Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:56

Zaaknummer

25-688/A/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing; gegronde klacht over de advocaat wederpartij. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door onduidelijkheid te laten bestaan over de hoedanigheid waarin hij optrad (schending gedragsregel 9), door derden te betrekken in e-mailcorrespondentie waar zij geen betrokkenheid bij hebben en door zich tot tweemaal toe tot de rechtbank te wenden zonder gelijktijdige toezending van die berichten aan de advocaat van klagers (schending gedragsregel 21 lid 1). Gelet op de ernst en aard van dit handelen en gezien de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, is een waarschuwing passend.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 9 maart 2026 in de zaak 25-688/A/A  naar aanleiding van de klacht van:

klagers 

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 29 april 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 8 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2490339/EvR/JN/AP van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij waren aanwezig klaagster 1, ook namens klager 2, en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klagers waren als (voormalig) collega’s werkzaam bij hetzelfde bedrijf (hierna: de werkgever).  2.3    Op 9 oktober 2024 heeft de werkgever aan klagers in het kader van een reorganisatie ontslag aangezegd wegens bedrijfseconomische redenen. Bij deze aanzegging waren de algemeen directeur, de financieel directeur en de HR-manager via Teams aanwezig. Klagers waren op het kantoor in Spijkenisse aanwezig. In dezelfde ruimte als klagers zat een voor klagers onbekende persoon die geïntroduceerd was als ‘legal advisor’ (en later verweerder bleek te zijn). Op zijn visitekaartje dat klagers destijds ontvingen stond de naam van verweerder en de naam van een bedrijf (hierna: G B.V.).  2.4    Eerder, op 1 oktober 2024, was door verweerder namens de werkgever ten behoeve van klagers een ontslagvergunning bij het UWV aangevraagd.  2.5    Op 11 oktober 2024 heeft verweerder aan klagers een vaststellingsovereenkomst gestuurd met het verzoek uiterlijk maandag 14 oktober 2024 te laten weten of zij hiermee akkoord gingen. Deze e-mail is verzonden vanaf het adres [voornaam]@[naam bedrijf].nl en namens G B.V. ondertekend door verweerder, zonder verdere vermelding van enige titel of hoedanigheid.  2.6    In december 2024 hebben klagers bij de rechtbank Rotterdam een faillissementsverzoek tegen de werkgever ingediend omdat zij hoopten daarmee de wederpartij ‘in beweging’ te krijgen. Op 10 januari 2025 is namens de werkgever bij de rechtbank een verweerschrift ingediend, waarin de naam van verweerder is opgenomen voorzien van het predicaat ‘mr.’. Op 13 januari 2025 heeft verweerder namens G B.V. per e-mail dit verweerschrift gezonden aan de advocaat van klagers. De e-mail luidt: “Hierbij zend ik u een afschrift van mijn brief met bijlagen aan de Rechtbank. Met vriendelijke groet (…) [naam verweerder] (..) [G B.V.]”. 2.7    Op 27 januari 2025, een dag voor de behandeling van het faillissementsrekest bij de rechtbank Rotterdam, heeft de advocaat van klagers (zonder overleg met verweerder) een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling bij die rechtbank ingediend. Verweerder heeft, na telefonisch overleg met de griffie, bij e-mail van 27 januari 2025 (om 15:59 uur) bij de rechtbank bezwaar gemaakt tegen een aanhouding. Deze e-mail is verzonden vanuit het e-mailaccount van verweerder bij diens advocatenkantoor (hierna: G Advocaten). De e-mail luidt als volgt:   “In aansluiting op ons telefoongesprek van zojuist, waarin ik aangaf namens cliënte niet akkoord te gaan met een aanhouding van de procedure, zoals door [de advocaat van klagers] namens verzoekers ingediend, bericht ik u als volgt.  Namens cliënte is een finaal voorstel gedaan voor een minnelijke regeling dat maandag 20 januari 2025 is verlopen. Het geeft dan geen pas om pas daags voor de zitting de procedure wederom uit te stellen, daar waar dit de eerste maal ook al zonder overleg met ondergetekende is verzocht. De financieel manager van cliënte heeft nu voor de tweede maal een vlucht en een hotel moeten boeken voor deze zaak. De kosten hiervan zullen ook ten titel van verrekening worden opgevoerd. Ik verzoek u dan ook om aan [de advocaat van klagers] aan te geven dat hij het verzoek kan intrekken of dat anders de zaak morgen wordt behandeld. Ik ontvang graag ook nader bericht op dit punt. Ik stuur [de advocaat van klagers] een kopie van deze email Met vriendelijke groet,  [verweerder] advocaat.” 2.8    Een uur later, om 17:02 uur (op 27 januari 2025) heeft verweerder aan de advocaat van klagers een afschrift van zijn e-mail aan de rechtbank gestuurd en hem geïnformeerd dat de zitting doorging. Hij schreef in dat verband:  “PS: De verzending van deze email werd vertraagd door een bespreking. In de tussentijd ontving ik bericht van de Rechtbank dat de zitting doorgang vindt. Indien u (voordien) nog wenst te overleggen, weet u mij te vinden.”   2.9    Ter ondersteuning van hun faillissementsrekest hebben klagers een vordering van de (voormalig) verhuurder van de werkgever als steunvordering opgeworpen.  2.10    Bij beschikking van 4 februari 2025 heeft de rechtbank Rotterdam het faillissementsrekest afgewezen.  2.11    Op 6 februari 2025 heeft verweerder de advocaat van klagers per e-mail, met een kopie aan de voormalig verhuurder van de werkgever, als volgt bericht:  “Uw cliënten hebben geluk dat de Rechtbank terughoudend is met het toekennen van de werkelijke gemaakte kosten in dit soort zaken, met name daar ik uit de reactie van de rechter afleidde dat zij ook uw verzoek gespeend van iedere rechtsgrond vond. Cliënte ziet niet af van de proceskostenveroordeling en mogelijk wordt dit meegenomen in de wettelijke eindafrekening. Namens cliënte worden alle rechten voorbehouden, waaronder de mogelijkheid om zonder nadere aankondiging executiemaatregelen te laten nemen. Naar aanleiding van uw bewering dat de verhuurder zich met een substantiële vordering op cliënte heeft gemeld, heeft cliënte contact opgenomen met de verhuurder, die ik voor de volledigheid in kopie van deze email zet, en die geeft aan dat de huurovereenkomst naar tevredenheid is afgewikkeld en dat er geen claim bestaat. Tevens heeft deze bevestigd dat hij door een andere advocaat wordt bijgestaan. Uw – niet onderbouwde – stelling is dus moeilijk te begrijpen. Cliënte heeft uw cliënten een – inmiddels vervallen – riant voorstel voor een minnelijke beëindiging gedaan, maar een minnelijke regeling lijkt onmogelijk vanwege uw – mijns inziens zeer bedenkelijke – optreden in deze kwestie. Mocht u c.q. uw cliënten alsnog een redelijke regeling willen bespreken, dan stel ik voor dat u telefonisch contact met mij opneemt. (…) [verweerder] Advocaat/Attorney at Law (…) G Advocaten” 2.12    Op 10 februari 2025 heeft de advocaat van klagers een e-mail aan verweerder gestuurd waarin hij aangeeft dat bij zijn cliënten onduidelijk bestaat over verweerders hoedanigheid. Zijn e-mail luidt, voor zover relevant:  “Van uw e-mail is relevant dat u de denkfout maakt dat het aan u of uw cliënte zou zijn op welk moment u zich manifesteert als advocaat. U mag daarover geen twijfel laten bestaan. U heeft dat wél gedaan – en erkent dat in de voorlaatste alinea van uw e-mail – zodat u er rekening mee moet houden dat cliënten daarvan een punt maken. Uw stelling dat u zich uitgebreider had moeten voorstellen, slaat eveneens de plank mis. Van cliënten begrijp ik dat u zich in het geheel niet heeft voorgesteld, laat staan dat u heeft aangegeven (hoewel daartoe verplicht) dat u advocaat bent.  (…)  Gegeven is dat u zich in die bewuste oktoberbijeenkomst heeft bekendgemaakt als juridisch adviseur, niet als advocaat. U had direct moeten aangeven dat u advocaat bent en niet zich een rol mogen toebedelen die u wellicht dacht te hebben maar niet heeft.” 2.13    Op 10 februari 2025 (om 08:30 uur) heeft verweerder hierop gereageerd:  “Ten aanzien van mijn adviserende rol aan cliënt, laat ik u weten dat ik [de werkgever] al jarenlang als HR en Juridisch adviseur bijsta en ook uit dien hoofde aanwezig was tijdens de bespreking van begin oktober 2024. Dit heb ik ook aldaar aangegeven. Dit is uitzonderlijk omdat in de regel de HR-functionaris van cliënte zelf in persoon aanwezig is. Omdat dit niet mogelijk was, hebben zij mij gevraagd om die rol aldaar te vervullen. Slechts indien ik in rechte voor haar moet optreden, instrueert zij mij als advocaat. Voor zover er onduidelijkheid mocht zijn ontstaan over mijn rol in het kader van de reorganisatie en welke hoedanigheid ik tijdens een juridische procedure heb, dan betreur ik dat uiteraard. Indien ik een escalatie zoals de onderhavige had kunnen bevroeden, dan had ik mij achteraf beschouwd wellicht uitgebreider moeten voorstellen.” 2.14    Op 14 april 2025 hebben klagers verweerder via hun advocaat laten weten dat zij een klacht over hem gingen indienen. Dat hebben zij vervolgens op 29 april 2025 gedaan.  2.15    Verweerder heeft namens de werkgever ontbindingsverzoeken van de dienstverbanden van klagers bij de rechtbank ingediend.  2.16    Op 18 juni 2025 omstreeks 21:15 uur heeft verweerder de rechtbank namens de werkgever verzocht om de verzoekschriften in te trekken. Op 19 juni 2025 om 10:00 uur heeft verweerder de advocaat van klagers geïnformeerd over de intrekkingen. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijt verweerder het volgende:  a)    verweerder is niet duidelijk geweest over zijn functie van advocaat;  b)    op 6 februari 2025 heeft verweerder een e-mail gedeeld met een derde persoon met daarin voor klagers vertrouwelijk informatie die niets te maken had met details van de tussen klagers en de werkgever ontstane situatie c)    verweerder heeft een dag voor de zitting en een uur na het versturen van het bericht aan de rechtbank, om 17:02 uur aan de advocaat van klagers het bezwaar tegen het verzoek tot aanhouding van de procedure verstuurd. In het verzoek is bovendien opgenomen dat verweerder telefonisch contact met de griffier heeft gehad.  3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Maatstaf  5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2    Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Klachtonderdeel a) – onduidelijkheid functie advocaat  5.3    Klagers hebben gesteld dat verweerder niet duidelijk is geweest over zijn functie. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat verweerder bij de bespreking op 9 oktober 2024 aanwezig was zonder zich aan klagers als advocaat voor te stellen of zich te introduceren. Op het visitekaartje dat verweerder aan klagers had gegeven stond enkel zijn naam, het bedrijf G Of-Counsel, e-mailadres en telefoonnummer, zonder titel of functie. Bij het verstrekken van de vaststellingsovereenkomst enkele dagen later op 11 oktober 2024 heeft verweerder de term ‘legal advisor’ gebruikt waaruit klagers evenmin konden afleiden dat verweerder advocaat is. Deze onduidelijkheid over verweerders hoedanigheid is tot januari 2025 bij klagers en hun advocaat blijven bestaan. Verweerder heeft pas in zijn e-mail van 10 februari 2025 uitgelegd wanneer hij welke hoedanigheid vervulde.  5.4    De raad is met klagers van oordeel dat verweerder onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn hoedanigheid tijdens de bijeenkomst van 9 oktober 2024 en in de periode daarna. Verweerder heeft aangevoerd dat hij op 9 oktober 2024 optrad als HR-adviseur, ter vervanging van de HR-functionaris die deze bijeenkomsten normaal gesproken bijwoont, en ervan uitging dat klagers met zijn persoon bekend waren, nu hij regelmatig op het kantoor van verweerder aanwezig was. Dat dit het geval kan zijn, doet naar het oordeel van de raad niet af aan het feit dat van verweerder verwacht mocht worden dat hij expliciet duidelijkheid verschafte over zijn rol tijdens die bijeenkomst. Dit is temeer van belang omdat verweerder als advocaat van de werkgever optrad in de juridische procedures bij het UWV ter verkrijging van een ontslagvergunning op grond van de reorganisatie. Het verzoek daartoe had verweerder kennelijk al op 1 oktober 2024 namens de werkgever bij het UWV ingediend. Bovendien heeft verweerder klagers twee dagen na de bijeenkomst van 9 oktober 2024 (op 11 oktober 2024) een vaststellingsovereenkomst gestuurd. Juist in deze constellatie rustte op verweerder een verhoogde verantwoordelijkheid om iedere onduidelijkheid over zijn hoedanigheid van advocaat te voorkomen. Door dit na te laten heeft verweerder niet gehandeld in overeenstemming met gedragsregel 9. 5.5    Gedragsregel 9 bepaalt immers dat een advocaat, zowel tegenover zijn cliënt als in zijn contacten met derden, ervoor dient zorg te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder niet aan dit vereiste voldaan. Dat verweerder erkent dat hij meer tijd had moeten besteden aan zijn introductie tijdens de bijeenkomst op 9 oktober 2024 en hier in de toekomst beter op zal letten, bevestigt (eveneens) dat deze duidelijkheid ontbrak. Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat klagers niet zijn benadeeld door zijn handelwijze, overweegt de raad dat dit niet doorslaggevend is voor de vraag of zijn optreden klachtwaardig is. Voor de vaststelling van de verwijtbaarheid is niet doorslaggevend of daadwerkelijk een misverstand is ontstaan, maar of door het handelen van de advocaat bij derden een misverstand kon ontstaan over zijn hoedanigheid (Hof van Discipline, 20 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:104).  5.6    Klachtonderdeel a) is gelet op het voorgaande gegrond.   Klachtonderdeel b) – delen van informatie met de verhuurder 5.7    Klagers beklagen zich erover dat verweerder nodeloos (vertrouwelijke) informatie heeft gedeeld met de verhuurder. Zij stellen dat de verhuurder van de werkgever hen had meegedeeld dat hij de werkgever nog een factuur zou sturen voor de huur over de maand januari 2025. De verhuurder had klagers toestemming gegeven om deze vordering als steunvordering bij hun faillissementsrekest te betrekken. Verweerder heeft vervolgens de verhuurder in cc gezet van zijn e-mail van 6 februari 2025 aan de advocaat van klagers met hierin (eveneens) persoonlijke en vertrouwelijke informatie over de ontslagprocedure tegen klagers. De advocaat van klagers stelde verweerder in deze twee kwesties (het faillissement en de ontslagprocedure) altijd bij aparte berichten op de hoogte en dat had verweerder ook moeten doen, aldus klagers.  5.8    Ook dit klachtonderdeel treft doel. De raad overweegt dat de verhuurder geen rol had in de ontslagprocedure en dat er geen reden was om de verhuurder hierin te betrekken. Door in zijn e-mail van 6 februari 2025, waarin de verhuurder in cc stond, niet alleen in te gaan op het faillissementsrekest, maar tevens inhoudelijke aspecten uit de ontslagprocedure te bespreken, heeft verweerder dit wel gedaan. Verweerder had zijn correspondentie over deze twee verschillende kwesties gescheiden moeten houden en heeft de verhuurder ten onrechte in kennis gesteld van informatie over klagers, waar de verhuurder geen betrokkenheid bij had. De raad volgt niet de opvatting van verweerder dat klagers de verhuurder zelf in de discussie hadden betrokken. Het feit dat klagers een faillissementsrekest tegen de werkgever hadden ingediend met een steunvordering van de verhuurder, acht de raad geen rechtvaardiging. Dat betrof een andere procedure. Door aldus te handelen heeft verweerder naar het oordeel van de raad de belangen van klagers onnodig geschaad en daarmee de grenzen van de hem toekomende vrijheid overschreden.   5.9    Klachtonderdeel b) is dan ook gegrond.  Klachtonderdeel c) – geen gelijktijdige communicatie  5.10    Uit de e-mail van 27 januari 2025 (om 15:59 uur) van verweerder volgt dat verweerder telefonisch contact met de griffie van de rechtbank heeft gehad. Klagers stellen dat niemand kan controleren wat er in het gesprek met de griffie is besproken. Bovendien heeft verweerder zijn bericht aan de rechtbank pas een uur later, om 17:02 uur, aan de advocaat van klagers doorgestuurd. Verder stellen klagers dat verweerder hun advocaat niet gelijktijdig heeft geïnformeerd over het intrekken van de ontbindingsverzoeken op 18 juni 2025, maar pas een dag later op 19 juni 2025.   5.11    Verweerder heeft aangevoerd dat zijn handelwijze over zijn contact met de rechtbank op 27 januari 2025 is ingegeven door het éénzijdige en late uitstelverzoek van de advocaat van klagers eerder op die dag. Het is wellicht voor klagers niet dan wel onvoldoende duidelijk dat een dergelijk uitstel van de advocaat van klagers niet eenzijdig kan worden verzocht, maar dit heeft hun advocaat tweemaal gedaan en ook tweemaal daags voor de zitting. Ten aanzien van het telefonisch contact met de griffie heeft verweerder aangevoerd dat hij bij de griffie navraag had gedaan hoe te handelen bij een niet akkoord van een dergelijke eenzijdige proceshandeling. De griffie gaf te kennen dat verweerder dan een e-mail moest versturen aan de griffie, wat hij vervolgens heeft gedaan. Voor wat betreft het doorzenden van het intrekkingsbericht van de verzoekschriften van de late avond aan de rechtbank zijn deze de volgende ochtend in kopie aan de advocaat van klagers gestuurd. Dit is volgens verweerder te beschouwen als ‘gelijke post’ en schaadt de belangen van klagers op geen enkele wijze. 5.12    De raad volgt verweerder niet in zijn standpunt. Ingevolge gedragsregel 21 lid 1 is het uitgangspunt dat het een advocaat niet geoorloofd is zich in een aanhangig geding anders dan tezamen met de advocaat van de wederpartij tot de rechter te wenden aan wiens oordeel een zaak is onderworpen, tenzij schriftelijk en met gelijktijdige toezending van een afschrift van de mededeling aan de advocaat van de wederpartij en zo tijdig dat die advocaat voldoende gelegenheid heeft daarop te reageren. Handelen in strijd met deze gedragsregel is in beginsel handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet. 5.13    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder beide keren, zowel op 27 januari 2025 als op 18 juni 2025, in strijd met gedragsregel 21 lid 1 gehandeld door de advocaat van klager niet direct in cc op te nemen in zijn e-mailberichten aan de (griffie van de) rechtbank danwel zijn berichten direct aan de advocaat van klagers door te sturen. Door dit na te laten heeft verweerder de advocaat van klagers de mogelijkheid ontnomen om tijdig op zijn e-mails te reageren. Dat geldt vooral voor verweerders e-mail aan de griffie van 27 januari 2025 om 15:59 uur (de dag voor de zitting) inhoudende het verzoek om de zitting toch doorgang te laten vinden. Deze e-mail heeft verweerder pas na 17:00 uur (op welk moment de griffie gesloten is) doorgestuurd. Hierdoor kon de advocaat van klagers hier niet meer tijdig op reageren. Dat de advocaat van klagers volgens verweerder zelf tot tweemaal toe eenzijdig uitstel had verzocht aan de rechtbank, moge zo zijn maar levert geen rechtvaardiging op voor het handelen van verweerder.  5.14    Klachtonderdeel c) is gelet hierop eveneens gegrond.

6    MAATREGEL 6.1    Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door onduidelijkheid te laten bestaan over de hoedanigheid waarin hij optrad (schending gedragsregel 9), door derden te betrekken in e-mailcorrespondentie waar zij geen betrokkenheid bij hebben en door zich tot tweemaal toe tot de rechtbank te wenden zonder gelijktijdige toezending van die berichten aan de advocaat van klagers (schending gedragsregel 21 lid 1). Gelet op de ernst en aard van dit handelen en gezien de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, is de oplegging van een waarschuwing passend en geboden. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klaagster 1, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster 1. Klaagster 1 geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.  7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht gegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster 1, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. M. Kemmers en T. Felix, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 9 maart 2026