturen door een B.V. worden betaald niet relevant. De raad heeft klachtonderdeel a) dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van klachtonderdeel b

6.3    Klager stelt er, kort voor indiening van zijn klacht, achter te zijn gekomen dat de declaraties van verweerster niet op naam van verweersters cliënte maar op de naam van één of meer rechtspersonen zouden zijn gesteld, dan wel dat de facturen van verweerster door B.V.’s zijn betaald. Dit klachtonderdeel is binnen de hiervoor bedoelde termijn van drie jaar ingediend. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van de raad evenwel om een andere reden niet ontvankelijk. De raad heeft daarover vervolgens het volgende overwogen.

6.4    Het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan eenieder toe, maar slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn of haar belang is of kan worden getroffen. Dat dit het geval is, is de raad niet gebleken. Dat klager – zoals hij stelt – door toedoen van verweerster op hoge(re) kosten is gejaagd, kan daarbij niet worden vastgesteld.

6.5    Tot slot heeft de raad nog opgemerkt dat voor zover verweerster de deken inzage in haar declaraties zou hebben gegeven, dat klager nog niet het recht geeft deze ook in te zien. De geheimhoudingsplicht van verweerster staat daaraan in de weg. De raad ziet ook daarom geen aanleiding om de deken hierover nader te bevragen. De raad heeft de zaak dan ook niet terugverwezen naar de deken om hier nader onderzoek naar te laten doen, zoals klager subsidiair heeft verzocht.

7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager (zakelijk samengevat)

7.1    Klager heeft aangevoerd dat de raad ten onrechte van twee aparte klachtonderdelen is uitgegaan, omdat de klachtonderdelen met elkaar samenhangen. Om die reden heeft de raad verkeerde conclusies getrokken. Klager wijst erop dat hij de proceshouding van verweerster pas nadat hij op de hoogte was geraakt van de ongeoorloofde wijze van declareren daadwerkelijk kon doorgronden. Toen kwam hij pas tot het volledige besef van de klachtwaardigheid van het handelen van verweerster, waardoor hij ook pas op dat moment in de gelegenheid was een klacht in te dienen. De manier waarop de bijstand van verweerster aan zijn ex-echtgenote is gefinancierd, heeft nodeloos procederen door verweerster gefaciliteerd, aldus klager. Het standpunt van klager is dan ook dat de raad zijn klacht ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. Klager voert verder aan dat de wijze van procederen voor hem tot zeer hoge kosten heeft geleid, waardoor de raad naar het standpunt van klager ook ten onrechte heeft overwogen dat de klacht wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk zou zijn. 

7.2    Daarnaast voert klager aan dat nu de deken kennelijk inzage in de declaraties heeft gekregen, klager inzage had moeten kunnen krijgen in de wijze waarop de deken de declaraties heeft beoordeeld. Klager vindt dat de deken hem in elk geval van die inzage op de hoogte had moeten stellen, in het kader van een transparante klachtprocedure. Klager vindt dan ook dat de raad zijn verzoek om de deken vragen over de declaraties te kunnen stellen, of om de deken hiernaar nader onderzoek te laten doen, ten onrechte heeft afgewezen.

Verweer verweerster

7.3    Verweerster betwist en weerspreekt alle beschuldigingen van klager, en zij heeft in dat verband ook verwezen naar wat zij in de procedure bij de deken en in eerste aanleg bij de raad heeft aangevoerd. Verweerster betwist dat ieder overleg door haar zou zijn afgehouden en ook dat zij dit eerder in de procedure niet zou hebben weersproken. Ten aanzien van de declaraties is klager volgens verweerster bezig met een ‘fishing expedition’, om te achterhalen wat en hoe er door haar is gedeclareerd bij de ex-echtgenote van klager. Klager is hiertoe volgens verweerster echter niet in de positie, omdat het recht om een klacht in te dienen op grond van de Advocatenwet slechts toekomt aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn of haar belang is of kan worden getroffen. Dat geldt volgens verweerster niet voor klager, en verweerster stelt dat klager misbruik van het klachtrecht maakt. Verweerster verzoekt het hof om de beslissing van de raad te bekrachtigen. 

8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1     Het hof stelt, net als de raad, voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Het gaat daarbij om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij klager.

8.2     Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring toch achterwege, indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

Ten aanzien van de klachtonderdelen a) en b)

8.3 Het hof beoordeelt de klachtonderdelen a) en b) in samenhang, gelet op hetgeen klager daarover naar voren heeft gebracht. Het hof begrijpt daaruit dat klager aanvoert dat hij pas in december 2024 tot het volledige besef van de - naar klager stelt - klachtwaardigheid van het handelen van verweerster kwam en hij daardoor ook toen pas in de gelegenheid was daarover een klacht in te dienen. Het hof is van oordeel dat het standpunt van klager dat de termijn waarbinnen hij moest klagen dan ook later is aangevangen dan waar de raad van is uitgegaan, niet opgaat. Voor het aanvangen van de termijn van artikel 46g lid 1 Advocatenwet is niet van belang of klager het besef had dat dit handelen mogelijk klachtwaardig zou zijn (vgl. HvD 7 december 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:256). Het gaat om de bekendheid met het feitelijke handelen. Het hof ziet op basis van de beroepsgronden van klager en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om op dit punt tot een andere beoordeling te komen dan de raad en verwijst naar de overwegingen van de raad op dit punt ten aanzien van klachtonderdeel a). Verder is ook het hof van oordeel dat klager geen eigen rechtstreeks belang heeft bij de wijze waarop verweerster haar honorarium heeft gedeclareerd. Ook met betrekking tot klachtonderdeel b) is klager niet-ontvankelijk. Voor zover klager van oordeel is dat de deken in strijd heeft gehandeld met de leidraad dekenaal klachtenonderzoek door op niet transparante de wijze van declareren van verweerster te onderzoeken, gaat het hof daaraan voorbij. Die vraag hoort niet thuis in deze klachtzaak. De raad heeft dan ook terecht het verzoek van klager om bij de deken nadere informatie op te vragen, afgewezen. Het hof sluit zich verder aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Het hof zal de beslissing van de raad dan ook bekrachtigen.

Proceskosten

8.4     Verweerster heeft verzocht klager in de kosten van de tuchtrechtelijke procedure(s) te veroordelen, omdat klager naar het standpunt van verweerster misbruik van het klachtrecht heeft gemaakt. In de Advocatenwet is die mogelijkheid niet opgenomen. Zoals in de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021 is opgenomen, kan de klager in beginsel dan ook niet in de kosten worden veroordeeld. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. 

 

9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 19 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 24-877/DH/DH.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.                        griffier        voorzitter             

De beslissing is verzonden op 13 maart 2026.